Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Euthanasie als medisch-ethisch en christelijk-ethisch probleem (3)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Euthanasie als medisch-ethisch en christelijk-ethisch probleem (3)

Bespreking van het wetsvoorstel uit christelijk gezichtspunt

8 minuten leestijd

In dit artikel wil ik aangeven waarom vanuit christelijk medisch-ethisch gezichtspunt euthanasie en het nu voorliggende wetsvoorstel niet aanvaardbaar zijn. Tevens wil ik ingaan op het praktische antwoord dat christenen dienen te bieden op de vraag naar euthanasie.

Euthanasie en Gods Woord
De mens is geschapen naar het beeld van God (Gen. 1:26; 9: 6) Dat geeft aan dat de mens is geschapen in een persoonlijke relatie tot God en is geroepen op aarde Gods vertegenwoordiger te zijn (Gen. 2:15). Dit veronderstelt dat de mens is begiftigd met bepaalde capaciteiten zoals denkvermogen, moreel besef of taal. Als Schepper is God Eigenaar en Heer over de schepping, ook over de mens, die zich tegenover God moet verantwoorden. Dat de mens naar het beeld van God is geschapen als man en als vrouw, houdt in dat de mens een relationeel schepsel is. De mens is geen geïsoleerd individu maar is naar zijn aard juist een sociaal wezen. Zijn relaties vormen een onvervangbaar deel van zijn bestaan. In zijn bestaan is het lichamelijke ten volle opgenomen. De lichamelijke opstanding van de Here Jezus, garantie van onze lichamelijke opstanding, bewijst hoe serieus God het lichaam neemt.
De zin van het leven wordt dan ook niet bepaald door de functies of vermogens. De waarde en de waardigheid van de mens zijn gelegen in het feit dat hij door God geschapen is, om te leven in een relatie van liefde tot God, de medemens en de schepping.
Daarom verdient het leven van alle patiënten volledige bescherming, ongeacht diens lichamelijke conditie of vermogens, dus ongeacht ziekten, handicaps, psychische stoornissen of dementie. Voor christenen is de kwaliteit van leven geen criterium om te beslissen wiens leven waard is om geleefd te worden, maar een sociale verantwoordelijkheid tegenover degenen die lijden en zorg nodig hebben. Gods Woord zegt ons dat ziekte, lijden en dood door de zonde in het menselijke bestaan zijn gekomen. Ze vormen een inbreuk op Gods oorspronkelijke werk en op Zijn uiteindelijke bedoeling met de schepping. Uit het onderwijs en het voorbeeld van de Here Jezus hebben christenen sinds eeuwen een opdracht verstaan te zorgen voor armen, zieken, gehandicapten en sociaal uitgestotenen. In die opdracht kan opzettelijk doden geen plaats hebben. Die opdracht heeft wel beperkingen. Onze inspanningen heffen de zonde en dus de sterfelijkheid en kwetsbaarheid van het menselijke leven niet op. Ook de grenzen van de medische mogelijkheden moeten worden erkend. Eerbied voor de God van het leven houdt enerzijds in dat het leven van een mens niet opzettelijk mag worden beëindigd. (Ik spreek niet over noodweer en overheidsoptreden.) Het betekent anderzijds ook dat het onvermijdelijke sterven wordt aanvaard en dat de mens wordt verzorgd en begeleid zonder met onevenredige behandelingen te worden belast - het principe van de proportionaliteit.
Soms kan het lijden als gevolg van ziekte of handicap verbijsteren. Maar ook waar God voor ons de Onbegrijpelijke is, mag het geloof eraan vasthouden dat Hij een God is van liefde (zie ook Rom. 8:28, 35-39; 1 Kor. 10:13; 13:12). Die liefde wil gestalte krijgen in zorg en aandacht om al het mogelijke te doen om het lijden draaglijk te houden, aanvaardend dat soms daardoor het sterven wordt verhaast, zonder dat het opzettelijk wordt teweeggebracht - de regel van het dubbele effect.

