Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Eenige vragen over de voorgenomen Vereeniging der beide Kerken

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Eenige vragen over de voorgenomen Vereeniging der beide Kerken

6 minuten leestijd

Door de Synode te Leeuwarden is als voorwaarde tot vereeniging gesteld, dat »wat de verhouding betreft tot de Ned. Herv. kerk, wederzijds worde uitgesproken, dat verbreking van de kerkelijke gemeenschap met de besturen van de Ned, Herv. kerk niet alleen, maar ook Met de leden in corporatieven en plaatselijken zin. door Gods Woord en Ger. belijdenis geboden en dus noodzakelijk is.”
Is daaraan door de Ned. Ger. kerk (doleerende) »oprecht en zonder zinsbehoud’’ voldaan?—
Dezelfde Synode verklaarde, dan alleen tot vereeniging te kunnen overgaan, als »over en weer ver-klaard werd niet combineering maar samensmelting tot eene Geref. Kerk in Nederland te bedoelen.” Op onderscheidene plaatsen zijn Chr. Geref. leden, die in kerkelijke behandeling waren, op wie de eerste trap van censuur was toegepast, dadelijk door de Doleerenden als tot bet Avondmaal gerechtigden toegelaten, soms zelfs tot leden van den kerkeraad gekozen.
Moeten de Christ. Gereformeerden bij ineensmelting hunne uitgeoefende tucht ongedaan verklaren?—
Is het Ned. Herv. genootschap eene valsche kerk en de Christ. Geref, eene ware? Zijn in de Ned. Geref. kerken zonder meer allen, die zich aanmeldden, als leden erkend, ook als tot het Avondmaal gerechtigd, indien ze slechts in de valsche kerk belijdenis deden ? Is niet die toelating zóó te werk gegaan, dat niet zelden gevonden worden, die wel de Formulieren van Eenigheid onderteekenden, doch ze zelfs niet eens kunnen noemen, veel minder met den inhoud bekend zijn? Zullen dan de Christ. Gereformeerden zonder meer met deze kunnen samensmelten tot ééne Geref. Kerk?
Mogen de Chr. Geref. kerkeraden zonder voorafgaand onderzoek in hunne kerken laten optreden die leeraren, die hunne bediening des Woords gronden op hunne aanstelling in het Ned. Herv. genootschap en zonder meer doleerende predikanten geworden zijn ?
Indien al tot vereeniging besloten wordt, zal niet aanstonds in de plaatselijke kerken twisting en scheuring ontstaan over leer- en levenstucht, ook in de meerdere vergaderingen, wanneer over tucht wordt gehandeld, vooral wanneer personen, die in de Christ. Geref. kerkeraden kerkelijk behandeld zijn, daarin zitting verkregen ?
In het oog der Doleerenden was het Reglement van 1869 een struikelblok: evenzeer in de oogen der Christ. Gereformeerden de »Kerkelijke Kas.” Het Reglement is uit de wereld. Is het nu te eischen, dat vereeniging plaats vindt, terwijl alleen van de Kerkelijke Kas verklaard wordt, dat men die ook niet volkomen acht, maar toch haar behoudt en geene enkele poging zelfs heeft gewaagd, om, evenals de Christ. Gereformeerden deden, vastheid voor de goederen te verkrijgen op grond der Dordtsche Kerkorde ?
Gaat de vergelijking van de voorgenomen vereeniging met een huwelijk niet mank, is dan een huwelijk gewenscht met eene, die onder bergen van schuld gebogen ligt?
Huwen van een gefortuneerde met eene zonder geld kan er bij ware liefde door. Dat liefde dingt, om waar die geldnood buiten eigen schuld ontstond, dien te verlichten, of waar oprecht is beleden en betreurd wat dien nood deed ontstaan, is begrijpelijk; waar die geldnood echter het gevolg is van onnoodige processen, van overmatig rijk bouwen van kerken, van het toekennen van traktementen (soms zelfs boven hetgeen een predikant op dezelfde plaats in »het genootschap” ontving), door zonder kosten te berekenen, onderscheidene inrichtingen te stichten, mag daar niet eerst worden geeischt vooraf opruiming dier schulden, om met gelijk, bezit aan te vangen?
