Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

‘De kerkelijke tucht in een impasse’

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

‘De kerkelijke tucht in een impasse’

8 minuten leestijd

Vorige week vrijdag werd er aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Kampen een congres gehouden over homoseksualiteit. Onder de titel ‘samen op weg naar één christelijke stijl?’ dachten zo’n 200 bezoekers na over verschillende vragen rond homoseksualiteit waarvoor ‘orthodoxe’ kerken en christenen in de westerse wereld momenteel staan.

Ik kon zelf niet bij het congres aanwezig zijn en moet het daarom wat de uitkomsten betreft doen met wat de pers ervan bericht. Dat maakt het wat moeilijk om precies te peilen wat de toon is van de dingen die gezegd zijn en helemaal om conclusies over de eventuele uitkomsten te trekken. Het is dan ook niet mijn bedoeling om inhoudelijk dieper op het onderwerp homoseksualiteit in te gaan. Wel op een vraag die ermee te maken heeft, en die in de media naar aanleiding van het congres naar voren kwam, en dat is de vraag naar het functioneren van de kerkelijke tucht.

Terughoudendheid
Eén van de inleiders op het congres was de vrijgemaakt-gereformeerde ethicus prof. dr. A. De Bruijne. Hij riep de kerken op om terughoudend te zijn met tuchtmaatregelen rond homo’s die seksueel samenleven, omdat de tucht homo’s vaak juist níet helpt toe te groeien naar God en naar zijn doel. Hij wees er op dat tucht vaak hun moeite bevestigt en hun groei in Christus frustreert en dat je als kerk daarmee het risico loopt om de mogelijkheid te blokkeren om homo’s ethisch te begeleiden. Bovendien, zei hij, verkeert de kerkelijke tucht als zodanig in een impasse: anders dan vroeger loopt de tucht bijna nooit meer goed af en de zonden waarover tucht wordt geoefend zijn vaak nogal willekeurig. Daarom zou het goed zijn eerst het omgaan met tucht als zodanig opnieuw te doordenken, voordat we er al te gretig gebruik van maken specifiek bij dit onderwerp.

Ik moet zeggen, dat de woorden van De Bruijne wel herkenning oproepen. In ieder geval bij mijzelf. Maar ik denk dat het voor een groot deel van onze gemeenten geldt dat er verlegenheid bestaat rondom de tucht (even los van de voorzichtigheid die in het omgaan met tucht natuurlijk altijd geboden is). En ik denk dat die verlegenheid voor een deel inderdaad te maken heeft met de constatering dat de tucht eigenlijk bijna nooit ‘werkt’, in de zin van: doet waarvoor het bedoeld is, namelijk iemand van een verkeerde weg terugbrengen op de weg van Christus.

Vorige week nog had ik een gesprekje met een ouderling die (in een ander kader) precies deze aarzeling benoemde. En heel eerlijk, als ik mezelf de vraag stel: ‘ken ik iemand waarbij de tucht zó gewerkt heeft dat hij of zij zich daardoor weer naar God gekeerd heeft?’, ben ik bang dat het antwoord ‘nee’ moet zijn. Nu kun je bij het nadenken hierover snel naar de heersende cultuur wijzen en zeggen: ‘mensen laten zich in onze tijd nou eenmaal niet makkelijk iets gezeggen; ze wachten een tuchtprocedure niet meer af, maar houden ‘de eer aan zichzelf’ en vertrekken’ – om daarna je hoofd te schudden over ‘deze tijd’. Maar daarmee is de uitkomst niet anders; of de cultuur nou de boosdoener is of niet, het resultaat is hetzelfde: iemand is niet gewonnen voor Christus! Dat zou reden genoeg moeten zijn om wat langer stil te staan bij de vraag wat de tucht beoogt en wat die uitwerkt.

Het tweede dat De Bruijne noemt is ook herkenbaar, namelijk dat bij bepaalde zonden de vraag naar kerkelijke tucht vrij snel naar boven komt, terwijl er allerlei andere zonden onbestraft en onbesproken blijven. Wat te denken van de zonde van geldzucht en economisch onrecht bijvoorbeeld? De Bijbel zegt er veel meer over dan over de zonde van homoseksualiteit ... Hoe kan het dat we selectief zijn in het noemen van zonden die in aanmerking komen voor tucht? Ook deze vraag is serieus onder ogen te zien.

Opnieuw doordenken
De oproep van De Bruijne om de tucht opnieuw te doordenken lijkt me dan ook waardevol. Zonder hernieuwde bezinning is de kans groot dat de tucht stilzwijgend steeds verder van de gemeenten af komt te staan en uiteindelijk helemaal niet meer functioneert. Het probleem is echter dat de Bijbel wèl lijnen aanreikt voor een kerkelijk vermaan ... En die lijnen zijn veel te duidelijk om ze zomaar te kunnen negeren. Veel te heilzaam ook. Daarom doen we er als kerken goed aan om opnieuw vanuit de Bijbel te doordenken wat de bedoeling van de tucht is en waar de basis ligt voor een ambtelijke opdracht op dit vlak.

