Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Verbond Bijbels gefundeerd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verbond Bijbels gefundeerd

Van der Schuit over het genadeverbond (5)

9 minuten leestijd

Een gevaar dat in de theologie dreigt, is dat aan de ratio, aan ons redelijk denken, zodanige betekenis wordt toegekend, dat alles daardoor wordt bepaald en overheerst. Aangeduid als scholastiek, rationalisme of stelselmatig deducisme, steeds komt het erop neer dat ons denken beslissend is, zelfs voor ons geloven. Brengt deze denkwijze op zichzelf grote gevaren mee, een ernstige schaduwzijde ervan is ook, dat hierbij zo weinig naar de Schrift wordt geluisterd. Wie daarvoor ernstig waarschuwde, was prof. J.J. van der Schuit.

Als vervolg op wat wij eerder in De Wekker (op 13, 20, 21 februari en 5 maart 2004) schreven, geven wij er nu in enkele artikelen aandacht aan hoe wat Van der Schuit leerde over het genadeverbond, bijbels gefundeerd, confessioneel gestaafd en zo praktisch bevindelijk is.

Arminius uitvinder van de 'drieverbondenleer'?
De beschuldiging van Comrie, later door Kersten herhaald - om daarmee de juistheid van de zogenaamde tweeverbondenleer te ondersteunen en de zogenaamde drieverbondenleer in de hoek van het Remonstrantisme te plaatsen - dat Arminius de vader van de drieverbondenleer zou zijn geweest, is door Van der Schuit op stellige wijze bestreden.
In zijn rede Het Verbond der verlossing citeert hij van Comrie uit diens verklaring van de Heidelbergse Catechismus: "De eerste uitvinder, zover ik heb kunnen naspeuren, zelfs uit degenen die onderscheiden verbonden voorstellen, is Arminius geweest in zijn oratie, toen hij doctor werd. Schoon nu zijn dwalingen nog niet geopenbaard waren, zo schuilde echter onder dit onderscheid de gehele kracht van het venijn, dat de kerk naderhand beroerd heeft."(blz. 10)
Van der Schuit weerlegt deze beschuldiging door uitvoerig ter sprake te brengen wat Olevianus, een van de opstellers van de Heidelbergse Catechismus, reeds voor Arminius over het verbond had geleerd. Hij sluit zich aan bij een conclusie van H. Bavinck, dat het pactum salutis (verbond der verlossing) reeds voorkomt bij Olevianus, waarna verder wordt gesteld dat niet Arminius, maar Comrie zelf een nieuw geluid heeft ingedragen in de gereformeerde dogmatiek in ons land. Dat het verbond reeds eerder dan bij Arminius in de gereformeerde theologie een plaats had verkregen, zag Van der Schuit bevestigd in de voorrede op het Nieuwe Testament van de Statenvertaling, te beschouwen als een document van de Reformatie. Hier wordt gezegd: "Daardoor (nl. door het Latijnse woord testament, door het Griekse woord diatheke en het Hebreeuwse woord berith) wordt eigenlijk verstaan het verbond zelf dat God met de mensen heeft gemaakt, om hun onder zekere voorwaarden het eeuwige leven te geven, welk verbond tweeërlei is, het Oude en het Nieuwe.
Het oude is, hetwelk God gemaakt heeft met de eerste mens voor de val, waarin het eeuwige leven beloofd wordt, onder voorwaarden van een gans volkomen gehoorzaamheid en onderhouding der wet; en wordt daarom genaamd het verbond der Wet, hetwelk God de Israëlieten wederom voorgehouden heeft, opdat zij daaruit zouden leren verstaan (dewijl deze voorwaarde door alle mensen overtreden is en nu van geen mens volbracht kan worden) dat zij hun zaligheid moeten zoeken in een ander verbond, hetwelk het Nieuwe genaamd wordt en daarin bestaat, dat God Zijn Zoon tot een Middelaar verordend heeft en het eeuwige leven belooft onder voorwaarde "dat wij in Hem geloven" en wordt genaamd het Verbond der genade."
Van der Schuit onderstreept, dat hier gesproken wordt van een verbond met de eerste mens, met Adam dus als hoofd, maar niet van een verbond met de tweede mens, met Christus als hoofd, en dat in dit verband daartegenover uitdrukkelijk van Middelaar wordt gesproken. Onze gereformeerde vaderen tijdens de Dordtse Synode waren, zoals hier blijkt, niet bang om bij het genadeverbond van voorwaarden te spreken. Daarmee ziet Van der Schuit bevestigd, dat de gereformeerde theologie in de reformatorische en Dordtse periode niet van het verbond sprak als van een verbond met uitverkorenen, maar van een verbond dat God met mensen, zondaren, maakte en daarbij niets wist van Christus als het Hoofd van het genadeverbond, maar met nadruk steeds van Hem sprak als de Middelaar van het genadeverbond.