De rol en de macht van de arts
Het wetsvoorstel behandelt euthanasie èn hulp bij zelfdoding. In onderstaande bespreking wordt, als euthanasie wordt genoemd, tevens hulp bij zelfdoding bedoeld.
Aanvaarding van euthanasie betekent dat de arts niet meer eenduidig staat aan de kant van het leven; hij wordt primair bestrijder van lijden. We zagen al dat het vooral aan het individu wordt overgelaten om vast te stellen of die ondraaglijk lijdt. En in het geval Brongersma heeft de rechtbank aanvaard dat ook lijden zonder medische achtergrond reden kan zijn om op een euthanasieverzoek in te gaan. De arts wordt zo gedrongen in de rol van oplosser van (alle?) lijden, desnoods door te (helpen) doden. Dit is een fundamentele verandering van de rol van de arts en maakt zijn positie ambivalent. De arts krijgt onverantwoord grote macht. Om die reden heeft in de VS een commissie van een groot aantal organisaties van zorgverleners (w.o. de belangrijkste artsenorganisatie) legalisering van euthanasie afgewezen als strijdig met de taak en beroepsethiek van de arts en van andere zorgverleners.
Met deze bevoegdheid krijgt de arts weer een soort religieuze macht. Zeggenschap over leven en dood werd vanouds alleen toegekend aan met goddelijk gezag beklede instanties (met name de overheid). Sterven en dood worden nu onderworpen aan de rationaliteit van het modern-medische handelen ("overmorgen om vijf uur zal bij u euthanasie worden toegepast"). Het behoeft nauwelijks betoog dat dit in strijd is met Gods Woord. Het strijdt ook met waarden die eeuwenlang het morele fundament hebben gevormd van de westerse cultuur.

Rechtszekerheid
Analyse van het voorstel in het licht van de inmiddels gegroeide praktijk van euthanasie, hulp bij zelfdoding en levensbeëindiging zonder verzoek leidt tot deze conclusies:
a) dat de overheid aan bepaalde burgers, in casu artsen, strafwettelijk het recht toekent het leven van andere burgers te beëindigen op grond van persoonlijk gekleurde inschattingen en oordelen over de leefbaarheid van iemands leven en waarbij adequate controle van dat handelen onmogelijk is.
b) dat een commissie van drie personen in een besloten vergadering, op basis van de gegevens die de 'dader' zelf verstrekt, moet oordelen over de aanvaardbaarheid van doden van een medeburger, waarbij zij aan niemand verantwoording verschuldigd zijn.
Dit is een inbreuk op de rechtsbescherming van het leven van alle burgers die onverenigbaar is met onze rechtsstaat.

Palliatieve zorg, geen euthanasie
Als de arts geen mogelijkheid van herstel meer ziet is zijn/haar taak nog niet afgelopen. Een patiënt moet nooit horen: "Ik kan niets meer voor u doen". Dat zou de patiënt wanhopig kunnen maken, en een verlangen naar euthanasie kunnen oproepen. De patiënt dient ook in medisch opzicht begeleid te worden tot het overlijden.
Terminale zorg omvat meer dan medische zorg, maar palliatieve (verlichtende, verzachtende) geneeskunde kan de patiënt in de laatste levensfase veel bieden. Pijn, angst en ongemak kunnen de kracht van een patiënt uitputten, en het onmogelijk maken aan iets anders te denken dan aan de eigen ellende. Door palliatieve zorg is veelal de terminale patiënt beter in staat aandacht te geven aan zijn relaties, te proberen daarin vrede in te vinden, in het bijzonder ook vrede met God. Goede terminale palliatieve zorg houdt in dat aandacht wordt gegeven aan psychische, sociale en geestelijke problemen, bijv. angsten, onrust wegens problemen met familieleden, zorg om familie, de behoefte in het reine te komen met bepaalde mensen of met de Here God, etc.
Bij een dergelijke zorg blijft slechts zeer zelden een verzoek om euthanasie bestaan.
Met alle waardering voor de extra inspanningen die de overheid levert ten behoeve van palliatieve zorg blijft het een probleem dat de overheid meent dat euthanasie het sluitstuk kan vormen van dergelijke zorg. Ik ben het daarmee niet eens - met zeer velen die in diverse landen in de terminale palliatieve zorg werkzaam zijn. Wanneer euthanasie bij voorbaat als optie bestaat, wordt doorleven, dus niet om euthanasie vragen, ook een keuze waarvoor de patiënt tenminste impliciet moet kiezen en zich misschien wel zich verantwoorden.
Bij afwijzing van euthanasie kan men niet alleen de dood, maar ook het sterven onder ogen zien, en kan men met lijden en sterven zo omgaan dat die niet worden gedomineerd door het medische beheersingsstreven. Als tegemoetkoming aan de behoeften van de stervende centraal staat kan deze het leven tot het einde léven. Zorg voor terminale patiënten stelt de samenleving voor de vraag of wij de mens zien als waardig en verzorgingswaardig ook wanneer het leven nog slechts het tegendeel lijkt van het heersende gezondheids- en gaafheidsideaal. Palliatieve zorg beantwoordt deze vraag ten principale positief, opzettelijke levensbeëindiging negatief.

Privé en publiek
In discussies over legalisering van euthanasie zeggen voorstanders als minister Borst, dat tegenstanders van euthanasie dit zelf niet hoeven te laten toepassen en dat het onterecht is dat hun bezwaren euthanasie voor anderen onmogelijk zouden maken. Deze redenering klopt niet. Ten eerste verandert legalisering van euthanasie de samenleving. De inburgering van euthanasie kan er in onze op gezondheid, activiteit en productiviteit gerichte samenleving toe leiden dat bepaalde groepen mensen zich gedrongen gaan voelen 'te kiezen' voor euthanasie. Deze druk op mensen is al waarneembaar Het gaat dus iedereen aan.
Ten tweede wordt euthanasie uitgevoerd door een arts. Zijn beroep is wettelijk geregeld en geprivilegieerd. De reikwijdte van de bevoegdheden van een arts zijn daarmee onvermijdelijk een publieke zaak die iedereen aangaat.

Uitsluiting?
Naarmate euthanasie tot de gewone' praktijk gaat behoren zal de positie van artsen en verpleegkundigen die hier niet aan willen meewerken, moeilijker worden. De druk om wel mee te werken zal groter worden en het vinden van een baan of vestigingsplaats zal waarschijnlijk moeilijker worden. Ook dit blijkt in de praktijk reeds het geval.

Euthanasieverklaring
Het wetsvoorstel verschaft een wettelijke basis voor een euthanasieverklaring. Wilsbekwame patiënten kunnen de wens vastleggen dat, wanneer zij wilsonbekwaam zijn geworden en in een bepaalde door hen onwenselijk geachte toestand komen, euthanasie op hen zal worden toegepast.
Een euthanasieverklaring kan de arts nimmer verplichten tot levensbeëindigend handelen. Toch kan de druk van de familie om bij dementie tot levensbeëindiging over te gaan er wel door versterkt worden. Het is te begrijpen dat vanuit de Nederlandse Vereniging van Verpleeghuisartsen bezwaar is aangetekend tegen deze wettelijke verankering van een euthanasieverklaring. Verder moet geconstateerd worden dat deze regeling van een euthanasieverklaring, evenals trouwens het toestaan van euthanasie bij kinderen, de grens tussen levensbeëindiging wel en niet op verzoek vervaagt.

H. Jochemsen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 november 2000

De Wekker | 16 Pagina's

Euthanasie als medisch-ethisch en christelijk-ethisch probleem (3)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 november 2000

De Wekker | 16 Pagina's

PDF Bekijken