Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Bijbelstudie over het boek Amos (VI)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Bijbelstudie over het boek Amos (VI)

Gods oproep om Hem te zoeken (Amos 5:1-13)

6 minuten leestijd

Klaaglied over Israël
In vers 1 en 2 zingt Amos een klaaglied over Israël. Het is een dodenzang. Een lied over een gestorvene dat bij z'n begrafenis gezongen werd. David had zo'n klaaglied gemaakt over Saul en Jonathan toen ze gesneuveld waren. Amos heeft zo'n dodenzang gedicht over Israël. Het 10-stammenrijk wordt in dit klaaglied voorgesteld als een jonkvrouw. Een adellijke jongedame, die onverwacht gestorven is. Gevallen is de jonkvrouw Israëls. Zij zal niet weer opstaan. Haar ontzielde lichaam ligt op de grond. Deze jonkvrouw is door geweld om het leven gekomen. Dat blijkt uit de aanduiding, dat ze nedergeworpen (S.V. verlaten) is. Ze ligt nedergeworpen op haar bodem en niemand richt haar op. Zo tekent Amos de ondergang van het 10-stammenrijk door de ballingschap. Maar dat klaaglied werd bepaald niet gunstig ontvangen. De Israëlieten zeiden: Hoe haalt die profeet het in zijn hoofd om een dodenzang te zingen? Israël is springlevend. Amos profeteerde in de tijd van Jerobeam II. Het was een weeldetijd. Financieel ging het goed en er was geen enkele oorlogsdreiging. Toch zingt Amos zijn klaaglied. Hij maakt Israël duidelijk dat het van de HERE komt. Hoort het woord, dat Ik over u aanhef huis Israëls. Uiteindelijk heeft God dat klaaglied gemaakt. Het oordeel van de ballingschap komt van Hem. In vers 3 licht Amos dat oordeel nog verder toe. De stad, die met duizend uittrekt, houdt er honderd over. De stad, die met honderd uittrekt, zal er tien overhouden. Elke stad en elk dorp moest manschappen voor het leger leveren. Maar er wordt een grote slachting aangericht. Slechts 10% keert behouden terug. 90% blijft op het slagveld achter. Amos gedenkt die gevallenen al bij voorbaat, omdat het oordeel zo dreigend is.

Zoekt de HERE
Tegen de achtergrond van het dreigende oordeel klinkt de oproep in vers 4: Zo zegt de HERE tot het huis Israëls: Zoekt Mij en leeft! Als jullie leven en toekomst willen hebben, moeten jullie Mij zoeken. Maar als je aan Mij voorbij gaat, weet dan dat de ondergang komt. De HERE zoeken? Dat doen ze toch? Met grote ijver onderhouden ze de offerdienst, zo hebben we in het vorige hoofdstuk gezien. Maar het is een offerdienst volgens eigen maatstaven. Eigenwillige godsdienst. Daarom zegt de HERE: Zoekt Mij en leeft! Maar zoekt Bethel niet en komt niet naar Gilgal en trekt niet naar Berseba. In Bethel stond de tempel met het beeld van een stierkalf. In Bethel was God aan Jakob verschenen in een droom. Gilgal was een bedevaartsoord met een heiligdom. Daar had Jozua het verbond vernieuwd, toen hij de Israëlieten besneden had na de doortocht door de Jordaan. Berseba lag in het zuiden van Juda. Blijkbaar was daar ook een heiligdom. In Berseba had Abraham vroeger een altaar voor de HERE gebouwd. In alle drie plaatsen hadden vroeger de heidenen de afgoden gediend. Het waren heilige plaatsen met oude rechten. God zegt: Als je Mij wilt zoeken moet je daar niet zijn. Want die plaatsen zijn besmet met heidense invloeden. Het gaat niet om godsdienstige vormen, maar om Mij. Zoekt Mij en zoekt Bethel en Gilgal en Berseba niet, want dat gaat ten onder. Gilgal wordt onherroepelijk weggevoerd en Bethel gaat teniet. In het Hebreeuws staat hier een woordspeling, die door de vertaling verloren is gegaan. Het Hebreeuwse woord voor wegvoering is „galah". Gilgal wordt galah. Bethel betekent huis Gods. Bethel wordt huis van de nietigheid. Zo probeert Amos hen te doordringen van de ernst van de situatie. Als ze niet veranderen en de HERE niet zoeken is het klaaglied terecht gezongen. Het oordeel, dat Amos heeft aangekondigd, wordt in vers 6 nog eens geschilderd met een vuur, dat door het huis van Jozef gaat en niet geblust kan worden.

De grote onwil
Vanuit de oproep „Zoekt Mij en leeft!" schetst Amos in de verzen 7 t/m 13 de grote onwil van Israël om op de weg van de HERE te gaan. Hij zegt in vers 7: O, zij die het recht in alsem verkeren en de gerechtigheid ter aarde nederwerpen. Alsem is een plant, die bitter smaakt en een onaangename geur heeft. Amos stelt het recht voor als iets dat zoet is als honing. Het moet plaats maken voor de bitterheid van het onrecht. De gerechtigheid wordt ter aarde neergeworpen. Die legt het loodje. De bitterheid van het onrecht wordt geschetst in vers 10 en 11. In de poort, waar de rechtszittingen plaats vinden, haten ze hen, die voor het recht opkomen. Ze verafschuwen wie een eerlijk getuigenis geeft. Er vinden omkoopschandalen plaats. De geringen worden vertrapt. Ze worden gedwongen om vrijwillige geschenken van koren te doen. In naam is het vrijwillig. Maar intussen is het wel afgeperst. Amos zegt in vers 11b: Jullie rijken zullen er geen plezier van hebben van de huizen en de wijngaarden waar je oneerlijk aan gekomen bent. Want je hebt die ongerechtigheid wel bedreven voor Gods ogen. Hij zegt in vers 8: God, die de sterrenbeelden van Pleiaden en Orion gemaakt heeft, heeft het wel gezien. Die God weet, zo zegt hij in vers 12, dat hun overtredingen vele zijn en hun zonden talrijk. Het onrecht is zo erg, zegt hij in vers 13, dat de verstandige in die tijd zal zwijgen, want het is een boze tijd. Het is niet zo, dat Amos dat zwijgen aanbeveelt. Amos bedoelt, dat veel Israëlieten redeneren: De omkooppraktijken zijn zo erg dat je geen schijn van kans hebt als je probeert je recht te halen. Als je een beetje zelfrespect hebt, laat je je niet voor gek zetten. Dan is het verstandiger om je mond te houden. Menselijkerwijs is die reactie goed te begrijpen. Toch beveelt Amos het niet aan. Het is een kenmerk van de boze tijd dat mensen concluderen „het helpt niet" en dus geen moeite meer doen voor het recht, dat God wil. Hoe nodig is het, dat de boodschap gehoorzaamd wordt: Zoekt de HERE en leeft!

Discussievragen:
1. Amos tekent in het klaaglied de ernst van het oordeel. Toch wil Israël er niet aan. Hoe komt dat? Hoe is dat bij ons?
2. De HERE zegt: Zoekt Mij en leeft! Herkent u die oproep in de ene Naam Jezus Christus, waardoor we moeten behouden worden?
3. De HERE wijst de vormendienst af in Bethel, Gilgal en Berseba. Zijn er in het kerkelijke leven ook van die bij uitstek religieuze dingen, die ons bij de HERE Zelf vandaan houden?
4. Amos spreekt van de bitterheid van het onrecht. Zien we die dingen ook in onze samenleving? En in de kerk?
5. Het zwijgen is goed te begrijpen. Toch noemt Amos het een kenmerk van de boze tijd. Is dat gevaar er nu ook, dat we te snel zwijgen, omdat het een boze tijd is? Zo ja, noem eens een aantal voorbeelden?

M.J. Oosting

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 september 1997

De Wekker | 16 Pagina's

Bijbelstudie over het boek Amos (VI)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 september 1997

De Wekker | 16 Pagina's

PDF Bekijken