Vele gaven zijn bij leven of bij testament geschonken voor de Afgescheidene, de Christ. Geref. Kerk en hare School. Is het recht voor God daarin mede te laten deelen door hen, die niet tot genoemde Kerk zijn overgegaan, of ze over te brengen tot eene andere inrichting?
Er zijn verscheidene bezwaren genoemd en verschillende vragen gedaan, in ’t bijzonder over het stellen der Theol. faculteit aan de Vrije Universiteit onder kerkelijk opzicht. Er is geantwoord, dat die Kaken later, als eenmaal de vereeniging heeft plaats gehad, geregeld zullen worden, dat alle deze zaken aan de wijsheid van Deputaten kunnen worden overgelaten, enz. enz.
In maatschappelijke overeenkomsten en verbindtenissen zou men nooit met zoodanige verklaring tevreden zijn, maar eischen, dat alles vooraf bepaald ware, en bij beide partijen goedkeuring gevonden had; mag nu zoo roekeloos gehandeld worden bij zooveel hoogere belangen, bij die onzer kerk?
Wordt de Vrije Universiteit onder bestuur der Synode gesteld wat de Theol. faculteit aangaat, en wordt diezelfde Synode bestuurder der Theol. School te Kampen, zal dan niet als van zelf opheffing der Kamper School volgen? En mogen onze Christ. Geref. broederen den weg opgaan, die tot vernietiging leidt harer School, waarvoor zooveel is opgeofferd, zooveel is geleden en gestreden?
Men heeft de bede des Heeren »Geef dat deze één zijn!” toegepast op de bedoelde vereeniging. Ziet deze op uit- of op inwendige eenheid? Doelt zij op de uitwendige belijders of op de eenheid van hen, die den Heere van den Vader gegeven zijn, en aan wie de Heere Christus zijne heerlijkheid gegeven heeft ? Of zijn misschien allen voor wedergeborenen te houden ?
Ware het niet veel wenschelijker met raad en daad elkander zoo veel mogelijk te dienen, in broederlijke liefde elkander ter zijde te staan, een iegelijk naar roeping en overtuiging te arbeiden, dan eene ineensmelting te zoeken, waartoe veel moet worden gepleisterd, waarbij veel loven en bieden noodig zal zijn?
Waar het voor de hand ligt, dat meerdere leden, misschien ook enkele gemeenten, niet zullen medegaan en alzoo de vereeniging eene scheiding tusschen Christ. Gereformeerden te weeg brengen zal, mag dan zulk een besluit worden genomen?
De Synode te Leeuwarden sprak alleen uit, »bereid te zijn om in weerwil van onmiskenbaar verschil te pogen om tot vereeniging te komen.” Is de kerk dan ook maar eenigszins gebonden en is terugkeeren niet beter dan geheel dolen?
Is het niet noodig, dat de Christ. Geref. Synode van allen, die Christ. Gereformeerd willen blijven en geene leden begeeren te zijn van de »Vereenigde Geref. Kerken,” protesten tegen de »Vereeniging” ontvange en onze gelijkgezinde broederen vergaderen tot gemeenschappelijk overleg omtrent den te volgen weg ?
Wij moeten deze vragen doen om vrij te blijven in ons geweten, uit liefde voor de kerke Gods en de broederen. Ook onze doleerende B. B. en Z. Z. zullen het mij ten goede houden, dat ik nogmaals openlijk verklaar, wat mij lang op het harte lag, en zwaar drukken blijft.
Moge de betrekking der christelijke liefde, welke ik steeds voor hen gevoel er geene schade aan hunne zijde door lijden, en nog eenmaal door hen worden erkend, dat moet worden hersteld, wat niet recht was gedaan, omdat aansluiting aan de Chr. Geref. Kerk eisch was.

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 mei 1892

Het Wekkertje | 6 Pagina's

Eenige vragen over de voorgenomen Vereeniging der beide Kerken

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 mei 1892

Het Wekkertje | 6 Pagina's

PDF Bekijken