En dan zouden we er wel eens achter kunnen komen dat de oorzaak van onze verlegenheid met de tucht nog dieper ligt dan hierboven aangegeven. Want, waar gaat het bij tucht uiteindelijk om? Het woordje ‘tucht’ komt van het oud-Nederlandse woord ‘tijgen’: ‘trekken’, en geeft daarmee iets van de oorspronkelijke bedoeling weer: het gaat om een terugtrekken naar God, een (tot zijn of haar redding!) terugtrekken van iemand die van God aan het wegdwalen is. Zoals dat schaap uit de gelijkenis die door de Herder gezocht en teruggebracht werd omdat het anders om zou komen.

Dat zoeken en terugbrengen is echter niet alleen een taak van de (ambtelijke) herders. In zekere zin zijn wij in de gemeente van Christus allemaal elkaars ‘broeders hoeders’. Ook al staat dat haaks op onze cultuur waarin ieder zelf zijn keuzes wil maken en daar van anderen ‘respect’ voor verwacht. Ook in deze cultuur geldt dat we als broeders en zusters in Christus verantwoordelijkheid hebben ten opzichte van elkaar en dat we hebben toe te zien op elkaars leven met God, met het oog op elkaars standhouden in het geloof. We hebben elkaar op te scherpen, aan te moedigen, en ook te vermanen om terug te keren naar Gods weg wanneer die weg verlaten wordt (Kol. 3: 16, 2 Kor. 2: 5-7, 1 Thess. 5: 11-15, Hebr. 3:12,13). Uiteindelijk kan het zelfs zo ver komen dat iemand uit de gemeente verwijderd moet worden omdat hij volhardt in een zonde die niet in de gemeente van Christus geaccepteerd kan worden (1 Kor. 5: 1-13 o.a.), en daarin hebben de ambten een eigen verantwoordelijkheid, maar de basis van dit alles is een gemeente die onderling op elkaar toeziet!

Onderling vermaan
In de tijd van de Reformatie stond de gemeente in de Rooms-Katholieke Kerk helemaal buiten de tucht, onderlinge terechtwijzingen door de gemeente waren onbekend. Daartegenover stelde Calvijn terecht dat het fundament van de tucht de onderlinge vermaningen zijn (en dan vooral het ontvangen daarvan, Math. 18: 15- 17). Nu kwam er van die onderlinge vermaningen in Calvijns tijd al niet zoveel terecht, maar hoe is dat in onze gemeenten?
Ik ben bang dat er daar heel veel mis gaat, bij dat onderlinge toezicht en onderling vermaan. Als het al gebeurt, gebeurt het vaak hard en liefdeloos, maar in de meeste gevallen denk ik dat we het gewoon niet doen. We durven het niet, elkaar aanspreken en elkaar vermanen. Maar als die basis gemist wordt, kan de hele (ook ambtelijke) tucht niet werken! In de tucht (ook zoals die in onze kerkorde beschreven is) wordt de hele gemeente gemobiliseerd om rond een gemeentelid dat dreigt af te raken van Christus te staan en om met intens gebed en gesprek te proberen hem of haar terug te halen. Dat vraagt liefde en een zelf hartelijk met Christus leven. Wanneer de tucht niet functioneert zou dat wel eens heel wat kunnen zeggen over het geestelijk leven in de gemeente als geheel. En wanneer dat niet verandert zal een verdere doordenking van vragen rond de tucht weinig opleveren.

Als het gaat om tucht kan een gemeente niet afwachtend naar een kerkenraad kijken: hoe zal die reageren op die of die zonde? Het komt er op aan dat een gemeente zèlf zich wil laten gebruiken om ieder lid dicht bij Christus te houden. Dat gemeenteleden om elkaar heen staan, voor elkaar bidden, met elkaar spreken, elkaar ‘leren’ en ‘terechtwijzen’ en dat zij bereid zijn ook zelf terechtgewezen te worden.

Liefde
Tijdens het congres vroeg één van de inleiders: ‘hoe zou het voor homoseksuele gemeenteleden zijn dat wij nu zitten te vergaderen over hoe zij hun leven mogen inrichten?’ Eigenlijk zou het antwoord daarop moeten luiden: niet anders dan voor ieder ander gemeentelid. Voor ieder van ons geldt dat onze broeders en zusters iets over de inrichting van ons leven hebben te zeggen, omdat Christus daarover iets heeft te zeggen. Dat vraagt echter om een geestelijke manier van omgaan met elkaar, die niet overal gevonden wordt. Daarom bid ik boven alles dat de Heilige Geest ons in ons leven als gemeenten dichter bij Christus zal brengen, dan alleen zullen de liefde en bewogenheid groeien die de basis vormen onder de tucht.

Miranda Renkema
Mevr. M. Renkema-Hoffman is theologe en lid van de redactie
.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 3 February 2012

De Wekker | 20 Pagina's

‘De kerkelijke tucht in een impasse’

Bekijk de hele uitgave van Friday 3 February 2012

De Wekker | 20 Pagina's

PDF Bekijken