Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ezechiëls profetie bij Gods vertrek uit de tempel (Ezechiël 11)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ezechiëls profetie bij Gods vertrek uit de tempel (Ezechiël 11)

Ezechiël 11: 1-25

6 minuten leestijd

Afscheid nemen is moeilijk. Zeker als je afscheid neemt voor lange tijd. Bij voorbeeld familie die gaat emigreren en die je misschien vele jaren niet meer zult zien. Zon afscheid maakt indruk en is emotioneel. Zo is het ook met de HERE. Het is ingrijpend dat Hij afscheid moet nemen van de tempel. In hoofdstuk 10 bleek hoeveel moeite het God kostte om te vertrekken. De HERE kon niet anders vanwege de afgoderij die er heerste. Maar Hij blijft aarzelen. Hoofdstuk 10: 19 vermeldt dat de vertrekkende troonwagen van God nog even stopt bij de Oostpoort van de tempel.

Bij die Oostpoort gebeurt iets bijzonders, zegt hoofdstuk 11. Ezechiël wordt door Gods Geest naar die poort gebracht en moet er profeteren. Hij zag in de verte Gods troonwagen stoppen. Voor hij beseft wat er aan de hand is, wordt hij erbij betrokken. Gods Geest tilt hem op en zet hem bij de Oostpoort neer. Hij ziet bij de ingang van die poort 25 mannen zitten. Ze zijn aan het vergaderen. De poort van de stad was de plaats voor rechtspraak en vergaderingen. In poortgewelven was het lekker koel als het warm was. Blijkbaar is ook de Oostpoort van de tempel zo’n vergaderplaats.

De zonde aangewezen
Bij de Oostpoort vergaderen de bestuurders van Jeruzalem. Een raad van oudsten die leiding geeft aan Gods volk. Bij die 25 zijn er minstens twee die Ezechiël persoonlijk kent. Jaäzanja, de zoon van Azzur en Pelatja de zoon van Benaja. Die namen worden verder in de Bijbel niet genoemd, maar voor Ezechiël zijn het dus geen onbekenden. De HERE zegt tegen Ezechiël dat het geen goede leiders zijn. Het zijn mannen die ongerechtigheid uitdenken en slechte raad geven. Ze zijn de hoofdschuldigen van de afval van God. Ze zijn geweldig hoogmoedig. Ze hebben als lijfspreuk: “Dit is de pot en wij zijn het vlees”. Met die pot bedoelen ze Jeruzalem en het vlees zijn ze zelf. Zoals het vlees in de pot niet te lijden heeft van het vuur, zo zijn zij veilig voor de legers van Babel. Zij zijn het goede vlees en de mensen die naar Babel gevoerd zijn, zijn het afval (de botten). Ze onderstrepen dat in vs. 3 met een opmerking over huizenbouw. Zowel uit de S.V. als de NBG-vert. is niet duidelijk wat er precies bedoeld wordt. Sommige Bijbeluitleggers vertalen het met: “zijn niet onlangs huizen gebouwd”. Mogelijk zijn er in Jeruzalem verwoeste huizen herbouwd. Zij zien dat dan als een onderstreping dat Jeruzalem niet verloren gaat en van hun standpunt: Dit is de pot en wij zijn het vlees. Ezechiël krijgt de opdracht om tegen hen te profeteren en de zonde aan te wijzen. Gods Geest valt op hem en zet hem aan tot spreken. God weet wat ze denken en wat ze zeggen. Hij weet hoe hoogmoedig ze zijn en hoe goed ze het met zichzelf getroffen hebben. Dan komt de aanklacht van God: “Jullie hebben in deze stad mensen gedood”. Het waren mensen die oprecht waren in de dienst van God. Mogelijk zijn ze als verraders aangemerkt omdat ze het profetische woord geloofden, dat Israël in ballingschap zou gaan. De HERE zegt in elk geval: “Jullie hebben in deze stad velen gedood en haar straten met doden gevuld. Die gestorvenen waren juist echte gelovigen. Zij waren het vlees in de pot.” Maar jullie zijn niet het vlees. Jullie zijn afval. God zal ervoor zorgen dat ze naar Babel gevoerd worden. In vs. 8 t/m 12 gaat het over het oordeel van de ballingschap. Het zwaard dat ze vrezen, zal de HERE over hen brengen. Ze zullen merken dat ze onterecht op die lijfspreuk vertrouwd hebben.

De uitwerking van de profetie
Als Ezechiël tegen die oudsten profeteert, sterft Pelatja, de zoon van Benaja. Hij zakt plotseling in elkaar en is op slag dood. Dat is een geweldige schok voor Ezechiël. Hier blijkt duidelijk het oordeel van God. In grote paniek valt hij op zijn knieën om te bidden. Hij schreeuwt het uit: “Ach HERE, wilt U een einde maken aan het overblijfsel van Israël?” Hij weet zich geen raad met het erge dat er gebeurt. Dan komt er van de HERE een antwoord vol genade. Die genadewoorden zijn gericht op de ballingen in Babel. Op de mensen die door de inwoners van Jeruzalem waren afgeschreven. Er komt een einde aan hun straf. God zal ze terugbrengen in zijn nabijheid in hun eigen land, zodat ze Hem weer voluit kunnen dienen en zullen breken met de afgoden. God belooft in vs. 19 dat Hij het hart van steen dat koud is voor de dienst van Hem zal wegnemen en hen een hart van vlees zal geven dat brandt van liefde voor de Here.

Het definitieve vertrek
Na die beloften voor de toekomst vertellen vs. 22 en 23 van het definitieve vertrek van de HERE. Na een oponthoud bij de Oostpoort verlaat Gods heerlijkheid de stad en de tempel en zet zich neer op de berg ten Oosten van Jeruzalem. Dat is de Olijfberg waar de Here Jezus vele eeuwen later het oordeel over Jeruzalem en de tweede tempel heeft uitgesproken waarbij er geen steen op de andere zou gelaten worden. Op de Olijfberg heeft de Here Jezus geworsteld om de lijdensbeker te aanvaarden. Het is de plaats vanwaar Hij is opgevaren naar de hemel om eer en heerlijkheid te ontvangen aan Gods rechterhand. Als Ezechiël dit gezien heeft zijn de visoenen ten einde die in hoofdstuk 8 zijn begonnen, waarin Hij verplaatst werd naar Jeruzalem. Hij wordt door Gods Geest weer teruggeplaatst naar Babel en hij kan aan de oudsten van Juda die in zijn huis zitten (zie hoofdstuk 8: 1) verslag doen van wat de Here hem heeft doen zien. Zo worden ze opgeroepen om zich te bekeren en Gods genade te zoeken.


Gespreksvragen
1. De oudsten van Israël zeggen hoogmoedig: “Dit (deze stad) is de pot en wij zijn het vlees”. Is dit een waarschuwing voor ons? Hoe dan? Wat kunnen wij hiervan leren?
2. In Jeruzalem leidde de hoogmoed tot uitwassen; in dit geval moord. Geldt dat gevaar ook voor de kerk dat hoogmoed tot uitwassen kan leiden?
3. Op Ezechiëls gebed in vs. 13 volgt een wonderlijke genadeboodschap. Welke verrassende elementen zitten er in deze boodschap van genade?
4. Is het vertrek van Gods heerlijkheid naar de Olijfberg het laatste? (Zie Ezechiël 43: 2-5). Hoe is dat met de Olijfberg in het Nieuwe Testament?

M.J. Oosting
(ds. M.J. Oosting is predikant te Biezelinge.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 oktober 2008

De Wekker | 16 Pagina's

Ezechiëls profetie bij Gods vertrek uit de tempel (Ezechiël 11)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 oktober 2008

De Wekker | 16 Pagina's

PDF Bekijken