Romeinen 5
Voor de bijbelse fundering van de leer van het verbond is de exegese van Romeinen 5:12-21 van groot belang. In de synodale uitspraak van de Gereformeerde Gemeenten van 1931, wordt naast 1 Cor. 15:22 met name Rom. 5:12-19 genoemd, om aan te tonen dat de Heilige Schrift zou spreken van twee verbonden: Adam hoofd van het Verbond der Werken, Christus Hoofd van het Verbond der Genade.
Van der Schuit stelt er tegenover dat het in Rom. 5 niet gaat over twee verbonden, maar over twee menselijke geslachten. Tot het oude, waarvan Adam het hoofd is, behoren wij allen van nature. In en door hem moeten wij allen sterven. Het nieuwe is het geslacht waarvan Jezus Christus het Hoofd is, zoals Hij elders in het Nieuwe Testament als het Hoofd van zijn Kerk, Die Zijn lichaam is, wordt aangeduid. Als zodanig is Hij ook het Hoofd van de uitverkorenen, van allen die Hem door de Vader gegeven zijn. Romeinen 5 raakt de geestelijke lijn, die van de wedergeboorte en van het geloof. De lijn van het genadeverbond echter is breder, die raakt de geslachten, de oude mensheid, de verloren zondaar, het kind des toorns.
Wie in Rom. 5 verbondsleer zoekt, aldus Van der Schuit (idem, blz. 34), hij spreke van werkverbond en verbond der verlossing; oud geslacht en nieuw geslacht; in Adam verloren, in Christus verkoren. Hoofd van het werkverbond en Hoofd van het verbond der verlossing. Het gaat om allen, die krachtens het werkverbond de doemdood tegemoet gaan en om allen die krachtens het verbond der verlossing de zaligheid zullen deelachtig worden. Dit kan niet van het genadeverbond gezegd. Dit verbond is breder dan de lijn die in Rom. 5 wordt getrokken.

Genesis 17
Voor het antwoord op de vraag: Wie behoren tot het genadeverbond? speelt Genesis 17 een grote rol, het hoofdstuk van de oprichting van dit verbond. Van der Schuit wijst op Calvijn, die in zijn commentaar heeft gesteld, dat zij die menen dat alleen de uitverkorenen hier bedoeld worden en dat alle gelovigen zonder onderscheid hier worden omvat, het mis hebben. Ten aanzien van Calvijns uitleg concludeert Van der Schuit:
1. dat hij geen verbond der genade van eeuwigheid, alleen met uitverkorenen gesloten, kent;
2. dat hij Oud en Nieuw Verbond kent als een eenheid in Christus;
3. dat hij de belofte van het verbond "Ik ben Uw God en de God van uw zaad" niet slechts beperkt tot de uitverkorenen, het geestelijke zaad, maar het ziet als het natuurlijke zaad van Abraham;
4. dat Calvijn de naam "kinderen Gods" en "erfgenamen des eeuwigen levens" niet neemt in subjectief-geestelijke, maar in objectieve zin, krachtens verbondsrelatie;
5. dat Calvijn stelt dat aan het genadeverbond twee zijden zijn: een zijde, die naar God gekeerd is en alleen de uitverkorenen omvat, in Zijn raad voor ons verborgen, waarvan wij niet kunnen en mogen uitgaan bij de oprichting van het genadeverbond. En een zijde, die naar ons gekeerd is, die alle bondelingen omvat zonder onderscheid, aan wie God Zichzelf heeft willen wegschenken en die Calvijn daarom noemt "kinderen Gods en erfgenamen van het eeuwige leven".

Christus als Middelaar van het Verbond
Met name in Hebreeën wordt Jezus Christus uitdrukkelijk de Middelaar van het Verbond genoemd. "En nu heeft Hij zoveel uitnemender bediening gekregen, als Hij ook Middelaar van een beter verbond is, hetwelk in beide beloftenissen bevestigd is." (Hebr. 8:6) "En daarom is Hij de Middelaar van het Nieuwe Testament, opdat, de dood daartussen gekomen zijnde tot verzoening der overtredingen, die onder het eerste testament waren, degenen die geroepen zijn de belofte der eeuwige erfenis ontvangen zouden." (Hebr. 9:15)
Als de Heilige Schrift nu nooit de term "Hoofd van het genadeverbond" gebruikt, maar uitdrukkelijk spreekt van "Middelaar des Verbonds", aldus Van der Schuit, is het niet slechts raadzaam, maar geboden dat wij ons voor deze niet-schriftuurlijke terminologie wachten. Hier treedt het schone woord in al zijn herscheppende betekenis naar voren: "Daar is maar één Naam onder de hemel gegeven door dewelke wij moeten zalig worden" en "Waarom Hij ook volkomen kan zalig maken degenen die door Hem tot God gaan."

De Schrift over het verbreken van het verbond
Schriftplaatsen door Van der Schuit ter sprake gebracht zijn ook: Gen. 17:14 "hij heeft Mijn verbond verbroken"; en Deut. 31:20. Van het verbondsvolk zegt de Heere daar: "dan zal het zich wenden tot andere goden en hen dienen en zij zullen Mij tergen en Mijn verbond vernietigen".
In Jer. 22:8,9 staat de vraag: "Waarom heeft de Heere alzo gedaan aan de grote stad?" Het antwoord is: "Omdat zij het verbond van de Heere, hun God, hebben verlaten en zich voor andere goden hebben neergebogen en die gediend". In Ez. 17:19 verzekert de Heere aan wie naar de verbondsverhouding die Hij met hem aanging niet leeft en zich daarnaar niet gedraagt: "zo waarachtig als Ik leef zo Ik Mijn eed, die hij veracht heeft en Mijn verbond dat hij gebroken heeft, dat niet op zijn hoofd geve!"
Juist in het verbond der genade, als een daad van God niet buiten de mens (zoals in het verbond der verlossing) maar met de mens geldt: "Die Mij eren, zal Ik eren, maar die Mij versmaden, zullen licht geacht worden".
Dat is niet remonstrants, maar schriftuurlijk en daarom gereformeerd.

Aan het slot een citaat van Van der Schuit: "Zou men alleen beweren dat het wezen van het genadeverbond de uitverkorenen raakt, die niet alleen in de belofte, maar ook in vervulling wezenlijk deel krijgen aan de heiligdommen van dit verbond, wij zouden hier geen bezwaar hebben. Dat hebben vele oude dogmatici uit de bloeitijd van de Reformatorische periode steeds betoogd. Maar ons bezwaar geldt de oprichting van het genadeverbond en dan is het onschriftuurlijk en ongereformeerd dat het genadeverbond alleen met de uitverkorenen is opgericht."

J. Brons
(ds. J. Brons is emeritus-predikant van Urk)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 april 2004

De Wekker | 16 Pagina's

Verbond Bijbels gefundeerd

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 april 2004

De Wekker | 16 Pagina's

PDF Bekijken