Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Roeping

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Roeping

7 minuten leestijd

In een van onze regionale kerkbladen maakte een kerkenraad melding van een brief waarin een predikant uit het buitenland hem had geschreven dat hij zich geroepen wist om in een van onze gemeenten in Nederland predikant te worden.

Ongetwijfeld praktisch om in een brief aan een of meer vacante gemeenten daarvan melding te maken. De desbetreffende kerkenraad kan er dan ernst mee maken, en wat naar het roepingsbesef van die predikant zou moeten gebeuren maakt een geredere kans metterdaad werkelijkheid te worden.... Het laat zich denken dat een kerkenraad aan het ontvangen van een dergelijk schrijven aandacht zal besteden! Er komen natuurlijk vragen op. Is de zaak van het beroepingswerk zo beklonken? Staat het de kerkenraad vrij op een dergelijk bericht zich daar meteen bij aan te sluiten en vervolgens aan de gemeente voor te stellen dat beroep ook uit te brengen? Of ligt het nog anders? De punten en komma's van de concrete situatie waarvan het kerkblad melding maakte ontgaan mij. Die zaak beoordelen op grond van enkele gelezen regels past ons niet. Er aanleiding in vinden in algemene zin een paar algemene vragen aan de orde stellen die rond het woord „roeping" boven komen, is misschien wel zinnig.

Het is God de Here die roept
In de kerk te mogen spreken van roeping is om diep van onder de indruk te zijn. Het is geweldig te weten dat de heilige God Zelf zich met het leven en werken van zijn knechten bemoeit om zo ook te waken over zijn gemeente! Het zo te zeggen maakt meteen duidelijk, dat ons spreken over roeping een oriëntatie betekent op de dingen van de Here, en op het welzijn van zijn kerk. Wanneer een predikant - of een andere ambtsdrager - zich afvraagt wat de roeping van God voor zijn leven zal zijn, dan moet dat met die oriëntatie kloppen! Het gevaar kan bestaan dat iemand zo met zijn eigen ik bezig is wanneer hij aan roeping denkt, dat het daar helemaal mis mee gaat. Er is zonder twijfel zoiets als roepingsbesef. Een gevoel door de Here geroepen te zijn. Jonge mensen die er mee bezig zijn in hun hart of de Here ook een speciale bedoeling met hen heeft in zijn kerk, zijn met iets prachtigs bezig. Hun gevoelens, hun geweten, hun gebed, alles van binnen wordt er door aangeraakt. Ze kunnen er vol van zijn. En toch is het zaak hierbij niet zweverig te worden. Het kan gebeuren dat iemand zich zo laat meeslepen door zijn eigen innerlijke overtuigd zijn door de Here geroepen te zijn tot een bijzonder ambt, - of tot een bijzondere taak in dat ambt - dat hij er niet tegen kan wanneer er kritische vragen bij gesteld worden. En met zulke vragen is niets mis. Anders zou het admissie-examen in Apeldoorn ten onrechte gehouden worden, wat naar ik meen net het geval is. Tussen haakjes: vergeet in uw gebeden dan verantwoordelijke werk niet, op 15 juni en volgende dagen!
Het is nog altijd waardevol zich te laten leiden door de nuchtere taal van Wilhelmus à Brakel in diens Redelijke godsdienst, wanneer hij over roeping schrijft. Brakel geeft alle ruimte aan wat de Here in het hart van een mens aan overtuiging legt, maar hij laat tegelijk zien dat iemand in de dienst van God ook zijn eigen ik meebrengt. En zo moet het ook. Iemand die zegt: „God roept mij, maar eigenlijk wil ik niet" moet niet menen daardoor een beter roepingsbesef te vertonen dan iemand die zegt: „en ik wil het zelf ook heel graag". Brakel legt er terecht nadruk op, dat men bij de roeping tot het ambt niet op een „buitengewone inspraak Gods" heeft te rekenen. Zaken als liefde tot Christus' kerk, bereidheid tot zelfverloochening en lust tot het werk noemt hij wel. En als het over een beroep naar een andere gemeente gaat is zijn oordeel even nuchter en geestelijk. Een beroep moet behandeld worden als een verzoek dat men, na zich met de Here beraden te hebben, mag aannemen of afslaan naardat men oordeelt het meest nuttig voor de kerk te zijn.
Inderdaad - de oriëntatie is op wat voor de kerk van belang is. Tussen de Here en degene die een antwoord moet geven op een beroep moet het dan ook vooral daarover gaan. Zo moeten de motieven van een mens worden getoetst.

