Bekijk het origineel

Zinloze verkiezingen voor raden en staten?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Zinloze verkiezingen voor raden en staten?

20 minuten leestijd

Dominantie van de landspolitiek als storende faktor?

door drs. J. Mulder

Verkiezingen voor Raden en Staten zinloos?

De gemeenteraadsverkiezingen worden meer en meer beheerst door de landspolitiek. Iedereen heeft kunnen constateren, dat de afgelopen raadsverkiezingen in maart (1986, JM) in feite middels in het bijzonder de T.V. door de landspolitiek werden beheerst. Het resultaat was er ook naar. De landelijke trend van dat moment weerspiegelde zich in het overgrote deel van de uitslagen. De landelijke politici hadden het er ook naar gemaakt. 'Graadmeter voor de kamerverkiezingen enige maanden later', zo heette het, als het ware een excuus van hen om zich intensief met deze verkiezingen te bemoeien. Hun eigen lot werd er door bepaald. Wie goede raadsverkiezingen maakt, doet het bij de kamerverkiezingen meestal ook goed of nog beter. Maar ook zonder de direkte nabijheid van kamerverkiezingen is deze trend meer en meer te onderkennen. Gemeenteraadsverkiezingen worden gebruikt voor de landspolitiek. Kijk daarnaast naar de Provinciale Statenverkiezingen. Ook daar ziet men eenzelfde verschijnsel', '' aldus mr. P. Scholten. Sommige mensen maken zich bezorgd over het funktioneren van de parlementaire democratie. Deze bezorgdheid wordt ingegeven door de in hun ogen starre instituties, die de snelle veranderingen in de samenleving aan zich voorbij laten gaan. Vroeg of laat zal deze opstelling tot problemen leiden. Men verwijst dan naar de jaren zestig van deze eeuw. Bovendien wil men voorkomen dat deze aanhoudende khtiek op de starre instituties een voedingsbodem zal kweken voor anti-parlementahsme. De verontrusten willen blijven streven naar een voortdurende toetsing van het democratisch gehalte en van de bestuurlijke doelmatigheid van ons parlementair stelsel vanuit een positieve grondhouding tegenover vertegenwoordigend bestuur. Dat geldt in hun ogen o.a. ook bij provincies en gemeenten, waar de provinciale en gemeentelijke belangen sterk vertegenwoordigd moeten zijn. Naar de mening van de verontrusten wordt de fictie overeind gehouden dat het bij verkiezingen voor gemeenteraden en Provinciale Staten gaat om de samenstelling van genoemde raden en Staten.

Deze bezorgdheid omtrent het vertegenwoordigend stelsel was reden voor de Thorbecke-Vereniging een symposium te organiseren in de vergaderzaai van de Eerste Kamer. Het onderwerp van dit symposium was: 'Zinloze verkiezingen voor de Provinciale Staten? ' Als ondertitel was meegegeven: Domineren de landelijke politieke verhoudingen de verkiezingen in gemeente en provincie? Blijkbaar zat de uitslag van de vorig jaar gehouden gemeenteraadsverkiezingen nog vers in het geheugen; deze verkiezingen werden, zij het waarschijnlijk in extreme vorm, sterk gedomineerd door de twee maanden later te houden verkiezingen voor de Tweede Kamer^)

Landspolitiek

Het lijkt verantwoord te stellen dat in verkiezingen voor gemeenteraden en Provinciale Staten niet langer het beleid van lokale en provinciale bestuurders centraal staat. De landspolitiek beïnvloedt in sterke mate de verkiezingen voor raden en Staten. Voormannen van landelijke politieke partijen domineren, al dan niet op verzoek, steeds meer lokale en provinciale verkiezingscampagnes. Daartoe worden officiële campagneleiders aangesteld, die eensgezind van mening zijn dat zij niet de bedoeling hebben b.v. de aanstaande Statenverkiezingen te 'nationaliseren'. De huidige staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, mevrouw D.Y.W. de Graaff-Nauta, sprak in 1981 - zij was toen actief als provinciaal bestuurster-in dit verband zelfs van 'kiezersvervuiling'.

De uitslagen van genoemde verkiezingen worden dan ook steeds meer gezien als graadmeter voor de nationaal politieke verhoudingen. Ongetwijfeld zal de uitslag van de aanstaande verkiezingen voor de Provinciale Staten hetzelfde lot delen. De voorzitter van de Eerste Kamer noemt de Statenverkiezingen een landelijke toetssteen.3) De voorzitter van de WD-fractie in de Staten van Gelderland spreekt in het blad van zijn partij over de graadmeter voor de landelijke politiek.") Premier Lubbers merkt in een interview in het Parool van 24 januari 1987 op: 'Bij deze verkiezingen gaat het om de grote lijnen van het beleid. Om de vraag of men erkent dat dit beleid vruchten afwerpt'. Ogenschijnlijk lijkt dit in tegenspraak met het provinciale karakter van de verkiezingscampagne van het CDA, waarop het regionale partijkader zou hebben

aangedrongen. Premier Lubbers en andere 'partijtoppers' verlenen sieciits 'ondersteunend' werk. De praktijk zal uitwijzen in lioeverre het provinciale karakter gehandhaafd zal worden, of dat als nog een beleid een nationaal tintje krijgt; als eventueel excuus gelden wanneer verkiezingsuitslag tegenvalt? Daar komt bij dat op 9 juni 1987 de nieuw gekozen Staten bijeenkomen om volgens de nieuwste grondwetsherziening (1983) de leden van de Eerste Kamer te kiezen, waar op dit moment CDA en WD samen 43 zetels hebben. De grondwetswijziging van 1983 lijkt de landelijke component versterkt te hebben, waardoor de politieke positie van de Eerste Kamer meer accent krijgt.

De Eerste Kamer is ingesteld om op afstand de politieke besluitvorming in de Tweede Kamer te volgen. Zij trad nooit in haar geheel af. Met dit stelsel IS gebroken en voortaan zal de Eerste Kamer in haar geheel aftreden, waardoor zij overgeleverd is aan de gunst van de kiezers. De mogelijkheid is aanwezig dat in de Eerste Kamer de oppositie een meerderheid verwerft, waardoor de besluitvorming in de Tweede Kamer zal verminderen. Het is niet onmogelijk dat voor dit facet te weinig oog is geweest bij de herziening van de Grondwet.

Plaatselijke politici

Opmerkelijk is dat lokale en provinciale lijststrekkers zelden over deze overheersing door de landelijke politici klagen. Het tegendeel moet soms vastgesteld worden. Vaak worden juist de landelijke politici aangezocht om plaatselijke of regionale verkiezingsbijeenkomsten op te luisteren. Hun acte de presence schijnt iets extra's te geven aan de bijeenkomsten. Hun inbreng is gewild. Wetenschappelijk gezien is het een interessante vraag in hoeverre deze wijze van politiek bedrijven op gespannen voet staat met de intrinsieke kenmerken van ons vertegenwoordigend stelsel. Immers, het gaat bij de verkiezingen voor raden en Staten toch niet om verkiezingen voor de Tweede Kamer? Waarom treden gemeentelijke en provinciale lijsttrekkers zelf niet meer voor het voetlicht? 't Zijn toch hun verkiezingen? Als landelijke politici komen, en vooral de 'kopstukken', dan gaat het over het kabinetsbeleid, en bij de Statenverkiezingen over de samenstelling van de Eerste Kamer. Ont-

breekt het de gemeentelijke en provinciale lijsttrekkers aan wervende programmapunten? Zijn er geen pakkende issues? Of komen zij pas dan in actie als de politieke partijen in Den Haag maatregelen nemen die negatief uitwerken op plaatselijke of regionale belangen? In dit verband zou men kunnen denken aan o.a. bezuinigingen op diverse terreinen, kerncentrales, militaire oefenterreinen en boycotacties. Met andere woorden: hollen de leden van gemeenteraden en Provinciale Staten hun eigen functioneren niet uit? Moet daarom een landelijk politicus komen om het gezicht van een partij meer te profileren?

