Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De liefelijkheid der woningen van den Heere der Heirscharen (IV)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De liefelijkheid der woningen van den Heere der Heirscharen (IV)

6 minuten leestijd

Psalm 84:2.

De liefelijkheid van de woningen des Heeren is eene geheel eenige. Hierover kan onder Gods kinderen geen verschil bestaan. Dit is een hoofdartikel uit onze christelijke belijdenis, waar omtrent allen, die van Christus zijn, het eens zijn. Wie daarmede niet instemt, bewijst, dat zijn hart niet recht is voor God. Dan moet er wat anders zijn, dat meer aantrekt en bekoort. Wat iemand niet kent, daar kan hij niet over oordeelen. Dit is de oorzaak waarom zoo velen met woord en daad toonen, dat de dienst van God hun niet behaagt, Zij kennen God niet: Zij kennen zich zelven en Christus niet. En ofschoon zij arm, blind en naakt zijn, en in den waan verkeeren aan niets gebrek te hebben, ontbreekt het de zoodanigen aan alles. In dien staat van jammer en ellende geboren, leeft ieder mensch voort, tot het de Heere behaagt Zich zijner te ontfermen.
De wereldling zoekt zijn vermaak in allerlei ijdelheid. De farizeër vermaakt zich met zijn ingebeelde schatten van eigengerechtigheid. De een is te jong, om zoo ernstig te leven, — de ander is te druk, om altijd met godsdienst zich bezig te houden,— een derde is oud en daardoor verstompt en verstaald, aan marmer gelijk geworden.
Men stelt den dag des doods verre. En boort men nog een enkele maal de klok der genade luiden, dan doet het Woord geen nut, omdat het niet gepaard gaat met geloof. Toch kan dit alles den geloovige niet doen wankelen in zijne belijdenis, dat de dienst van den Heere der Heirscharen een zalige liefdedienst is, die nooit verdriet. Vreugde der wereld leidt tot bittere teleurstelling en smart. Blijdschap in God daarentegen sterkt het hart, verkwikt het leven, verheldert de toekomst, stemt tot aanbidding en verheerlijking van Hem, die den Hemel en de aarde gemaakt heelt.
De koninklijke zanger, die den dienst zijns Gods zoo roemt en prijst, bewijst daarmede zijne kennis van God en goddelijke dingen. Wat iemand niet kent, hoe zal hij daarin roemen of anderen dit kunnen aanprijzen? En voor eigen hart en leven, én voor anderen, én in gemeenschap met elkander, in ieder opzicht is en blijft de dienst van God aller aanneming waardig.
Eerst dan hebt gij, waarde lezer! de beste, de eenig goede keus gedaan, als gij met Jozua door Gods genade zeggen kunt:
»lk en mijn huis, wij zullen den Heere dienen”.
Wel dient de geloovige zijn God niet om loon, maar toch is het loon van den dienst van God ook niet af te denken. Een loon, niet naar verdienste, maar uit genade, is ook loon.
En dat genadeloon heeft de Heere beloofd aan allen, die Hem in waarheid vreezen en liefhebben, En wie beschrijft de zaligheid van hetgeen te genieten is in den dienst en in de gemeenschap van den gelukzaligen God? De theorie kan beschreven worden, maar het gevoel en de praktijk van de zaak is grootendeels voor geene beschrijving vatbaar. Al wat daarvan kan gezegd worden, staat tot de werkelijkheid In verhouding als de schaduw tot het licht.
Als uwe naar gerechtigheid hongerende en dorstende ziel gespijsd en gelaafd wordt uit de beken van Gods wellusten, — als de Heere uwe arme en naakte ziel met de kleederen des heils versiert, — als uw Heere en Heiland uw door druk en kommer nedergebogen hart vriendelijk troost en bemoedigt, —- als ge in Gods heiligdom ingeleid, van uit de woestijn moogt blikken in het beloofde Immanuels land, — als Jezus, als met eigen hand, uwe tranen droogt en door Zijnen H, Geest verzekert, dat uwe zonden door zijn bloed zijn uitgewischt, — zoudt ge dan niet instemmen met den psalmdichter en zeggen: „hoe liefelijk zijn uwe woningen, O Heere! der Heirscharen ?”
Maar nog meer. - De liefde is in haar aard mededeelzaam, Ouders, die hunne kinderen liefhebben, gunnen dezen zoo gaarne eenig genot. En op geestelijk gebied leeft niet een wedergeboren mensch alleen voor zich zelf. Hebt ge kennis van uwe ellende, hebt ge deel aan de verlossing, die in Christus Jezus is, — hoe zoudt ge dan onverschillig kunnen zijn omtrent net lot van uwe naasten. Ook uwe bloedverwanten, uwe bekenden, alle menschen om u heen, reizen met U naar de allesbeslissende eeuwigheid. Nu weet ge, dat het geloof uit het gehoor en het gehoor door het woord Gods is. Wat de wereld dwaasheid acht, heeft God gegeven als een middel tot zaligheid voor allen, die gelooven. En zonden dan de genademiddelen, zou dan de dienst van God U niet liefelijk zijn, ook in betrekking tot anderen? Daarenboven: hoe liefelijk en zoet is het, als broeders van ’t zeilde huis samenwonen! Als in vereeniging des waren geloofs harten en zielen samensmelten in lof en aanbidding. Door één bloed gekocht, door één Geest geleid, met één en dezelfde hoop der heerlijkheid vervuld; — bij verscheidenheid van gaven denzelfden Geest.
Bij verscheidenheid van weg en leiding, één doel, één oogmerk, ééne belijdenis,namelijk: „door genade ben ik, dat ik ben.” Geen wonder, dat het zwervend kind van God in vreemde en eenzame oorden naar Gods altaren verlangde. Geen wonder, dat de duizenden pelgrims naar het hemelsch vaderland al de eeuwen door dezen parel der psalmen zoo bemind hebben. En geen wonder, dat nog heden ten dage in zoo menig bedehuis, de liefelijke toonen weergalmen van het opwekkend en Godverheerlijkend lied:
„Hoe liefelijk, — hoe vol heilgenot, o, Heer der legerscharen God! Zijn mij Uw huis en tempelzangen!”
Zoo menigmaal als ge alzoo in ’t geloof moogt jubelen, beklimt ge den berg der heerlijkheid. En verheven boven al de schaduwen van dit ondermaansche leven, rust ge aan de borst van uw Heiland en zult ge met Petrus op Tabor kunnen zeggen : „Heere, het is goed, dat we hier zijn!” Want het is goed, de liefelijkheden des Heeren te aanschouwen en te onderzoeken in zijnen tempel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juni 1891

Het Wekkertje | 4 Pagina's

De liefelijkheid der woningen van den Heere der Heirscharen (IV)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juni 1891

Het Wekkertje | 4 Pagina's

PDF Bekijken