Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Eva

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Eva

4 minuten leestijd

,,voorts noemde Adam de naam zijner vrouw Eva, omdat zij een moeder aller levenden is". Gen. 3:20

Wat Adam deed mag onze intense aandacht wel hebben. Er moest immers wel iets heel bijzonders aan de hand zijn, dat hij de naam van zijn vrouw veranderde. Niet Manninne, maar Eva zou zij in het vervolg heten.
We hoeven er geen ogenblik over na te denken als ons de namen gevraagd worden van de eerste mensen. Maar, als we de naam Eva horen, gaat er dan bij ons ook iets trillen van verrassing, van verwondering over Gods genade? Want door zijn vrouw deze naam te geven gaf Adam te kennen dat hij de belofte van de Heere begreep én geloofde.
Adam had zo'n hoge positie van God gekregen. Hoofd van het menselijk geslacht. Dit hield een geweldige roeping voor hem in. In de weg van gehoorzaamheid aan zijn Schepper zou hij het onverderfelijke leven kunnen verwerven. En dat niet alleen voor zichzelf, maar ook voor zijn kinderen.
Adam stond met God in een verbond. Zou hij God gehoorzaam blijven, dan zou hij het eeuwige leven ontvangen en dat leven mogen doorgeven aan zijn nageslacht. Zijn kinderen zouden dus leven door hem. Maar Adam gehoorzaamde niet. Hij viel. En in zijn val trok hij niet alleen zichzelf en zijn vrouw in de dood, ook al zijn nakomelingen.
Toen Adam en zijn vrouw door God ter verantwoording geroepen werden probeerden zij zich eerst nog te verontschuldigen. In hun verontschuldigingen bemerken we al de gevolgen van de zonde. Adam wentelde de schuld op zijn vrouw die God hem gegeven had. En zijn vrouw voelde zich door de slang bedrogen.
God velde rechtvaardig vonnis. In dat vonnis horen wij van vervloeking en dood, van pijn, moeite en verdriet. Maar we horen ook van leven. „En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u de kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen".
Adam hoorde God deze woorden spreken. Ze drongen tot hem door, tot diep in zijn hart.
We lezen ook wat hij daarop antwoordde: „Eva".
Ik stel me zo voor dat er na het spreken van God een stilte gevallen is. Ze waren ongehoorzaam geweest. En daar stond de doodstraf op. „Want ten dage als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven".
En toch... ze hoorden het goed, de dood zou niet het laatste woord hebben maar het leven. In Zijn toorn gedenkt God aan Zijn ontfermen.
En dan kijkt Adam zijn vrouw aan: Manninne, je zult voortaan Eva heten, moeder van alle levenden.
De moederbelofte beheerst nu haar bestaan. Uit haar zal het leven geboren worden dat over de dood en over de duivel zal triomferen.
Hoe schittert hier Gods genade in het leven van Adam. Door Gods Woord gaat hij een aantal zaken heel duidelijk verstaan. God schuift hem terzijde. Hij kan het leven niet meer verwerven. Hij heeft zichzelf en zijn zaad in de dood gestort. Hij is door de zonde ontluisterd tot een schepsel, dat alleen nog maar de dood kan voortbrengen. „Onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad".
Adam doorleeft dit. Ziende op zichzelf is er geen hoop en geen toekomst meer. 't Is genade als we dit ook met betrekking tot onszelf verstaan. Ook wij zijn in Adam gevallen. Ook wij kunnen slechts van genade leven.
Eva. Er is hoop, er is verwachting. Gegronde hoop en gegronde verwachting, adventsverwachting! Want God gaat Zelf aan het werk. In de lijn der geslachten zal uit Eva Christus geboren worden. Gods eigen Zoon. Hij zal het leven gaan verwerven en uitdelen.
De Heere Jezus is gekomen. In volmaakte gehoorzaamheid heeft Hij het leven verdiend. Om het door Zijn Geest uit te delen aan hen, die er achter zijn gekomen dat zij de dood in zich omdragen.
Bij de ingang op een van de kerkhoven op de Utrechtse Heuvelrug staat het Bijbelwoord te lezen: „Zalig zijn de doden die in de Heere sterven". Het is een geweldige oproep tot allen die er langs lopen om het leven bij de Heere te zoeken.
Het is ook een geloofsbelijdenis.
We horen er de echo van Adams woorden in.

Veenendaal, R. van Beek

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 november 1997

De Wekker | 16 Pagina's

Eva

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 november 1997

De Wekker | 16 Pagina's

PDF Bekijken