Het is niet onmogelijk dat bij de kiezers zo het beeld zou kunnen ontstaan van machteloze gemeentelijke en provinciale bestuurders. De zelfstandigheid van deze bestuurders wordt door de landelijke politici niet aangetast, maar op de daartoe uitgeschreven verkiezingsbijeenkomsten worden wel landelijke en geen gemeentelijke of provinciale onderwerpen aan de orde gesteld. Nu hoeft dit niet per definitie strijdig te zijn, want met name uitgesproken beginselpartijen hebben op elk niveau dezelfde boodschap. Aan de andere kant komen meer specifiek gerichte onderwerpen minder aan bod, wanneer tenminste alleen door de landelijke politicus het woord gevoerd wordt. Hoe het ook zij, steeds weer (meer? ) doen plaatselijke politici een beroep op hun partijgenoten in Den Haag. Deze dominantie van de landelijke politici is sommigen een doorn in het oog. Zij willen daar verandering in aanbrengen, omdat zij van mening zijn dat niet voldaan wordt aan het wezen van vertegenwoordigend bestuur.

Aanzet tot discussie

Op 7 augustus 1986 publiceerde mr. P. Scholten, burgemeester van Soest, een artikel in het NRC onder de titel'Decentralisatie van Gemeenteraadsverkiezingen'. Opgemerkt moet worden dat deze bijdrage tot discussie over gemeenteraadsverkiezingen goed getimed was, namelijk vlak voor de op stapel staande algehele herziening van de Kieswet.

De kern van zijn betoog laat zich als volgt samenvatten: hij stelt in dit artikel dat de dominantie van de landspolitiek op gemeentelijke en provinciale verkiezingen steeds groter wordt. Zijns inziens moeten de kiezers bij raads-en Statenverkiezingen een oordeel vellen over het beleid van de voorafgaande vier jaren. Dat is naar zijn mening de kern van de democratie, van ons vertegenwoordigend stelsel. Maar deze verkiezingen voor gemeentera­ den en Provinciale Staten krijgen echter steeds meer de functie van 'graadmeter' voor de landelijke politieke verhoudingen. Scholten wijst daarvoor twee hoofdschuldigen met name aan: de landelijke politieke partijen en de landelijke media. Deze media halen juist nationale 'kopstukken' in hun programma's om de kijkcijfers op te voeren. De aandacht van de kiezers wordt blijvend vastgehouden door het verstrekken van gegevens die verkregen zijn uit opiniepeilingen. Van deze landelijke media kan zijns inziens een politiek centralistische invloed uitgaan. Wat de politieke partijen zelf betreft, stelt hij dat zij het lot in eigen hand willen nemen. Een dergelijke grote bemoeienis vinden zij verantwoord, omdat bijvoorbeeld goede raadsverkiezingen veelal ook goede verkiezingen voor de Tweede Kamer beloven. Deze verkiezingen zijn in hun visie te belangrijk om aan plaatselijke politici over te laten.

Scholten wil aan deze ontwikkeling paal en perk gesteld zien. Hij komt dan met zijn voorstel de gemeenteraadsverkiezingen in tijd te spreiden. Gemeenteraden mogen in zijn visie ieder voor zich de datum bepalen waarop zij hun eigen verkiezingen gaan uitschrijven. Om enigszins richting te geven aan deze verkiezingen stelt hij voor deze te doen plaats hebben binnen een periode van vier tot zes jaar na de vorige verkiezingen. Praktisch gezien houdt dit in dat 714 gemeenten op verschillende tijdstippen verkiezingen uitschrijven, in de hoop dat de landelijke politici en de landelijke media deze constante verkiezingstijd niet kunnen bijbenen. In een afmattingsrace kunnen ze, volgens Scholten, verslagen worden.

Bijstelling

't Is niet onbegrijpelijk dat zijn voorstel diverse reakties opriep. De ingezonden stukken in de NRC roepen verschillende bezwaren op. Veelal bezwaren van bestuurstechnische en organisatorische aard. Zo zal inderdaad deze voortdurende verkiezingenstijd een zware druk leggen op de werkzaamheden ter secretarie, die normaliter plegen plaats te hebben. Wat dat betreft is er eerder sprake van een verslechtering dan van een verbetering van de huidige situatie.

Mede naar aanleiding van deze reacties kwam Scholten op 5 januari 1987 in de NRC met een nieuw voorstel. Onder de titel 'verfijnde gemeenteraadsverkiezingen' kwam hij met een bijstelling van zijn eerste voorstel. Hij stelt nu voorde verkiezingen voor gemeenteraden te koppelen aan de Wet Gemeenschappelijke Regelingen (WGR-regio's). Vol-

gens deze wet telt ons land ongeveer 60 regio's. Per jaar moeten dan ongeveer 15 WGR-reglo's raadsverkiezingen uitschrijven binnen de periode van half februari tot half juni. In zijn gedachtengang zal deze regionale verfijning de invloed van de landspolitiek en die van de landelijke media terugdringen.

Koppeling

Naast Scholten heeft mr. drs. J. Elzinga in een artikel in Binnenlands Bestuur van 5 september 1986 het voorstel gedaan raads-en Statenverkiezingen aan elkaar te koppelen, en wel zodanig dat in één provincie de verkiezingen voor gemeenteraden en Provinciale Staten op één dag vallen. Op deze wijze zou volgens hem de Invloed van de landelijke politiek worden teruggebracht. In wezen komt hij met het voorstel 12 lokale (regionale) verkiezingen uit te schrijven, omdat de verkiezingen in de overige provincies steeds op een andere datum vallen.

Een andere 'koppeling' stelt de voorzitter van de Tweede Kamer, dr. D. Dolman, voor in een speciaal aan de Eerste Kamer gewijd nummer van het WDblad Vrijheid en Democratie. Hij stelt daar: 'Ideaal zou het zijn dat Tweede en Eerste Kamer op dezelfde dag worden gekozen. Eigenlijk zou het nog beter zijn indien Provinciale Staten en Tweede Kamer op dezelfde dag worden gekozen, want de Eerste Kamer is een weerspiegeling van de politieke krachtsverhoudingen in de Provinciale Staten'.s) Deze suggestie dient als ondeugdelijk van de hand gewezen te worden, want de zittingsduur van de Provinciale Staten moet niet gekoppeld zijn aan die van de Tweede Kamer. Het is in de parlementaire geschiedenis meer dan één keer voorgekomen dat binnen de gestelde termijn van vier jaren een Kamerontbinding plaats vond. Deze ontbinding mag geen directe gevolgen hebben voor de Provinciale Staten, die een eigen bestuursbevoegdheid moeten blijven houden.

Buiten gevecht gesteld?

De vraag moet gesteld worden of de verkiezingen voor raden en Staten door deze spreidingsvoorstellen zinvoller zijn geworden. Zijn de schuldigen, te weten de landelijke media en de landelijke politieke partijen, gearresteerd? Met andere woorden: zijn de aangewezen boosdoeners nu bulten gevecht gesteld? Op zijn zachts gezegd is hier ruimte voor twijfel. De stelling laat zich verdedigen dat door middel van deze spreidingsvoorstellen een uniek aanbod gedaan wordt aan de landelijke politieke partijen een plan de campagne per regio te maken. Wat de media betreft zullen ze zich verheugen in de spreiding, want opiniepeilers krijgen op deze wijze de gelegenheid prachtige steekproeven te houden en de resultaten daarvan uitgebreid te becommentariëren. Beide schuldigen worden in de gelegenheid gesteld hun aandacht te spreiden in plaats van de aandacht tegelijkertijd op alle gemeenten of provincies te moeten richten. De daadwerkelijk beoogde effecten zullen eerder in het tegendeel omslaan.

Bezwaren

Sympathie voor wat betreft de aan de voorstellen van de heer Scholten ten grondslag liggende motieven koesterde de heer mr. J.A.M. Hendrikx, direkteur-generaal Openbaar Bestuur, Ministerie van Binnenlandse Zaken. Hij meende echter dat de primair beoogde doeleinden langs de door Scholten voorgestelde weg niet worden bereikt.

In zijn bijdrage aan dit symposium stelde hij de vraag of er inderdaad sprake is van een onaanvaardbare invloed van de landspolitiek op de verkiezingen voor raden en Staten. Welke toetsingscriteria zijn daarvoor aangelegd? Wanneer wordt de grens van het aanvaardbare overschreden? Daarbij was hij van mening dat nadrukkelijk onderscheid moet worden aangebracht tussen verkiezingen voor gemeenteraden en voor Provinciale Staten. Bij laatstgenoemde verkiezingen ligt de belangstelling van de landspolitiek voor de hand, al was het alleen maar vanwege het feit dat de leden van de Provinciale Staten de leden van de Eerste Kamer kiezen.

Maar zijns inziens moet ook de vraag gesteld worden of het erg is dat de landspolitiek zoveel belangstelling heeft voorde raads-en Statenverkiezingen, want tot op heden is geen onderzoek naar de gevolgen hiervan verricht. Hij refereerde echter wel aan uitkomsten van een door de vakgroep Politicologie van de Erasmus Universiteit te Rotterdam gehouden verkiezingsonderzoek in Roozendaal. Daaruit bleek dat de landelijke politiek bij de kiezers meer leeft dan de gemeentelijke; dat veel kiezers in veel gevallen niet of nauwelijks in staat zijn namen van plaatselijke politici te noemen; dat kiezers niet of nauwelijks op de hoogte zijn van het gemeentelijk-politieke gebeuren en dat veel kiezers mede daardoor al gauw geneigd zijn plaatselijk op dezelfde partijen te stemmen als bij de Tweede Kamerverkiezingen. Terecht merkt hij op dat de si-

tuatie in 1986 een heel bijzondere was door de verl< iezingen voor de Tweede Kamer twee maanden later.

Een andere vraag van de heer Hendrikx was of het voorstel van de heer Scholten zich verdraagt met de grondwet. Daarin staat dat de zittingsduur van Provinciale Staten en de gemeenteraad vier jaren is, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen. Hij stelde dat er vanuit mag worden gegaan dat de grondwetgever hier het oog heeft gehad op situaties als gemeentelijke en provinciale herindelingen. Wat dat betreft zou het voorgestelde systeem van de heer Scholten zich hiermee verdragen. Iets anders is dat de grondwettelijke terminologie meebrengt dat de data van de te houden verkiezingen zullen moeten worden opgenomen in de wet. Deze overeenstemming acht hij niet haalbaar, omdat het niet onbelangrijk is op welke datum een gemeenteraad verkiezingen uitschrijft.

Daar komt bij dat de situatie van voortdurende verkiezingen voor gemeenteraden het nadeel met zich meebrengt dat de uitslag van een verkiezing in de ene regio snel gerelateerd zal worden in een nog te houden verkiezing in een andere regio. Het is illusoir te veronderstellen dat hiervan geen invloed uitgaat. Een niet onbelangrijk gevolg van deze spreidingsvoorstellen is de verminderde belangstelling van de kiezer, zoals recent bleek bij verkiezingen in de Midden-Betuwe. Hij vroeg zich dan ook af of lokaal, c.q. provinciaal beleid nog wel zo sterk af te zonderen valt van nationaal beleid. Niettemin vond hij de bestaande situatie niet bevredigend.

Voorstel Hendrikx

Volgens Hendrikx is de kernvraag: 'Hoe kunnen we bereiken dat het stemgedrag van kiezers bij gemeenteraads-en Statenverkiezingen minder wordt beheerst door nationale factoren en in sterkere mate kan worden bepaald door gemeentelijke en provinciale factoren? ' Hij stelde dat de dominantie van de landspolitiek niet wordt veroorzaakt, noch in de hand gewerkt, door wettelijke bepalingen, als zijn opgenomen in de Kieswet. Hij zag dan ook onvoldoende reden deze wet op dit punt te wijzigen. Naar zijn oordeel moeten oplossingen tot verbetering van de huidige situatie in een andere rich-

ting gezocht worden. Hij kwam met zijn voorstel in de eerste plaats de politieke partijen onderling afspraken op landelijk niveau te laten maken, vervolgens dit aan de landelijke media te vragen en daarna gerichte acties op touw zetten in de voorlichtende sfeer.

Iets onmogelijk noemen, betekent dat concrete maatregelen mislukt zijn. Zijn voorstel de politieke partijen onderling afspraken op landelijk niveau te maken is niet onmogelijk, maar wel onwaarschijnlijk. Publikaties uit de pers ten aanzien van de aanstaande Statenverkiezingen laten wel een eensgezinde aanpak zien, maar dan in het 'nationaliseren' van de komende verkiezingen voor de Provinciale Staten. Uit perspublikaties valt af te leiden dat 'landelijke partijkopstukken' zich intensief gaan bemoeien met genoemde verkiezingen. De campagneleiders van de grote partijen zijn volop in de weer de gunst van de kiezer te winnen. Ook bij deze verkiezingen zal het over het gevoerde kabinetsbeleid gaan; met in het achterhoofd de zetelverdeling in de nieuw samen te stellen Eerste Kamer. De regeringspartijen zullen er alles aan doen de meerderheidspositie in de Eerste Kamer te behouden, terwijl de oppositiepartijen hun uiterste best zullen doen dit te voorkomen. Provinciale belangen worden wel behartigd, maar niet dan nadat de partijpolitieke belangen op landelijk niveau gepresenteerd zijn.

Wat betreft de afspraken die met de landelijke media zouden moeten worden gemaakt, lijkt de enige oplossing dat deze niet te maken zijn. Bovendien: waar leg je de grens van wat wel en niet mag? Gesteld dat bijvoorbeeld de landelijk media tot een bepaalde afspraak zouden kunnen komen, en de regionale media wel in de gelegenheid gesteld worden acties te ondernemen, dan nog blijft het recht van citaat bestaan.

Zijn laatste voorstel om gerichte acties te ondernemen in de sfeer van de voorlichting mag op meer steun rekenen. Het is niet onbelangrijk dat plaatselijke en provinciale lijsttrekkers meer in de schijnwerpers worden gezet. Zijn gedachte deze profilering van de lokale en regionale bestuurders te doen plaatshebben op basis van afspraken van de gezamenlijke provincies lijkt evenmin haalbaar.

Het geheel samenvattend moet gesteld worden dat weinig middelen voorhanden lijken om de nadruk van de landspolitiek op verkiezingen voor gemeenteraden en Provinciale Staten te verminderen. Een versterking van het plaatselijk of regionaal element in de verkiezingen lijkt eerder uit te gaan van een goed programma, waarin een duidelijke boodschap verwoord is.

Een pakkend issue. Het idee geven dat er werkelijk wat te besturen valt. In het kader van de oprukkende provincie moeten hiervoor mogelijkheden zijn te vinden. Binnen een bepaald stramien moeten mogelijkheden aanwezig zijn dergelijke programma's te verwezenlijken.

In dit verband merken we op dat het voorstel tot aanpassing van de Kieswet, dat op 23 januari 1987 door de Ministerraad is goedgekeurd en binnenkort naar de Tweede Kamer wordt gestuurd, niet van belang ontbloot is. Het wetsvoorstel houdt in dat de verkiezingen voor de Tweede Kamer voortaan in de maand maart in plaats van mei gehouden zullen worden. Dat geeft meer tijd voor de kabinetsformatie en stelt bovendien een nieuw gevormd kabinet in de gelegenheid de begrotingen voor het komende jaar voor te bereiden. Wanneer verkiezingen voor raden en Staten samenvallen met verkiezingen voor de Tweede Kamer, zullen de gemeenteraads-of Statenverkiezingen worden verschoven naar begin mei. Hierdoor zullen deze verkiezingen minder beheerst worden door landelijke accenten. Een negatief verschijnsel zou kunnen zijn dat de opkomst aanmerkelijk lager zal zijn. In dit verband spreekt des te meer een sprekend verkiezingsprogramma voor gemeenteraads-en Statenverkiezingen. Een duidelijke boodschap dat er wat te besturen is.

Zinloze verkiezingen?

Zoals hierboven weergegeven lijkt o.a. de door Scholten en Elzinga voorgestelde verandering van de huidige situatie niet wenselijk. Het is zeer de vraag of voldoende financiën aanwezig zijn en of te managen valt wat Scholten voorstelt. Waar bij komt dat het opkomstpercentage vermoedelijk sterk zal dalen. Daarvoor zijn de deelgemeenteraadsverkiezingen en de uitgestelde verkiezingen voor gemeenteraden in de Midden-Betuwe illustratief. Maar zijn dan de te houden verkiezingen voor de Staten zinloos?

Zeer zeker niet, het effect dat van de verkiezingen voor de Provinciale Staten uitgaat, kan bijzonder groot zijn. We roepen even in herinnering de Statenverkiezingen van 1958, 1966 en 1982. De verkiezingen voor de Staten op 26 maart 1958 waren voor het Kabinet-Drees III niet hoopgevend. De regeringspartijen PvdA, ARP en CHU verloren zwaar, alleen de KVP wist enige statenzetels winst te boeken. Op 12 december 1958 diende dit kabinet zijn ontslagaanvrage in.