De ordelijke weg
Achter de regelingen rond het beroepingswerk in de kerk zit de bedoeling dat daar geen onzuivere elementen een rol in zullen spelen. Dat in de kerkorde het initiatief bij de kerkenraad en de gemeente ligt waar een vacature vervuld moet worden, is een nogal principieel punt. Ook in onze geloofsbelijdenis is dat aan de orde, als in art. 31 van de NGB over de verkiezing van dienaren des Woords, ouderlingen en diakenen wordt gesproken.. Daar wordt gezegd, dat zij behoren verkozen te worden door wettige verkiezing van de kerk, met aanroeping van de naam Gods en goede orde. De belijdenis is erop bedacht, dat iemand zich niet zelf zal opwerpen tot een positie in de kerk. In de tijd van de Reformatie was dat bij de dopersen nogal aan de orde. Men beriep zich op een inwendige stem van God en kreeg dan altijd wel volgelingen. De kerkgeschiedenis heeft wel laten zien wat voor risico's deze soort voorgangers voor het leven van de kerk waren! Daarom zegt de belijdenis er heel nuchter bij, dat ieder schuldig is de tijd af te wachten dat hij van God beroepen wordt - namelijk in die ordelijke weg van verkiezing door de gemeente.
Wat een veilige weg hebben we gekregen in de kerk in het omgaan met het ambt. De veilige weg van de orde van de kerk, die de orde van de Geest van God is. Wanneer iemand een overtuiging ontvangt geroepen te zijn - ook geroepen te zijn om op een bepaalde plaats te dienen - dan moet hij daar maar niet zelfde weg voor banen. Hij mag zich wel in de weg begeven. Maar laat vervolgens duidelijk zijn dat het gaat om wat de Here wil, en wat in de kerk gebeurt.

Zekerheid en onzekerheid rond de roeping
Is het dan altijd duidelijk wat de goede weg is? Kan het niet zelfs voorkomen dat er verkeerde beslissingen genomen worden in het beroepingswerk? Ook verkeerde beslissingen in die zin dat iemand meende geroepen te zijn tot het ambt van predikant en later toch moet erkennen: Dit was niet de weg van God.
Prof. Hovius heeft jaren geleden al aan zijn studenten in Apeldoorn voorgehouden: Je bent pas zeker van je roeping als je een beroepsbrief ontvangen hebt. Dan is er pas het bewijs. Dat was nuchter, en het was waar. Vergissingen in het nemen van een beslissing op een beroep bestaan. Er is zelfs de mogelijkheid van het aanvragen van een tweede beroep wanneer een predikant heeft bedankt en naderhand tot de overtuiging komt dat hij het bewuste beroep toch had moeten aannemen. Er zijn ook situaties dat een predikant ergens gekomen is, en dat het helemaal vastloopt in de relatie tussen hem en de gemeente. Daar kunnen allerlei factoren een rol spelen, maar soms kan de conclusie terecht getrokken worden, dat het beter was geweest als die gemeente hem nooit had beroepen, en als hij dat beroep nooit had aangenomen.
In dit alles blijven we met vertrouwen zeggen, dat God zijn knechten zendt. Daar begon ik mee, en dat moeten we blijven zeggen. De Here sluit echter onze verantwoordelijkheid niet uit! Ik herinner aan de woorden van Brakel. Daarom te meer moet onze verantwoordelijkheid zijn plaats weten. Wij moeten als mensen maar binnen de perken van de ordelijke weg blijven. Die noopt tot voorzichtigheid. Als wij de Here een handje willen helpen, komen gemakkelijk onze eigen motieven op de voorgrond in plaats van het motief van wat goed is voor de kerk.
Het zal er altijd weer op aankomen zuiver om te gaan met tere zaken. Dat sluit nuchterheid niet uit. Geestelijk en nuchter is een belangrijk woordenpaar in de kerk! Ook in de vragen die wij aan onszelf en aan elkaar mogen stellen op dit punt. Als de zaken zuiver zijn zullen wij er in elk geval zeer op bedacht zijn dat we de Here niet voor de voeten zullen lopen.

J.W. Maris

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juni 1999

De Wekker | 16 Pagina's

Roeping

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juni 1999

De Wekker | 16 Pagina's

PDF Bekijken