Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Openingswoord generale synode Groningen 1989

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Openingswoord generale synode Groningen 1989

12 minuten leestijd

Broeders in onze Here Jezus Christus, geachte afgevaardigden en preadviseurs,
Namens de roepende kerk van Groningen heb ik zojuist uw vergadering mogen openen - een vergadering die de geschiedenis zal ingaan als de Generale Synode van Groningen 1989 - en ik heet u van harte welkom in onze stad en in dit kerkgebouw, beter bekend als de Maranathakerk.
Dat u de reis naar deze stad hebt moeten ondernemen, is mede te danken aan het besluit van de Generale Synode van 's-Gravenhage, die onze kerk de opdracht gaf de nodige voorbereidingen te treffen voor deze synode. We hebben als kerkeraad en gemeente getracht zo goed mogelijk aan deze eervolle taak gevolg te geven en we hopen, dat deze synode ook in organisatorisch opzicht een goed verloop mag hebben. Onze commissie van voorbereiding is alleszins bereid om u in dit opzicht assistentie te verlenen.
Een blik in de geschiedenis van deze stad met meer dan 160.000 inwoners moge u enigszins vertrouwd maken met de omgeving, waarin u thans verkeert. De stad mag immers bogen op een eeuwenoude historie. „Groningen is soo oudt, dat men van haer eerste antiquiteyten niet weet te verhalen; wij weten in desen niet, als dat wy 't niet weten", schreef de jurist Bernard Alting in de eerste helft van de 17e eeuw. Dat woord zou ook nu nog gelden, ware het niet dat onderzoek en opgravingen veel over het ontstaan van de stad aan het licht hebben gebracht.
Natuurkundig gezien vormde het dorp Groningen lange tijd de grens tussen twee werelden. In het noorden lag Friesland tussen Lauwers en Eems, dat vóór de 10e eeuw voor het grootste deel een kwelder- en waddengebied vormde, waar de zee vrij spel had. In het zuiden lag het hoge bosrijke Drentse plateau, waarvan een aantal uitlopers het kweldergebied vanuit het zuiden binnendrong. Een van deze uitlopers was de Hondsrug en op de laatste hoge kop is Groningen ontstaan, „up ein stert van Drentland." Deze hoge kop vormde een kruispunt van land- en waterwegen, aantrekkelijk voor allerlei vormen van handel. Dat laatste zou ook de naam van de stad kunnen verklaren: het woord „gron-" betekent „markt".
Het drukke verkeer leverde Groningen ook de reputatie op een gastvrije stad te zijn: al in 1267 werd het zogenoemde „Heilige Geest gasthuis" gebouwd voor „minvermogende kooplieden en andere reizigers". Het is een reputatie die de stad ook nu nog hoog houdt. En wanneer wij u onder de categorie „andere reizigers" mogen rangschikken, zijn wij graag bereid om deze reputatie ook ten opzichte van u de komende tijd waar te maken.
Uit opgravingen op het Martini-kerkhof is gebleken, dat al in de tweede en derde eeuw na Christus hier een nederzetting moet zijn geweest. En veel meer werd gevonden: men trof bij het graven onder andere ook de resten aan van het keizerlijk domein in de „villa Cruoninga", waarover een oorkonde uit het jaar 1040 bericht. In deze oorkonde wordt vermeld, dat de Duitse koning Hendrik III het betreffende landgoed aan de kerk van Utrecht schenkt. Groningen moet voor de koning een politiek en economisch concentratiepunt van groot belang zijn geweest, gezien het feit dat in de oorkonde niet enkel van het recht van tolheffing sprake is, maar ook van het uitzonderlijke regaal van muntslag.
Met deze schenking werd de band tussen de bisschop van Utrecht en de stad Groningen voor eeuwen bezegeld. Een band die zeker niet door geestelijke motieven was ingegeven en die lang niet altijd tot wederzijds genoegen was: het groeiende zelfbewustzijn van de stad bracht de Utrechtse bisschoppen er soms toe om met grote legers de Groningers aan hun eed van trouw te herinneren. Of was het de bisschoppen misschien vooral te doen om de dertig karrevrachten wijn, die jaarlijks door Groningen aan de Utrechtse geestelijkheid moest worden geleverd, zoals de oorkonde had bepaald?
Hoe het ook zij, Groningen ontwikkelde zich steeds meer tot een levendige en welvarende stad. En verscheidene straatnamen en namen van markten getuigen ook nu nog van dat verleden.
We laten de relatie tussen kerk en stad de eerstvolgende eeuwen rusten en willen enige aandacht geven aan de periode van de reformatie.
Het leek aanvankelijk, of de hervorming in de stad Groningen zonder beeldenstorm en bloedvergieten zou plaatsgrijpen. In september 1566 stelde het stadsbestuur de Broerkerk aan de hervormden ter beschikking, nadat eerder de hagepreken bij de Coendersborg te Helpman - in de onmiddellijke omgeving van de huidige pastorie in zuid - veel Groningers op de been hadden gebracht. Maar uit vrees voor koning Filips II en op last van de landvoogdes Margaretha van Parma werd dit besluit al in februari 1567 weer ongedaan gemaakt: de kerk moest worden ontruimd. En om verdere onrust te voorkomen besloot de Spaansgezinde stadhouder een garnizoen Duitse huursoldaten in de stad te leggen: de nieuwe religie mocht niet meer worden geduld.
Het duurde tot juli 1594 alvorens de stad als laatste bolwerk in het noorden in Spaanse handen zich overgaf aan prins Maurits en graaf Willem Lodewijk. Toen werd bepaald, „dat in Groningen ende Landen geen andere religie geexerceert soude worden dan de Gereformeerde religie, sulcx als die tegenwoordichlijck inde geünieerde Provinciën openbaarlijck geexerceerd wordt." Aan theologen als Menso Alting en Sibrandus Lubbertus werd verzocht hulp te bieden bij de inrichting van het kerkelijk leven. Hun inzichten bleken goed van pas te komen, o.a. bij de opstelling van een kerkorde.
Met de Afscheiding in het Groningerland begon een periode, die u mogelijk bekender zal voorkomen. Wat de stad betreft wijs ik u op twee belangrijke data.
De eerste datum betreft 27 november 1834, toen begaf Hendrik de Cock - op dat ogenblik in Groningen om zich voor de rechtbank te verantwoorden - zich naar de woning van Roelf Kema aan de Melkweg, waar ook ds. H.P. Scholte tegenwoordig was. In aanwezigheid van politie werd een zeer kleine Christelijke Afgescheiden Kerk geïnstitueerd met in totaal twaalf leden: vijf mannen en zeven vrouwen. Dezelfde avond werden een ouderling en een diaken bevestigd.
Overigens had het stadsbestuur reeds enkele dagen tevoren van de gouverneur van de provincie een missive ontvangen, waarin werd gewaarschuwd voor lieden met „een opgewonden verbeelding en verhit brein", die „openlijk ongehoorzaamheid aan wetten en gezag prediken", waarmee o.a. ds. De Cock werd bedoeld.
De Afgescheidenen waren echter niet uit op een verstoring van de rust en de goede orde. Men onttrok zich aan de Hervormde Kerk op grond van de betekenis die men aan Gods Woord hechtte en de daarmee verbonden belijdenis, met name art. 28 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: „totdat de Hervormde Kerk tot de waarheid moge terugkeren", zoals de eerste diaken van Groningen, O.L. Schildkamp, aan de Hervormde Kerk schreef.
De tweede datum betreft 26 november 1893, een jaar nadat de vereniging van Afgescheidenen en Dolerenden zijn beslag had gekregen, een datum die u in ons kerkelijk jaarboek terugvindt. Een aantal leden kon zich in de genoemde vereniging niet vinden en besloot te blijven wat men was: Christelijk Gereformeerd. Plaats van samenkomen werd een lokaal van mevrouw Moncourt aan de Coehoornsingel. Op genoemde datum, zondag 26 november, werd onder leiding van ds. J.W. Drayer een kerkeraad verkozen. In de notulen van december 1893 lezen we: „Verblijd over de daden des Heeren - met de bede dat de Heere ons klein getal moge zegenen en verme(er)deren en de Geest des ootmoeds en der liefde en der zamenbinding onder ons rijkkelijk openbaar worde - met een vast voornemen om onder smaad, hoon en laster, van alle kanten bij de Heere te blijven."
In die gezindheid en met dat geloof is de Christelijke Gereformeerde Kerk te Groningen begonnen. En nog is de kerk hier die overtuiging toegedaan. Bij alle veranderingen die zich sindsdien in het plaatselijk en breder kerkelijk leven voltrokken hebben, zullen ootmoed, liefde en samenbinding als vrucht van de Geest wezenlijk voor het leven van de kerk blijven, wil de kerk anno 1989 getuigend in deze wereld staan.
Vandaag begint u aan de synode in dit kerkgebouw: de derde synode in deze eeuw, waarvoor de kerk van Groningen roepende kerk is. Ook nu moge voor de synode het besef gelden, dat we als kerk enkel toekomst hebben, wanneer we bij de Here blijven.
In dat geloof zijn velen ons voorgegaan. Ik denk nu ook aan hen, die sinds de vorige synode niet meer onder ons zijn. Ik verzoek u door op te staan en door een moment van stilte in acht te nemen blijk te geven van uw verbondenheid in het geloof, de hoop en de liefde van zovelen, die met hun talenten zich voor onze kerken hebben ingezet. In het bijzonder herinner ik u aan de namen van ambtsdragers, die in onze kerken meer dan plaatselijke bekendheid genoten, te weten br. E. Evers (Baarn, † 29-4-1987, 87 jaar oud); br. G.E. van Nee (Zwolle, † 30-1-1988, 83 jaar oud); br. L. van Valen (Dordrecht, † 11-8-1988, 66 jaar oud); br. L. Bergsma (Vlaardingen † 16-11-1988, 68 jaar oud); br. G. den Hertog (Mijdrecht, † 9-2-1989, 71 jaar oud); br. Iz. J. van Gorsel (Oud-Vossemeer, † 14-3-1989, 68 jaar oud) en de predikanten, ds. S. van der Molen († 14-9-1986, 93 jaar oud); ds. W.J. Buys († 4-1-1987, 72 jaar oud); ds. I. de Bruyne († 25-3-1987, 74 jaar oud); ds. H. van Leeuwen († 4-5-1988, 81 jaar oud); ds. A.W. Drechsler († 14-3-1989, 58 jaar oud) en uit de kring van de hoogleraren, prof. dr. J.P. Versteeg († 19 april 1987, 48 jaar oud), op de bijzondere synode van Groningen 1988 reeds herdacht.
Allen hebben hun werk gedaan in het besef dat onze woorden en daden begrensd zijn, maar meer dan dat ook in het geloof, dat het Woord van de Here onze God standhoudt in eeuwigheid. Met dankbaarheid denken we terug aan alles wat ze door Gods genade voor onze kerken hebben mogen doen....
Morgen precies 375 jaar geleden, 23 augustus 1614, werd de Groninger universiteit opgericht. In het wapen van de academie vindt u een opengeslagen Bijbel met de volgende woorden: „Verbum domini lucerna pedibus nostris", „het Woord des Heren is een lamp voor onze voeten". Het zijn deze woorden, die vrijwel overeenkomen met wat ik u zojuist uit Psalm 119 heb voorgelezen.
Alleen het citeren van deze woorden biedt geen garantie, dat mensen inderdaad met het Woord op weg zijn. Dat heeft de geschiedenis wel bewezen. Daarbij wil ik niet alleen spreken van de theologie, maar ook van de plaats waar elke goede theologie volop ruimte en daarom weerklank vindt, nl. de kerk. Het is in die zin ook geen garantie voor de kerk anno 1989.
Het zijn vele vragen, die de kerk van binnenuit en van buitenaf bereiken. Vragen die direct en indirect ons kerkelijk leven raken. Vragen die de roeping tot eenheid betreffen. Vragen inzake de toekomst van de kerk en van de wereld waarin wij leven. Vragen vanwege de toenemende onkerkelijkheid en van de godloosheid van onze cultuur.
In deze situatie klinkt opnieuw: „Uw Woord is een lamp voor mijn voet". Deze woorden zetten ons voor de beslissende vraag, of we ons nog met het Woord op weg begeven. Deze woorden geven daar ook antwoord op.
Dat antwoord zullen we slechts verstaan, wanneer we ons de oud-oosterse wereld trachten voor te stellen met steden zonder enige straatverlichting, met nauwe en kromme straatjes, met open riolen en overal hopen vuilnis of wegen vol kuilen en scherpe stenen. Hoe moet een oosterling de weg vinden en zonder ongelukken de plaats van bestemming bereiken, als hij niet de beschikking heeft over een lampje, dat weliswaar niet te veel licht geeft, maar wel genoeg om de volgende stap te zetten?
Wanneer het Woord van God met een dergelijk lampje vergeleken wordt, zullen we ons als kerk realiseren, hoe onmisbaar het licht van het Woord blijft om ook in deze tijd temidden van zoveel duisternis inzake God en het leven in deze tijd niet te verdwalen, maar de weg te vinden en de goede kant te blijven kiezen. Het is een grote verantwoordelijkheid om onder leiding van de Geest als kerk die weg te gaan en ook als synode de weg te wijzen.
Hetzelfde beeld uit Psalm 119 moge ons als kerk ook hoeden voor overmoed. Wie denkt met een schijnwerper en niet met een lampje onderweg te zijn, wordt door dit Woord tot de werkelijkheid teruggeroepen. De Here verlost zijn kerk niet - althans nog niet - in één dag van alle vragen. En ook deze synode vindt plaats onder de spanning van wat ons al gegeven is en van wat ons nog verborgen is. We zijn nog onderweg. De belangrijkheid van deze synode zal mee afhangen van de wijze waarop vanuit het licht dat het Woord geeft gesproken en gehandeld wordt. Alleen dat licht heft de te nemen besluiten uit boven de betrekkelijkheid van menselijke beslissingen. Tegelijk mogen deze woorden ons als kerk bemoedigen. In vergelijking tot vele gesproken en geschreven woorden, die zich als waar aandienen, is alleen het Woord van God en de weg die God ons daarin wijst alle tijden door betrouwbaar gebleken. Het is immers het Woord, dat van de Here, de God van het verbond, uitgaat. Alles wat we ook op deze synode hebben te doen mag staan in het licht van wat Hij zegt en van wat Hij vraagt en geeft. Het is dat Woord dat ons ook nu uitnodigt om eraan te gehoorzamen en erop te vertrouwen.
Zo mogen we al luisterend, al zoekend en vindend, als kerk op weg gaan in het spoor van Hem, die zich als het Woord dat vleesgeworden is en als het Licht der wereld heeft bekendgemaakt, onze levende Here, Jezus Christus. Dat vertrouwen moge ook de zittingen van deze synode kenmerken.
Hem nu, die u voor struikelen kan behoeden en onberispelijk doen staan voor zijn heerlijkheid in grote vreugde, de enige God, onze Heiland, zij door Jezus Christus, onze Here, heerlijkheid, majesteit, kracht en macht voor alle eeuwigheid, en nu en in alle eeuwigheden!
Amen.
Broeders, ik wens u een goede en gezegende synode.

Groningen, 22-8-1989, ds. R.W.J. Soeters

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1989

De Wekker | 8 Pagina's

Openingswoord generale synode Groningen 1989

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1989

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken