Bekijk het origineel

Uit ons diaconale verleden (3)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uit ons diaconale verleden (3)

5 minuten leestijd

Halverwege de 20e eeuw hebben twee zaken grote invloed gehad op de ontwikkeling van het diaconaat. Dat is vanuit ons perspectief tamelijk recent en met de gevolgen ervan worden we nog dagelijks geconfronteerd. De ene zaak is een kerkelijke en betreft de positie van de diaken. De andere is een maatschappelijke, te weten de invoering van de Algemene Bijstandswet. Ik beperk me tot het eerste punt.

Er ontstaat in de loop van de 20e eeuw een visie, waarin het diaconaat wordt losgemaakt van het pastoraat, door te spreken van en te werken met een brede en een smalle kerkenraad. Daardoor is de diaken, nadat hij in 1837 in de afgescheiden kerken in de kerkenraad is verschenen, daaruit in de periode na 1892 weer verdwenen. De diaconie vergadert apart. Bij het verzorgen van de armen is het voor de hand liggend dat de diaconie dit afzonderlijk doet. Maar diaconaal beleid voor en van de gemeente vraagt tevens om contact met de kerkenraad. Aan de ontwikkeling hiervan geeft in 1951 prof. J. Hovius op de Landelijke Diaconale Conferentie een impuls door zijn lezing over De plaats van de diaken in de kerkeraad. Hij pleit daar voor de gelijkwaardige plaats van de diaken als ambtsdrager. In 1962 besluit de synode in de lijn van die gedachten tot de volgende gedragslijn.
a. dat elke classis volgens eigen regeling zorge dat minimaal drie diakenen aanwezig zijn op haar vergaderingen;
b. dat elke classis een diaken naar de particuliere synode en elke particuliere synode een diaken naar de generale synode zal afvaardigen;
c. dat de diakenen op de brede kerkelijke vergaderingen een stem hebben in alle zaken, behalve die van opzicht en tucht.

Afzonderlijk vergaderen?
In 1959 gaat het openingswoord van de voorzitter van de Landelijke Diakenen Conferentie over dit onderwerp. Hij zegt:
“Naar mijn overtuiging moeten we beginnen met de zgn, ‘brede’ en ‘smalle’ kerkeraadsvergaderingen danig onder de loupe te nemen en ze óf radicaal af te schaffen óf ze zo te reorganiseren, dat ze het doel niet voorbij schieten. Radicaal afschaffen lijkt mij (...) de meest juiste remedie. (...) Voer nu niet als ‘tegenargument’ aan dat (...) de diakenen toch verslag doen van hun arbeid. Dat is theorie broeders! Verslag doen is absoluut niet hetzelfde als samen bespreken. Wie dat meent is abuis. (...) De kerkelijke vergaderingen, te beginnen met de kerkeraadsvergaderingen, moeten zich veel meer met de diaconale zaken bemoeien en deze zien als een integrerend deel van het ambtelijk werk. Dit geldt ook voor de PS en de GS.”
Afzonderlijk vergaderen heeft mede als negatief gevolg dat in feite de diaconie is weggeorganiseerd uit het beleid van de kerkenraad. Dat heeft weer gevolgen voor de relatie van de kerkenraad met de diaconie. Beide kunnen gemakkelijk aparte circuits worden met eigen belangen. In 1965 schrijven deputaten ADMA in Ambtelijk Contact over de aandacht voor het diaconaat op de vergadering van de kerkenraad:
“Vanuit de foutieve gedachte, dat de diakenen een lager ambt bekleden dan de ouderlingen is er voor de diakonale arbeid te weinig aandacht op de kerkeraadsvergaderingen geweest. Uit reactie tegen deze onderwaardering hebben de diakenen soms hun zaken geheel aan zich getrokken en onder zich gehouden. Dat is uiteraard een scheefgegroeide situatie. Dan ontbreekt het bij de kerkenraad in zijn geheel aan verantwoordelijkheidsbesef voor de diakonale zaken en bij de diakenen aan de gewenste samenwerking met de andere ambtsdragers.”

Geen marginaal diaconaat!
Principieel en beleidsmatig is het juist dat het diaconaat een ruime plaats heeft op de kerkelijke vergaderingen. Maar dat komt er onvoldoende van. Langzamerhand ziet men ten eerste het diaconaat beperkt, nl. als uitsluitend het verlenen van financiële hulp. Voor deze hulp gaat de overheid steeds meer zorgen en hebben de diakenen steeds minder te doen. Ten tweede wordt het diaconaat verminderd tot de eigen gemeente. Bij stijging van de welvaart is er in die gemeente minder financiële nood, dus minder werk voor diakenen. Het gevolg is dat het aantal diakenen kleiner wordt. De ontwikkelingen in de samenleving en de beperkte visie op diaconaat versterken elkaar. In onze tijd is juist de aandacht voor diaconaat wereldwijd (dus ook buiten de gemeente) en het diaconaal gemeentezijn met gaven groeiende.
Dat is belangrijk want marginaal diaconaat leidt tot miskenning van het ambt van diaken. Dan is het diakenambt een soort voorbereiding of leerschool voor het ouderlingenambt. Zo kon vroeger iemand die ‘nog niet’ geschikt was voor ouderling al wel gekozen worden tot diaken. Men beschouwt het diakenambt dan als een soort ‘opstapje’ naar het ‘hogere’ ambt van ouderling. De commissie van de synode 1992 die het rapport van deputaten ADMA bespreekt maakt een onthullende opmerking hierover als ze in het kader van de overdracht van kennis van aftredende aan nieuwe diakenen opmerkt: “Door aftreden gaat veel kennis verloren, temeer daar een afgetreden diaken dikwijls niet meer als diaken maar als ouderling in de kerkeraad terugkeert. Het belang en het specifieke van het ambt van diaken wordt blijkbaar niet voldoende onderkend.”
De plaats van de diaken in het geheel van de gemeente en dus ook op de kerkelijke vergadering blijft aandacht vragen in wisselende tijden.

Veenendaal, H.H. van Well
(drs. H.H. van Well is diaconaal consulent van de CGK.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juli 2005

De Wekker | 16 Pagina's

Uit ons diaconale verleden (3)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juli 2005

De Wekker | 16 Pagina's

PDF Bekijken