Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De toekomstprediking in de brieven aan de Thessalonicenzen (IV)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De toekomstprediking in de brieven aan de Thessalonicenzen (IV)

7 minuten leestijd

2 Thess. 2
Misleid?

Het vorige artikel eindigde met de vereniging van de Here Jezus Christus met de zijnen bij zijn komst. Daar begint Paulus in vers 1 van 2 Thess. 2 mee.
2 Thess. 2:2-12 wordt dikwijls zo uitgelegd dat er bij de Thessalonicenzen sprake was van een verkeerde opvatting ten aanzien van de dag des Heren. Zij zouden denken dat de dag des Heren reeds is aangebroken.
Door die misvatting die op de een of andere manier van Paulus afkomstig zou zijn, zouden zij hun bezinning hebben verloren. Ze zouden misleid zijn en daardoor Paulus' onderwijs zijn vergeten dat voordat de dag des Heren aanbreekt eerst de afval en de mens der wetteloosheid moeten komen. Paulus zou daarom in dit gedeelte hen vermanen.
Gelet op de verzen 2 en 3a is het wel te begrijpen dat men meent dat Paulus bij de Thessalonicenzen dwaalleer bestrijdt. Velen zijn overtuigd dat Paulus zelf met sommige uitspraken in 1 Thess. de misvatting bij hen heeft opgeroepen. Naar mijn gedachte uit Paulus zich daarvoor te vaag in vers 2. Hij noemt mogelijkheden van misleiding, maar zegt niet concreet dat en waardoor zij misleid zijn. Als dat wel zo zou zijn, was 3a overbodig geweest. Dat vers onderstreept dat Paulus een algemene waarschuwing tegen misleiding geeft, zoals ook Jezus dat in zijn toekomstprediking doet (Matth. 24:4). Als de Thessalonicenzen op dit punt misleid zouden zijn, had die dwaalleer wel zeer spoedig na het schrijven van 1 Thess. postgevat. Dan is bovendien 2 Thess. 1 niet te begrijpen, waarin Paulus hun groeiend geloof roemt. Als ze ten aanzien van de komst des Heren van Paulus' onderwijs waren afgeweken, zou hij er ongetwijfeld meteen en vermanend over hebben geschreven.
Nu begint hij wel over de komst des Heren te schrijven, maar op een geheel andere manier. Hij spreekt over de heerlijkheid van de gelovigen bij de openbaring van de Here Jezus als een bemoediging in hun verdrukkingen. In hoofdstuk 2 gaat hij niet op een andere manier over de komst des Heren spreken en begint hij niet om hen te vermanen. In vers 1 doet Paulus hen een broederlijk verzoek met betrekking tot de komst des Heren en onze vereniging met Hem.

Bemoediging
In de verzen 13-17 die met 1-12 één geheel vormen benadrukt Paulus opnieuw de rijkdom van hun geloof dat uitloopt op de heerlijkheid van Christus. Maar voor het zover is, hebben zij vanwege hun verdrukkingen troost voor hun harten nodig. Voor die troost bidt Paulus tot de Here die hen door zijn genade eeuwige troost verleend heeft. Ook hier is het beter om het woord dat Paulus voor troost gebruikt met „bemoediging" te vertalen. In deze hoofdstukken is Paulus met bemoediging bezig.
Dat geldt ook voor 2:3-12. Paulus schrijft daar uitvoerig over de dag des Heren, maar doet dat niet om een reportage van de toekomst te geven, zodat we zouden kunnen aflezen wanneer de dag des Heren aanbreekt of op z'n minst zouden kunnen nagaan dat hij nog niet komt. Hij geeft geen volledige beschrijving van de toekomst des Heren en is ook niet in alle opzichten duidelijk. Dat blijkt wel uit de vele opvattingen die er zijn over o.a. de mens der wetteloosheid en over dat wat hem weerhoudt.
Paulus schrijft over de dag des Heren met het oog op de actuele situatie waarin de Thessalonicenzen verkeren. Dat blijkt met name ook hieruit dat Paulus hen voorhoudt dat het geheimenis der wetteloosheid reeds in werking is en dat zij die de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben verloren gaan. Daarentegen zullen zij die van de beginne tot zaligheid verkoren zijn delen in de heerlijkheid van Jezus Christus.
Diezelfde tegenstelling tussen eeuwige heerlijkheid voor de (verdrukte) gelovigen en het eeuwig verderf voor de ongelovigen kwamen we ook in hoofdstuk 1 tegen. Blijkbaar is Paulus nog steeds bezig met de bemoediging van de Thessalonicenzen.

