Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Roeping tot het ambt (IV)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Roeping tot het ambt (IV)

6 minuten leestijd

Bucers oordeel
Onder de reformatoren heeft niemand zo uitvoerig zich met de ambtsvragen bezig gehouden als Martin Bucer, de reformator van Straatsburg. Hij nam ten opzichte van Luther een eigen positie in. Luther heeft dit niet altijd willen begrijpen, ofschoon er een tijd was, waarin Luther Bucer aanwees als zijn opvolger. De laatste ontwikkelde een eigen lijn in de reformatorische theologie. Wanneer we Calvijn lezen herkennen we bij hem veel van wat Bucer vóór hem geschreven had. Daarmee is vanzelf niets ten nadele van Calvijn gezegd. Het wordt alleen duidelijk, dat ook deze reformator in een traditie stond.
Roeping tot het ambt omschrijft Bucer vrijwel altijd met drie woorden. Ze komen telkens weer naar voren, wanneer hij over deze dingen schrijft. Allereerst is er de gewilligheid (voluntas). Dan is er sprake van bekwaamheid (facultas). Ten slotte moet er ook de opening zijn, die in de wettige weg de toegang verleent tot de ambten en hun werkzaamheden (successus).
We zouden van deze omschrijvingen een aantal voorbeelden kunnen geven. Bij de roeping van Gideon schrijft Bucer in zijn commentaar op Richteren, naar aanleiding van de woorden van de engel: „De Here is met u", het volgende: „Hier hebben we de omschrijving van de echte manier waarop iemand tot een zeker werk wordt geroepen. Allereerst, dat degene die roept, dit doet in de naam des Heren.
Daarom moet bij iedere roeping tot een zeker werk de belofte voorafgaan van de goddelijke hulp, die nodig is om de zaak te volbrengen. Daarom wordt terecht voor alle dingen gezegd: 'De Here is met u'. Vervolgens mag niemand tot een zeker ambt geroepen worden, wanneer niet blijkt, dat hij van Godswege zekere gaven daartoe heeft ontvangen... Daarom bestaat een wettige roeping hierin, dat men op bevel van God iemand aanstelt, die geschikt en bekwaam is, om onder de belofte van de goddelijke hulp die nodig is, dit ambt te vervullen. Derhalve zijn er drie vereisten: een bevel van God, bekwaamheid (solertia) van de geroepene, en een belofte van goddelijke hulp."

God roept
Degene die tot het ambt roept is God zelf. En God roept niet maar alleen de dienaren voor de ambtelijke dienst in zijn gemeente. Ieder heeft een eigen roeping ten opzichte van de naaste, waar hij ook staat in het leven. Elke gelovige heeft deze roeping ook ten aanzien van de naaste te vervullen. Een goddelijk ambt en beroep: het was deze zienswijze, die aan de gelovigen een taak en een plaats in het maatschappelijk verkeer gaf. Elk is ook schuldig om zijn gaven ten nutte en ter zaligheid van de naaste aan te wenden, gewillig en met vreugde.
Maar ditzelfde geldt nu ook, zij het op een bijzondere manier, voor de dienaren in de gemeente. „Het is alleen het werk van de hemelse Vader om bekwame arbeiders in zijn oogst uit te stoten. Het is alleen aan de Zoon om te zenden in de kerken, gelijk Hem de Vader gezonden heeft, en van de hemel dienaren te geven, opdat zij vrucht dragen. Het is alleen aan de Heilige Geest om verzorgers van de kerken aan te stellen, die hen regeren en weiden tot heil. Niettemin kan en moet deze goddelijke uitzending, zending, begiftiging en aanstelling (welke de wettige roeping is) slechts daaraan herkend worden, dat wanneer zij die tot die diensten der kerk worden aangeboden, beschikken over een vaste wil en bekwaamheid om de kerken in de Here op te bouwen, welke twee zaken voor deze diensten geschikt maken. Zij moeten wettig door de kerken zelf tot deze diensten begeerd worden, of worden aangeboden door hen aan wie de Here een zodanig bestuur over de kerken heeft opgedragen." (Vgl. W. van 't Spijker, De Ambten bij Martin Bucer, blz. 367.)

Waaraan is de roeping te herkennen?
Ook Bucer wijst, evenals Calvijn na hem, wanneer het gaat over de innerlijke roeping, op de persoonlijke overtuiging, dat men het ambt niet aanvaardt uit een verkeerde ambitie: vleselijke begeerte, op welke manier dan ook, of dit geldzucht of eerzucht is. Het eerste wat vereist is, is de vaste, de constante of bestendige wil of begeerte, om de Here te dienen. Hetzij een dienaar door de gemeente wordt beroepen of door een ander wordt aangewezen, altijd komt het erop aan, dat men slechts hen begeert, of presenteert, „die de Here zelf tot deze Heilige diensten heeft aangewezen en die Hij aanbiedt. Dat betekent, dat Hij hen tot deze diensten geschikt heeft gemaakt, geïnspireerd en begiftigd, niet alleen met een vaste of bestendige begeerte (voluntas), maar ook met een zodanige bekwaamheid om de gemeente op te bouwen."
Doordat de Here de gaven verleent, wordt aan de gemeente duidelijk, wie Hij verkiest.
Iemand die de gaven mist, mist ook de roeping. Hier blijkt in de praktijk wat de nauwe relatie tussen ambt en charisma betekent. Het kerkelijk examen houdt niets anders in, dan dat men onderzoekt, of de vereiste gaven aanwezig zijn. Eigenlijk gesproken is het ook niet de kerk die roept, maar God zelf door middel van zijn gemeente. En de roeping door de gemeente wordt dan niets anders, dan dat zij hen erkent, die blijkens de aan hen verleende gaven, door de Here zijn geroepen. Bij het examen gaat het dan ook weer om deze drie elementen: bekwaamheid, wil en gelegenheid.

Gegeven goed
„Zij worden echter geroepen, aan wie gegeven is de bekwaamheid, de wil en de gelegenheid. Alle drie zijn gaven Gods. Niettemin vereisen zij onze toewijding. Gebed en ijver worden vereist, opdat gij leert, wat ge moet onderwijzen. De wil moet eveneens van de Here begeerd worden, hetwelk ook voorgeschreven is in het 'Gij zult de Here uw God liefhebben van ganser harte'. De gelegenheid om te onderrichten moet ook gezocht worden, en men dient niet te zwijgen, tenzij daar waar niemand wil horen. Zij die deze drie gaven bezitten, vergissen zich wanneer zij zeggen, dat zij niet door de Geest gedreven worden om te onderrichten, of om zich aan enig deel van de heilige bediening te wijden."
Duidelijk blijkt uit dit citaat dat er een innige verhouding bestaat tussen het priesterschap van alle gelovigen en de taak van de dienaar van de gemeente. De wil om God te dienen wordt vereist door het gebod: Gij zult de Here uw God liefhebben van ganser harte. Het onderzoek naar de roeping tot het ambt in de kerk dient er dus van uit te gaan, dat hier niet het onderscheid ligt tussen de algemene roeping die ieder heeft en de bijzondere roeping van de dienaar. Van de geestelijke wordt niets gevraagd, dat ook niet geldt van het gewone gemeentelid. Het eigenlijke onderscheid ligt dan ook niet op dit terrein. „Het eerste verschil met de dienaar is, dat hij met een genadegave is begiftigd. Het tweede, dat God de krachtdadige uitwerking geeft, zonder hetwelk ieder werk volstrekt zonder vrucht is." De roeping kan derhalve volgens Bucer in zekere zin niet afgeleid worden van de genadestaat. Zij berust op de bekwaammakende genade, die de Here zelf aan zijn dienstknechten verleent. Daarop heeft zich het onderzoek voornamelijk te richten in het kerkelijke examen.

W. van 't S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1989

De Wekker | 8 Pagina's

Roeping tot het ambt (IV)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1989

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken