Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Reformatorische exegese onder correctie? (De doop in Handelingen 19:1-6 V)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Reformatorische exegese onder correctie? (De doop in Handelingen 19:1-6 V)

8 minuten leestijd

Dogmatisch vooroordeel?
Tot nu toe zagen we hoe enkele reformatoren de vraag beoordeelden of de mannen in Efese, waarvan sprake is in Hand. 19:1-7 opnieuw werden gedoopt.
Zwingli meende dat de uitdrukking die voor dopen werd gebruikt kon worden opgevat in de zin van „leren, onderwijzen". Op deze manier ontkwam hij aan de noodzaak om aan te nemen dat de 12 mannen opnieuw werden gedoopt. Hij werd daarover stevig aangevallen door een leidsman van de doperse beweging, Balthasar Hubmaier. Op dit punt had Hubmaier gelijk. Dopen en onderwijzen hebben alles met elkaar te maken. Maar ze zijn niet hetzelfde.
Calvijn bestreed ook de dopers. Hij wilde tot geen prijs toegeven dat er in Efese werkelijk een geval van herdoop had plaats gevonden. Hij verklaarde de tekst op een wat gewrongen manier, door aan te nemen, dat „dopen" in dit geval een samenvattende term was voor wat er gebeurde na de oplegging der handen door Paulus: zij werden vervuld met de Heilige Geest en zij ontvingen de Pinkstertekenen van het spreken in tongen en het profeteren. Dat is dan voor Calvijn eigenlijk die doop geweest. Van een herdoop is dan geen sprake.
Martin Bucer ging uit van de tekst en verklaarde, dat de 12 mannen na onderwijs ontvangen te hebben van Paulus over het wezen van de christelijke doop „voor de tweede maal" gedoopt werden. Wat dit punt betreft was hij het meest onbevangen tegenover de tekst, ofschoon hij een van de meest principiële bestrijders van de dopers was. Ook hij ging uit van een essentiële gelijkwaardigheid van de doop van Johannes en die van de kerk, de christelijke doop. Maar hij had een duidelijke opvatting omtrent de voortgang van de openbaring. Niet méér dan Calvijn, die in dit opzicht zeker met hem op hetzelfde standpunt stond. Maar hij las wat er stond en hij legde de tekst op die manier uit zonder al te veel moeilijkheden er over te maken.

De eigenlijke kwestie
We dienen er op te letten dat de bedoeling van de tekst geen andere is, dan aan te geven dat Paulus op het moment van zijn ontmoeting met de twaalf mannen alles doet om deze kleine zelfstandige groep binnen de gemeente te brengen. Lucas wil dit laten zien. Hoe we ons precies het ontstaan van die groep hebben voor te stellen is niet met zekerheid te zeggen. Nieuwere commentaren wijzen er op dat discipelen van Johannes vanuit het overjordaanse, waar zij hun oorsprong vonden, naar het Noorden zijn getrokken en dat zij zich zelfstandig bleven opstellen als een groep die zich wist te handhaven op de rand van het joodse leven rond de synagoge. Of wij dit inderdaad zo mogen zien is de vraag. Lucas spreekt over „discipelen". Sinds een kerkvader dit opvatte als „discipelen van Johannes" is deze aanduiding gebruikelijk, maar het is de vraag of zij doel treft. Lucas hanteert vrijwel overal deze uitdrukking voor de volgelingen van de Heiland, later christenen genoemd. Er is geen afdoend argument om hen te beschouwen anders dan als gelovigen die zich van de synagoge hebben losgemaakt.
Paulus vraagt hun dan ook wat er met hen gebeurd is toen zij „tot geloof kwamen". Ook die uitdrukking wijst er op dat zij zich op de een of andere manier van de synagoge hebben losgemaakt. Maar zij leidden een eigen leven. Ze hadden een eigen traditie die in vele opzichten terugging op Johannes. Zijn het werkelijk discipelen van Johannes geweest, die door hemzelf nog in de Jordaan gedoopt zijn? Of zijn het mannen geweest die door een leerling van Johannes zijn gebracht op ander terrein? Men heeft de gedachte geopperd, dat dit laatste het geval was. En dat zij daarom gedoopt zijn met een doop, die weliswaar met Johannes in verband stond, maar die niet meer wettig was, omdat de tijd van de voorloper voorbij was. In dit geval zou het gaan om een onwettig bediende doop, zodat er van herdoop ook geen sprake kan zijn. Ze waren eenvoudig niet gedoopt (Grosheide).
Een van de nieuwere exegeten verklaart in deze lijn de hele geschiedenis tot een voorbeeld van vroeg-christelijk kerkrechtelijk optreden. Hier zou de kerk zich geconfronteerd hebben gezien met de vraag van de wettigheid van de doop die buiten haar eigen kring had plaats gevonden. Maar deze redenering gaat uit van een zeer late datering van de Handelingen, waarbij de mogelijkheid aanwezig is om problemen van de vroeg-christelijke kerk terug te projecteren in het Nieuwe Testament. Langs deze lijn willen we niet denken.

De eenheid van de gemeente
Het is echter opmerkelijk dat in de moderne exegese de vraag of er sprake was van een herdoop weinig belang meer heeft. Men leest wat er staat. Zij lieten zich dopen. Men voegt er dan aan toe, dat deze doophandeling heeft plaatsgevonden door Silas, de metgezel van Paulus. De laatste schreef immers dat Christus hem niet had gezonden om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen. Hij weet zich te herinneren dat hij alleen Crispus en Gaius heeft gedoopt en het gezin van Stephanas, gelovigen die in Corinthe bekend waren (1 Cor. 1:14vv.). Nadat Silas, of mogelijk Aquila (Hand. 19:26) de mannen had gedoopt, heeft Paulus hun de handen opgelegd en op deze wijze werd hun onder de tekenen van Pinksteren de Heilige Geest meegedeeld. Zo kwam er een eind aan het bestaan van een kleine groep die mogelijk sektarische trekken vertoonde en zo heeft Paulus hen in de christelijke kerk ingelijfd.
Ongetwijfeld is met deze uitleg een kern van de geschiedenis geraakt. Immers reeds eerder werd op gelijke wijze duidelijk dat de gelovigen uit de Samaritanen tot de kerk behoorden (Hand. 8:4-25), zoals we ook lezen van Cornelius in Cesarea (Hand. 11:1-18). Wat Petrus daar deed in opdracht van de Here zelf, deed Paulus hier in Efese. Deze uitleg strookt met het streven van Paulus, die zich immers dikwijls gekeerd heeft tegen afzonderlijke groepsvorming binnen de gemeente van Christus. De eenheid van de gemeente staat dan in de geschiedenis van Hand. 19 voorop. Tegen de achtergrond van die gedachte verdwijnt in zeker opzicht het belang van de vraag omtrent doop of herdoop. De geschiedenis keert zich tegen een mogelijke afsplitsing van de gemeente die immers naar heel het onderwijs van het Nieuwe Testament slechts als één kan worden gedacht.

De vastheid van de belofte van de Geest
Maar was de doop van Johannes dan niet een wettige doop, die voldoende grond bood voor een vast geloof in de belofte van het evangelie? Moeten we dan toch aannemen dat deze doop slechts van boete en berouw sprak en niet van vernieuwing en bekering? Wanneer we het laatste zouden aannemen, dan zouden we ook moeten zeggen dat de eerste discipelen opnieuw gedoopt hadden moeten worden. Zij waren immers als eersten gedoopt door Johannes.
Maar, zo mogen we niet vergeten, die eerste discipelen hadden op het Pinksterfeest ontvangen hetgeen Johannes beloofd had. En tot die rijkdom van het geloof waren deze twaalf mannen nog niet gekomen. We mogen niet doen alsof het geen Pinksteren is geweest. Dit laatste mag als een heilsfeit van de verhoogde Christus worden verkondigd. Hij geeft wat de doop belooft. Zonder Hem is alle sacrament leeg. In de plaats van de doop van Johannes is die van Christus gekomen, niet omdat de laatste een andere belofte zou bevatten, maar omdat dezelfde belofte op een rijkere manier tot uitdrukking wordt gebracht dan in Johannes' doop kon geschieden.

Het volle heil in de belofte van de doop
De tekst uit Hand. 19 wordt soms nog geciteerd om de noodzaak te bepleiten van een volle doop met de Geest, een tweede doop, die dan vaak door onderdompeling moet plaats vinden. We mogen echter niet vergeten, dat het volle heil van Christus ons in de doop wordt betekend en verzegeld. Daarbij is óók uitgesproken dat de Heilige Geest ons wil toeëigenen hetgeen wij in Christus ook in de heilige doop hebben. De belofte is daar. En we mogen niet doen alsof de Geest er nog niet was. Hij wil ons het volle heil schenken. Wie uit dit heil in Christus door Gods genade leerde leven, zal in de eenheid der gemeente mogen ervaren wat de rijkdom is van het werk van de Heilige Geest. En daarom is deze moeilijke geschiedenis uit Hand. 19 toch bijzonder onderwijzend voor ons. Wie op de beloften van het evangelie in het geloof zijn vaste grond vindt wordt geleid tot de volheid van de Geest van Pinksteren en dat binnen zijn eigen gemeente.

W. van 't S.

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juni 1993

De Wekker | 16 Pagina's

Reformatorische exegese onder correctie? (De doop in Handelingen 19:1-6 V)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juni 1993

De Wekker | 16 Pagina's

PDF Bekijken