De mens der wetteloosheid
In dit gedeelte bemoedigt Paulus de Thessalonicenzen ook door de mens der wetteloosheid de zoon des verderfs te noemen. Al heeft hij door de werking des satans een grote, verderfelijke macht (2 Thess. 2:9, 10), het staat bij voorbaat vast dat hij zelf ten verderve gaat. Want de Here Jezus zal hem met de adem van zijn mond volkomen uitschakelen (2 Thess. 2:8). Tevens zal hij alleen hen die een welgevallen in de ongerechtigheid hebben gehad kunnen verleiden, maar de gelovigen (in Thessalonica) zullen dank zij Gods verkiezende liefde de volle heerlijkheid verkrijgen. Nu al delen zij in die heerlijkheid. Toch hebben ze bemoediging nodig, want zij hebben met verdrukking te maken.
Voordat de dag des Heren aanbreekt, zal het nog erger worden. Want de afval zal komen en de mens der wetteloosheid. Die afval is niet een verre mogelijkheid, maar een dreiging in het heden, want het einde der tijden is op ons gekomen
Al komt de dag des Heren nog niet, hij is wel nabij. Daarom is de uiterste waakzaamheid geboden voor de afval die door de mens der wetteloosheid komen zal. Er bestaat veel verschil van mening over de vraag wie de mens der wetteloosheid zal zijn. Dikwijls dacht men aan iemand uit de tijd van Paulus, o.a. aan een Romeinse keizer zoals Nero of aan een jood zoals de hogepriester Ananias. Of men dacht aan iemand uil de wereldgeschiedenis, zoals Napoleon of Hitler of uit de kerkgeschiedenis, zoals de paus of Calvijn.
Bij de mens der wetteloosheid is het goed om te denken aan de zondeval. Die afval van God was wetteloosheid. In de mens der wetteloosheid zal de wetteloosheid (de vijandschap tegen God) haar hoogtepunt bereiken. Beter dan ons bezig te houden met de vraag wanneer dat zal geschieden en wie de mens der wetteloosheid zal zijn, is het te letten op het geheimenis der wetteloosheid dat reeds in werking is. Zoals de komst van de wetteloze naar de werking van satan is, zit zijn kracht ook achter de werking van het geheimenis der wetteloosheid.
De woorden die Paulus gebruikt geven echter ook reden om te denken dat hij wil zeggen dat God in zijn voorzienigheid het satanische kwaad toelaat om te werken in de wereld. De wetteloosheid heeft een plaats in Gods plan.

De Weerhouder
Ook het tijdstip waarop de mens der wetteloosheid zal worden geopenbaard heeft in Gods plan een plaats. Want het is God die hem weerhoudt. De mens der wetteloosheid zal worden geopenbaard als God ruimte voor hem maakt. Doorgaans worden er andere verklaringen gegeven van wat de wetteloze weerhoudt en wie de weerhouder is. Dikwijls wordt daarbij gedacht aan het Romeinse rijk en een van de keizers; aan de overheid in het algemeen of aan de christelijke staat. Anderen denken aan Gods wet of aan de prediking van het evangelie. Meestal wordt er dan geen onderscheid gemaakt tussen het opvallende „wát en wíe weerhoudt".

Dat wordt wel gedaan in de opvatting dat wat weerhoudt Christus' gemeente is en de Heilige Geest degene die weerhoudt. De gemeente zou dan bij haar opname verdwijnen en de Heilige Geest met haar. Tegen deze en de eerder genoemde verklaringen kan als bezwaar worden ingebracht dat het merkwaardig zou zijn als Paulus de gemeente, de (Romeinse) staat, de wet, de verkondiging van het Woord zo versluierd zou aanduiden en ze niet gewoon bij de naam zou noemen.
Datzelfde bezwaar lijkt te gelden voor de opvatting dat God zelf de wetteloze weerhoudt, omdat Hij het tijdstip van het einde bepaalt en het uitstel van het einde een plaats in zijn plan geeft. Ter verdediging van deze verklaring kan worden gezegd dat reeds in het O.T. over het uitstel van Gods komen wordt gesproken, o.a. in Hab. 2:3, en dat dat ook in de joodse apocalyptische literatuur gebeurt. Paulus sluit zich bij dat spreken aan. Hij geeft daarmee en in heel dit gedeelte aan dat, hoe de satan ook woedt en dé wetteloze weet in te schakelen zodat hij als God lijkt te zijn, de Here alles bestuurt.
Daarom hoeven de gelovigen in alle verdrukkingen niet bevreesd te zijn. Maar ze moeten zich ook niet laten misleiden.
Waakzaamheid wordt van hen gevraagd en volharding tot het einde. Dan zullen zij zalig worden. Zij zullen dan met onze Here Jezus Christus worden verenigd. Zij zullen altijd samen met Hem mogen leven. Dat is de toekomstprediking van Paulus in de brieven aan de Thessalonicenzen, waarmee hij hen bemoedigt.

D. Visser

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1995

De Wekker | 16 Pagina's

De toekomstprediking in de brieven aan de Thessalonicenzen (IV)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1995

De Wekker | 16 Pagina's

PDF Bekijken