Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

“Als ik mij in gedachtenis breng…”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

“Als ik mij in gedachtenis breng…”

5 minuten leestijd

Als ik mij in gedachtenis breng het ongeveinsd geloof dat in u is, hetwelk eerst gewoond heeft in uw grootmoeder Loïs en in uw moeder Eunice en ik ben verzekerd dat het ook in u woont (2 Timotheüs 1: 5)

"Ik had een grootmoeder die Loïs heette…", zo schrijft dr. H.F. Kohlbrugge in zijn 'De Taal Kanaäns', dat wel de beschrijving van zijn leven mag heten. Met tere woorden brengt hij zijn grootmoeder Anna Teerhuys-van der Horst in herinnering. Zij was een godvrezende vrouw aan wie hij veel te danken had. Zij gaf hem zijn eerste onderricht in de dingen van Gods Woord. Ze deed dat gewoonlijk aan de hand van de blauwwitte tegels die aan de wand van haar kamer waren aangebracht. "Dikwijls bracht zij mij bij een kribbe en legde mij uit, dat het kleine Kind, dat daarin lag, mijn Koning was. Vandaar bracht ze mij bij een kruis en zei: Daar hangt jouw Koning met jouw zonden! En als ze mij daarna een graf liet zien, waaruit die Koning te voorschijn kwam, dan had ik daar meer schik in dan in al mijn speelgoed…"

Wat een voorrecht om zo’n moeder of grootmoeder te hebben of gehad te hebben. Paulus brengt het zijn geestelijke zoon Timotheüs in herinnering. Zelf verblijft hij in een sombere kerker in Rome. De tijd van zijn ontbinding is aanstaande. Maar de zorgen over de gemeenten heeft hij meegenomen de gevangenis in. En nu schrijft hij aan zijn geestelijke zoon deze brief, de laatste van zijn hand die ons is overgeleverd. Hij doet het om Timotheüs aan te sporen het goede pand dat hem is toebetrouwd te bewaren en hem te wijzen op de genade van God die in Christus Jezus is. Het is in dat verband dat de apostel terugdenkt aan het godzalige voorgeslacht van Timotheüs, aan grootmoeder Loïs en aan moeder Eunice.

Ongeveinsd geloof
In die beide vrouwen woonde het ongeveinsde geloof. De apostel was er van overtuigd: het was een echt geloof. Het kon de toets doorstaan. Het was niet van beneden. Het was van Boven. Het was een door de Heilige Geest gewerkt geloof. Dat woonde in hen. Het had ‘een vaste woonstede in haar hart genomen’ [kanttek. SV]. Dat is niet te sterk gezegd. Dit geloof heeft hun leven in beslag genomen. Al het andere in hun leven was gekomen onder de beheersing van dat geloof.

Let er ondertussen op: Christus in Zijn komst kenden ze nog niet. Maar des te meer de verwachting van Hem. Het was met hen als met Simeon en Anna. Ze verwachtten de vertroosting van Israël. In dat geloof leefden ze bij de Schriften. De Heilige Geest was in hen.
Zo’n geloof heeft vruchten. Dat is in het leven van beiden gebleken. Ze konden het niet voor zichzelf houden. Hun harten en zo ook hun monden vloeiden er van over. De kleine Timotheüs hoorde er dagelijks van. Want, aldus de apostel Paulus, “gij hebt van kinds af de heilige Schriften geweten die u wijs kunnen maken tot zaligheid”. Ze onthielden het hun jongen niet. Calvijn schrijft dat de jonge Timotheüs als het ware de godsvrucht samen met de melk van zijn moeder heeft ingedronken. Dat is het klimaat waarin hij is opgevoed, door moeder en door grootmoeder. Ondanks het feit dat Timotheüs’ vader van deze dingen wellicht niets hebben moest. Het zij tot troost voor ouders die zich eenzaam weten in de godsdienstige opvoeding van hun kinderen, en in de gedurige aansporing van de kinderen om toch de Heere te zoeken…

En toen kwam op een dag Paulus in Lystre, de woonplaats van Timotheüs en de zijnen. Diens prediking is tot zegen geworden. De Heere ging hun verwachting vervullen en het behaagde Hem Christus in hun harten te openbaren. Ook bij de jonge Timotheüs. Enige tijd later werd hij zijn meest toegewijde medearbeider in de bediening, zijn broeder in de Heere. Het getuigenis over hem is zonder enig voorbehoud: “… en ik ben verzekerd dat het ook in u woont”. Hetzelfde ongeveinsd geloof – geschonken aan grootmoeder Loïs, aan moeder Eunice en ook aan jou, Timotheüs!

Geen erfgoed, maar toch…
Genade is geen erfgoed, zo zeggen we. Het zal waar zijn. En het ongeveinsd geloof is ook geen erfgoed. Terecht gezegd. Waar de Heere dit geloof als een genadegave in het hart werkt, daar doet Hij dat heel persoonlijk. Altijd weer als een wonder. Als ik getrokken word uit de duisternis van mijn verloren bestaan en overgebracht word in het Koninkrijk van Gods genade, dan is dat onbegrijpelijke ontferming. De zegen van een bekeerde vader of een vrome moeder legt daarbij geen enkel gewicht in de schaal.
Genade is geen erfgoed… Toch is daarmee niet alles gezegd. De praktijk laat meermalen zien dat het oprechte geloof van een ouder of grootouder het instrument mag zijn om het hart van een kind aan te raken. Zodat het naar de Heere vragen gaat. En Hem leert zoeken.
De vraag voor u en mij moet dan ook niet allereerst zijn: “Heb ik zo’n Loïs of Eunice?” Maar de vraag luidt: “Ben ik zo’n Loïs of Eunice?”

J.M.J. Kieviet
(Ds. J.M.J. Kieviet is predikant te Dordrecht- Centrum.)

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 november 2007

De Wekker | 16 Pagina's

“Als ik mij in gedachtenis breng…”

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 november 2007

De Wekker | 16 Pagina's

PDF Bekijken