Bekijk het origineel

Gezangenkwestie? (De liedkeuze in de eredienst 1)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Gezangenkwestie? (De liedkeuze in de eredienst 1)

6 minuten leestijd

Lang heeft in onze kerken zoiets bestaan als een ‘gezangenkwestie’. De kerkorde stond niet toe dat naast de berijming van de 150 Psalmen en enkele door de synode goedgekeurde schriftberijmingen ook andere liederen gezongen werden. Maar telkens weer kwam vanuit de kerken de vraag om een verruiming van deze regel.

In 1980 sprak de synode uit dat ‘de Heilige Schrift het zingen van liederen, die niet rechtstreeks berijmde Schriftgedeelten zijn, niet verbiedt’. Ondanks herhaalde verzoeken vanuit de kerken, leidde dat om verschillende redenen echter niet tot een besluit om ook daadwerkelijk over te gaan tot het zingen van dergelijke liederen. Pas sinds de generale synode van 2004 is er officieel ruimte gekomen om ook andere dan de in artikel 69 van de kerkorde genoemde liederen in de eredienst te zingen.
Dat wil niet zeggen dat het voor 2004 niet gebeurde. Maar dat betekende wel dat de gemeenten waarin dat gebeurde zich niet hielden aan art. 69 van de kerkorde. Dat gaf telkens weer spanningen in het kerkverband.

Gezangenkwestie voorbij?
In zekere zin zou je kunnen zeggen dat met het besluit van 2004 de ‘gezangenkwestie’ voorbij is. Maar de tijd heeft niet stilgestaan sinds 1980.
In 1938 was de bundel ‘Psalmen en Gezangen voor den eeredienst der Nederlandsche Hervormde Kerk’ (NHB1938) verschenen. In 1974 verscheen het ‘Liedboek voor de kerken’ (Liedboek) dat in een snel tempo de bundel van 1938 verving en dat ook in andere kerken werd ingevoerd.
De liederen van beide bundels speelden op de achtergrond een rol in de discussie over het al of niet zingen van gezangen in onze kerken. Met vaak (een selectie van) deze liederen in het achterhoofd, werd de discussie door menigeen gevoerd.
Wie de beide bundels vergelijkt, zal verschillen in taal ontdekken. Ook de benadering in theologisch opzicht is anders, maar in muzikaal opzicht is er grote overeenkomst. Er is geput uit de liederenschat van de kerk der eeuwen en de nieuwe liederen die in het Liedboek zijn opgenomen, vallen muzikaal gezien meestal ‘niet uit de toon’ in vergelijking met de oudere liederen. Bij de voorstanders van het zingen van gezangen was er in muzikaal opzicht dan ook een zekere mate van overeenstemming over de vraag welke liederen gezongen zouden moeten worden.

De laatste tientallen jaren is er op het gebied van de kerkmuziek echter heel wat gaande. Dat speelde ook een rol in 2004. Wanneer we het nu over gezangen hebben, moeten we daarbij tegelijk de vraag stellen: welke gezangen? De één denkt daarbij aan het liedgenre van het Liedboek of de NHB1938, een ander heeft de bundel van Johannes de Heer op het oog, weer anderen denken aan de bundel Tussentijds – een voorloper van het nieuwe Liedboek dat in voorbereiding is – en een groot deel van vooral jonge kerkgangers denkt m.n. aan de steeds maar groeiende Opwekkingsbundel of de Evangelische Liedbundel. In taal, theologie en muziek zit er tussen al die bundels nogal wat verschil.

Praktijk
De praktijk in de jaren voor 2004 was in onze kerken heel divers. Er waren gemeenten die zich hielden aan de kerkorde en dus geen gezangen zongen behalve de in art. 69 toegestane. Er waren gemeenten die al vele jaren vertrouwd waren met het Liedboek. Er waren ook gemeenten die het Liedboek hadden overgeslagen en zich al langere tijd waagden aan Opwekkingsliederen.
In 2004 zat het er niet meer in dat er op het terrein van het kerklied overeenstemming bereikt zou worden over de vraag welke liederen er in een eventuele nieuwe liedbundel zouden moeten komen. De gemeenten die al langere tijd gezangen zongen, zaten niet te wachten op een nieuwe bundel waarin misschien niet of weinig te vinden zou zijn van het liedgenre dat zij al zo lang zongen.
Kortom: de mondigheid van de plaatselijke gemeente maakte de vorming van een eigen landelijke liedbundel niet zinvol. Het zou geen garantie bieden dat de gemeenten het ook alleen bij deze bundel zouden houden.

De gezangenkwestie is zodoende eigenlijk nog niet opgelost. Het zingen van gezangen als zodanig is geen kwestie meer. Maar welke gezangen dat moeten zijn, daarover wordt heel verschillend gedacht.

Zoeken naar een begaanbare weg
Om in de ontstane situatie toch enige lijn aan te brengen en tegelijk de plaatselijke gemeenten de volle verantwoordelijkheid te geven die ze ook mogen hebben op dit terrein, besloot de synode een aantal criteria in de kerkorde op te nemen. Deze criteria geven aan waaraan een lied op zijn minst moet voldoen, wil het geschikt zijn om in de eredienst gezongen te kunnen worden. De volgende criteria worden genoemd:
1. de liederen moeten in overeenstemming zijn met de openbaring van Gods heil in het Oude en het Nieuwe Testament;
2. de liederen dienen in overeenstemming te zijn met schrift en belijdenis;
3. de liederen dienen liturgisch verantwoord te zijn;
4. de liederen moeten muzikaal en literair van goede kwaliteit zijn.

Het deputaatschap Eredienst kreeg de opdracht om zich verder te bezinnen op de nadere concretisering van deze criteria en zo aan kerkenraden een handreiking te bieden. De synode van 2007 oordeelde dat de nadere uitwerking die deputaten hadden gegeven, een bruikbare handreiking is bij het beoordelen van liederen op hun geschiktheid om in de eredienst gezongen te worden. Deputaten kregen de opdracht om de uitgewerkte criteria in de vorm van een handreiking aan de kerken toe te zenden. Bovendien werd de opdracht verstrekt om instructiemateriaal te leveren dat behulpzaam is om de criteria in de praktijk toe te passen. Op die manier moesten de kerkenraden geholpen worden in het beoordelen van liederen.

Zuiver Zingen
De brochure Zuiver Zingen die door deputaten aan de kerkenraden is gezonden, bevat de handreiking bij het toetsen van liederen voor de eredienst. Het instructiemateriaal waarmee inzichtelijk gemaakt moet worden hoe de criteria in de praktijk kunnen functioneren, is in deze handreiking verwerkt.
In de inleiding wijzen deputaten op het belang van een zorgvuldige keuze van liederen. In de zondagse eredienst gaat het om een ontmoeting tussen de heilige God en zijn gemeente. Dat maakt de kerkdienst tot een bijzondere gebeurtenis die verschilt van andere vergaderingen van mensen. Vorm en inhoud van de liturgie doen ertoe en zijn niet zomaar willekeurige bijkomstigheden. Ze hebben te maken met die bijzondere en unieke ontmoeting. Dat geldt ook voor vorm en inhoud van de liederen die in de eredienst gezongen worden. De gelovigen mogen mond en hart afstemmen op de ontmoeting met God. Daarom moet ook gezocht worden naar liederen die passen bij zo’n bijzondere ontmoeting.
Het is ook van belang dat het lied door heel de biddende, zingende en lofprijzende gemeente op de lippen genomen kan worden. Zo kan in ons zingen naast de gemeenschap met God ook de gemeenschap met elkaar tot uiting komen.

In de brochure Zuiver Zingen wordt ingegaan op al deze aspecten. In een volgend artikel zal de inhoud van deze brochure kort worden beschreven. Een derde artikel zal ingaan op de vraag hoe de handreiking in het kerkelijke leven gebruikt zou kunnen worden.

J. Groenleer
(Ds. J. Groenleer is predikant te Leiden en voorzitter van deputaten eredienst.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 november 2009

De Wekker | 16 Pagina's

Gezangenkwestie? (De liedkeuze in de eredienst 1)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 november 2009

De Wekker | 16 Pagina's

PDF Bekijken