De uitslag van de Statenverkiezingen van 23 maart 1966 was voor de regeringspartijen KVP en PvdA

een bittere teleurstelling. Het aantal Statenzetels voor deze partijen daalde sterk, mede-regeringspartij ARP behield het aantal Statenzetels. In de verkiezingscampagnes »/as het regeringsbeleid sterk centraal gesteld, zodanig zelfs, dat van een overheersende rol gesproken zou kunnen worden. Misschien te vergelijken met de reeds aangehaalde opmerking van premier Lubbers in Het Parool. De aanvaarding van de motie-Schmelzer betreffende het financieel-economisch beleid, deed het kabinet-Cals besluiten een ontslagaanvraag in te dienen.

De verkiezingen voor de Provinciale Staten in 1982 droegen eveneens een nationaal stempel. De regeringspartijen PvdA en D'66 leden zwaar verlies, het CDA bleef als mede-regeringspartij ongeschonden. De verlammende werking die van deze verkiezingsuitslag uitging, zal er ongetwijfeld toe bijgedragen hebben dat het Kabinet-Van Agt lil onenigheid bleef houden over de uitwerking van de Voorjaarsnota. Op 12 mei 1982 diende dit Kabinet zijn ontslagaanvrage in.

Besluit

Afgezien van deze effecten op langere termijn blijven de verkiezingen voor gemeenteraden en Provinciale Staten zinvol, al domineert de landspolitiek veelal deze verkiezingen. Nog steeds, want mogelijk kan de nieuwe Kieswet regelen dat de invloed van de landspolitiek teruggedrongen wordt door de verschuiving van de Tweede Kamerverkiezingen naarde maand maart. Plaatselijke en regionale onderwerpen zullen dan mogelijk meer voor het voetlicht komen. Lokale en provinciale politici zullen zich moeten voorbereiden op een nog inspannender verkiezingscampagne, al zullen landelijke politici hun bijdrage blijven geven. Het lijkt niettemin verstandig plaatselijke en regionale belangen als pakkende issues te presenteren, om de te verwachten lagere opkomst voor deze verkiezingen zoveel als mogelijk is tegen te gaan. Bij dit alles blijft de grondwettelijke regeling van kracht dat de nieuwgekozen leden van de Provinciale Staten de leden van de Eerste Kamer kiezen. En zonder de goedkeuring van de Eerste Kamer wordt in ons land geen enkele wet van kracht.

De nadelen van de nieuwe verkiezingsprocedure van de leden van de Eerste Kamer lijken zich nu al te tonen. Nog nadrukkelijker dan voorheen zullen de landelijke politieke partijen zich manifesteren bij de Statenverkiezingen.

Door het feit dat de Eerste Kamer aan belangrijkheid gewonnen heeft, is de kans op verscherpte confrontatie tussen de beide Kamers van de Staten-Generaal niet minder geworden. Het is in toenemende mate denkbaar dat de meerderheid in de Tweede Kamer een andere kan zijn dan in de Eerste Kamer. Ons constitutioneel bestel is gebaat bij verantwoorde besluitvorming en deze lijkt door de in 1983 aangebrachte vierjaarlijkse verkiezing van de Eerste Kamer aan kracht te hebben verloren; voldoende reden deze verkiezingsprocedure opnieuw te bezien.

Noten

1. Scholten, P.'DecentralisatievanGemeenteraadsverkiezingen', in: NRC-Handelsblad, 7 augustus 1986.

2. De Thorbecke-Vereniging Voor Vertegenwoordiging en Democratisch Bestuur werd opgericht op 29 augustus 1985. Deze vereniging heeft de verantwoordelijkheid op zich genomen om de problemen die zich voordoen bij vertegenwoordiging en democratisch bestuur (zoals b.v. landsbestuur, provincie, gemeente, woonwijk, ondernemingsraden, medezeggensschapsraden) te bespreken en zo mogelijk op te lossen. Met deze bedoeling was ook het symposium georganiseerd op 15 januari 1987. In dit artikel is in ruime mate gebruik gemaakt van het materiaal dat tijdens het symposium aan de pers werd verstrekt.

3. Algemeen Dagblad, 20 januari 1987

4. Ibidem.

5. NRC-Handelsblad, 17 januari 1987.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 februari 1987

Zicht | 44 Pagina's

Zinloze verkiezingen voor raden en staten?

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 februari 1987

Zicht | 44 Pagina's

PDF Bekijken