Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Belijden ter zaligheid (IV)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Belijden ter zaligheid (IV)

6 minuten leestijd

„Hij zeide tot ben: Maar gij. wie zegt gij, dat Ik ben? En Simon Petrus antwoordende zeide; Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. Mattheus 16 : 15 en 16

Om Christus te belijden ter zaligheid, is meer noodig, dan een oppervlakkige kennis en beschouwing van de waarheid des Evangelies. Met de belijdenis, dat Jezus een uitnemend voorbeeld, is geweest in liefde, in verdraagzaamheid, in gehoorzaamheid, enz., gaat de mensch voor eeuwig verloren. Die den Zoon niet eert, eert ook den Vader niet. In verband hiermee vraagt onzen Heidelberger zoo juist: «Gelooven dan die ook aan den eenigen Zaligmaker Jezus, die hunne zaligheid en welvaart bij de heiligen, bij zich zelven of ergens elders zoeken ?»
En het antwoord op deze zoo belangrijke vraag zegt: «Neen zij; maar zij verloochenen metterdaad den eenigen Heiland en Zaligmaker Jezus, of zij schoon zijns met den mond roemen; want van tweeën een, òf Jezus moet geen volkomen Zaligmaker zijn, òf die dezen Zaligmaker met waar geloof aannemen, moeten alles in Hem hebben, dat tot hunne zaligheid van noode is.» Dit doet ons denken aan hetgeen de Roomsche kerk antwoordt op de vraag van Christus: «maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben?» Do leer dier kerk zegt duidelijk, dat Christus gerechtigheid alleen ongenoegzaam is tot zaligheid. Daarom wordt, volgers haar, ook gerechtigheid in den mensch zelf vereischt en moet Christus nog dagelijks door den mispriester geofferd worden. Geheel den dienst en de voorbidding der heiligen, het is in het wezen der zaak niets anders dan verloochening van Christus,
En toch is het getal zoo groot dergenen, die in en met dit geloof in do zekere verwachting leven, dat zij de eeuwige zaligheid zullen beërven. Ook dit is te verklaren, hoe diep bet overigens ook moet betreurd worden. Die mensch en weten en kennen niet anders. Hun wordt niet anders geleerd. Verreweg de meeste hunner gelooven onvoorwaardelijk wat verblinde en dweepzieke priesters hen voorhouden. Ze dragen een kruis op hun lichaam, ze knielen voor een kruis van hout en steen, maar de leer des kruises, gelijk de Apostel Paulus die predikte, verwerpen zij. Zij zijn in vele opzichten gelijk aan de menschen, die, hij Jezus intocht in Jeruzalem, Hem uitwendige hulde bewezen en overluid hunne Hosanna’s aanhieven, maar over wien Jezus bitterlijk weende, omdat ze in Hem als in den Christus Gods niet geloofden. Te zeggen, dat men Christus belijdt, is niet genoeg. De vraag is: belijdt gij Christus ter zaligheid? Met andere woorden: belijdt en gelooft gij Hem als uw volstrekt eenige en volkomene Zaligmaker? Kent en gevoelt gij behoefte als zoodanig aan Hem? Toont ge met woord en daad, dat die Christus voor u is de parel van groote waarde, — de schat in den akker, — het leven van uw leven?
Zal toch ons antwoord waar, gegrond, ter zaligheid leidend zijn op de vraag: »Wie zegt gij, dat Ik ben ?» dan is noodig, dat wij weten wie wij en wat wij door de zonde in Adam, ons verbondshoofd, geworden zijn, alsmede wie en wat Christus is en zijn wil voor een arm, dood en doemschuldig zondaar.
Er zijn menschen, die Christus nog wel willen erkennen en belijden op één of andere voorwaarde ; ’t moet hun echter geen smaad en ook geen geld kosten, Zij moeten er niets om moeten lijden en door niemand er minder om geacht worden. Er zijn belijders, die gelijk zijn aan een weerhaan en hun belijden afhankelijk maken van de omgeving en van de omstandigheden, waarin zij verkeeren. Toch moeten wij niet vergeten, dat de Heere altijd en overal ziet en opmerkt wie en wat wij vóór en tegenover Hem zijn. Vindt het eenig ware, oprechte, Gode welgeyallig belijden van Christus zoo weinig navolging en zooveel bestrijding, te ernstiger wordt daardoor de vraag I aan mij en aan U, wat wij en hoe wij Christus belijden. Zie die discipelen, die Galilesche mannen, daar om Jezus staan. Hoe gering in zichzelven, hoe gering ook in het oog van de wijzen en aanzienlijken onder de volken. Wat zullen zij vermogen tegen zoo groote menigte van Farizeën en Schriftgeleerden! Vraagde men niet honend en spottend in die dagen, of wel iemand der Oversten in Jezus had geloofd? En zouden dan die jongeren des Heeren eenmaal als zijne getuigen optreden in de wereld, zouden zij standvastig zijn in hun geloof, in de ure der verzoeking, — zouden zij met moed en kracht van overtuiging verkondigers zijn van het eeuwig Evangelie, — getrouw tot in den dood, — dan moest ook het antwoord op de vraag, door Jezus gedaan, niet dubbelzinnig, niet twijfelachtig, niet halfslachtig, niet in algemeene beschouwing gegrond zijn ; maar het moest eene positieve, zeer besliste, van oprecht geloof blijk gevende belijdenis zijn, gegrond in de eeuwige liefde Gods, door den H. Geest in hunne harten gewerkt. Alle plant, door den hemelschen Vader niet geplant, wordt uitgeroeid. Ook het zaad in de steenachtige aarde gezaaid, hoe welig ook aanvankelijk opgeschoten, verdort. Als verdrukking en vervolging komt, om des Woords wil, worden velen geërgerd en wijken af. Wij moeten Christus aanmerken in de volheid zijner openbaring. In zijne menschheid en in zijne godheid, — in zijne vernedering en zijne verhooging, — in profetie en vervulling, in één woord, in ’t geheel eenige licht der Heilige Schrift. En als dan zoo velen zich van Christus afkeeren, zoovelen zich aan Hem ergeren en zoo weinigen de schande en den smaad van zijn kruis willen dragen, — dan roept nog diezelfde Eenig-geboren Zoon van God ook ons toe: «maar gij, wie zegt gij, dat Ik beu?» Simon Petrus was met bet antwoord op die vraag gereed. Zoo ook wij, indien we slechts Hem en ons zelven recht mogen kennen. Immers, wat smaad er aan verbonden mag zijn, hoe laag en verachttelijk menschen ook over ons denken en spreken, — hoe zwak en klein en wankelend zelfs ons geloof kan zijn, maar dan heeft toch Christus voor ons eene onschatbare waarde. Dan verstaan wij, hoe de Apostel Paulus zeggen kan, dat hij niets begeerde te weten, dan Jezus Christus en dien gekruist! Dan zeggen wij amen op de belijdenis van Simon Petrus: «Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.» Mijn Verlosser! Mijn eenige Redder en Heere! Dan blijft Jezus de magneet, waar «we ziel heentrekt. Dan zal ook in leven en in sterven ons oog en vertrouwen zijn op Hem, en … wie in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 oktober 1890

Het Wekkertje | 4 Pagina's

Belijden ter zaligheid (IV)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 oktober 1890

Het Wekkertje | 4 Pagina's

PDF Bekijken