Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Abraham Kuyper en de school aan de ouders

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Abraham Kuyper en de school aan de ouders

35 minuten leestijd

door drs. J. Mulder’

Inleiding

‘Hoemeer wij de geschiedenis van tiet lager onderwijs in ons vaderland nagaan (...), des te meer voelen wij ons tot dankbaarheid gestemd voor de richting, welke deze geschiedenis genomen heeft, en voor de uitkomst, tot welke zij geleid heeft. De bewering is volstrekt niet te stout, dat wij als resultaat van jarenlange worsteling een schoolwezen verkregen hebben dat andere volken ons kunnen benijden', aldus H.Bavinck in zijn rede op een Algemene Vergadering van het Gereformeerd Schoolverband.1 Het is een feit dat ongeveer tachtig jaar gestreden en geworsteld is voor het oprichten en instandhouden van de bijzondere, christelijke school. Deze strijd is beslecht in de Pacificatie van 1917, waarin volkomen financiële gelijkstelling tussen openbaar en bijzonder onderwijs verkregen werd.

De Lager onderwijswet van minister De Visser had een eind gemaakt aan de strijd om de christelijke school, maar was een begin van de strijd voorde christelijke school.^ De dankbaarheid voor deze wet werd voor de anti-revolutionairen getemperd door de 'zeer ernstige en principieele constructiefout'. Er werd niet op de juiste wijze onderscheid gemaakt 'tusschen de Staatszaak en de Volkstaak'. De Lager onderwijswet uit 1920 verloochent in deze gedachtengang 'in haar grondstructuur het ideaal der vrije school, teneinde er de Idee der staatsschool, gedifferentieerd naar de verschillende richtingen, voor in de plaats te schuiven'.a De Standaard schreef in december 1922: 'Een centralistische Overheidsschool met vrijheid van richting, voorzoover deze laatste althans niet beperkt werd door dit centralistisch karakter zelf. Dat was het was 1920 ons bracht'. Daarmee is het beginsel 'de school aan de ouders' verloochend, ja, in zijn tegendeel verkeerd'." De wet van 1920 'draagt een te geprononceerd centralistisch karakter'. De vrijheid van onderwijs loopt gevaar, hoe goed de bedoelingen van de overheid ook geweest mogen zijn. Juist om die vrijheid gaat het; om 'verwezenlijking van de wensch die tot uitdrukking komt In het bekende adagium: de school aan de Ouders'.^

We willen in dit artikel proberen Iets van de gedachten te verwoorden, die schuilgaan achter de leus 'De school aan de ouders'. Algemeen wordt aangenomen dat deze leus van A. Kuyper is.^ Het lijkt zinvol om vooraf een eenvoudige beschrijving van de schoolstrijd te geven, als ook van de heersende visies onder de voorstanders van de christelijke school. Toen Kuyper als vaandeldrager van de antirevolutionairen van de schoolstrijd optrad, kreeg hij een erfenis die verdeeld was. Vervolgens willen we aan de hand van de onderwijsartikelen uit de beginselprograms van de anti-revolutionaire partij in een beperkte scopus nagaan waarom de school aan de ouders behoort én of er een wijziging in het standpunt is opgetreden voor wat 'De school aan de ouders' betreft.

De Schoolstrijd

Algemeen wordt aangenomen dat de Schoolstrijd is begonnen met de schoolwet van 1806. Deze wet heeft 'het leerstellig onderwijs in den Godsdienst van de school gebannen; niets toegelaten dan hetgeen, zeide men, algemeen zedelijk is'.^ De facto wordt de rede van Van Basse van Ysselt in de Tweede Kamer voor de vrijheid van onderwijs (1825) of Groen van Prinsterers strijdschrift 'De maatregelen tegen de Afgescheidenen aan het staatsregt getoetst' (1837) aangehouden.

De komst van de Fransen in 1795 en de Invloed van de Franse revolutie was merkbaar geworden op alle terreinen van het maatschappelijk en geestelijk leven. Voor wat het onderwijs betreft werkte dit door in de nationale onderwijswetgeving. Dit was iets nieuws, want voordien bepaalde elke stad of gewest voor zich wat er diende te worden onderwezen in de school. De scheiding van kerk en staat (1796) betekent echter het einde van de Gereformeerde overheidsschool.

Kerk en staat hadden tijdens de Republiek samengewerkt op het gebied van de school. De school ging uit van de Gereformeerde overheid waarop de Gereformeerde kerk een overwegende invloed uitoefende.^ Dit kwam tot uiting in het leerstellig onderwijs zoals dat op de school werd gegeven. Voor de kerk der Reformatie was het een vanzelfsprekende zaak dat zij zich inliet met het onderwijs. Diverse classicale en synodale besluiten bevestigden dit.io

De heer J. Mulder is studiesecretaris van de SGP. Hij bereidt een dissertatie voor over het ontstaan van het reformatorisch onderwijs.

In het spreken van de kerk keren steeds drie ele-

menten terug. In de eerste plaats dat er scholen en schoolmeesters zijn; vervolgens dat de onderwijzers een goede beloning behoren te ontvangen en ten derde dat onderwijsgevenden de belijdenisgeschriften van de kerk onvoorwaardelijk onderschrijven. De Synode van Dordrecht 1618/1619 stelde zelfs een speciaal ondertekeningsformulier vast.11

Met de komst van de Fransen veranderde er veel. Zo wilde Nederland geen christelijke staat meer zijn en werd afscheid genomen van de Gereformeerde overheidsschool. Voortaan propageerde men de 'neutrale school'. In plaats van het leerstellig onderwijs aan de hand van de Heilige Schrift en de belijdenisgeschriften van de kerk, waarin de boodschap van zonde en genade aan de kinderen werd voorgehouden, moest een 'Christendom boven geloofsverdeeldheid' worden verkondigd. Op school moest voor alle gezindheden plaats zijn, niemand gehinderd door de dogma's van de kerk en de traditie. De kinderen moesten worden opgeleid tot 'alle Christelijke en maatschappelijke deugden', zoals de wet van 1806 stelde.

De invoering van deze schoolwet maakte de school niet meteen godsdienstloos, maar beleed wel een godsdienst waarin geen plaats was voor de Christus der Schriften. Groen formuleerde dit scherp: 'Zonder verband tot die geopenbaarde leer waarin de wortel van alle verandering des harten, van alle pligtbetrachting ligt, zijn opwekkingen tot deugd niet anders dan opwekking tot Heidensche zelfgenoegzaamheid, waarbij men eerzucht en belang als verderfelijke surrogaten voor Evangelische waarheden gebruikt’.12

Bezwaren

De voorstanders van de christelijke school, die leerstelling onderwijs voor hun kinderen begeerden, hadden in Groen van Prinsterer een uitnemend pleitbezorger. Ouders die ten volle overtuigd zijn dat het onderwijs op de bestaande scholen onchristelijk is, moeten volgens Groen niet worden verhinderd dat onderwijs aan hun kinderen te geven als zij menen dit voor God te kunnen verantwoorden. Zijn bezwaren tegen het openbaar lager onderwijs verwoordde hij nog eens op 27 augustus 1840 in de dubbele kamer, belast met de herziening van de grondwet: 'Ja, het onderwijs in Nederland is onchristelijk. Niet alsof dit verwijt elke school moet treffen, geenszins, er is ook bij algemeenheid van het stelsel overvloedig reden om over uitzondering en inconsequentie dankbaar te zijn. Het onderwijs is onchristelijk, omdat de wet van 1806, door de vereniging der gezindheden, een beginsel ingevoerd heeft, ten gevolge waarvan de Bijbel èf niet, óf enkel behoudens goedvinden van den R.K. geestelijke mag gelezen worden. Het is onchristelijk, omdat men, door de afscheiding van hetgeen onafscheidelijk is, niet slechts de leer des Bijbels ter zijde gesteld, maar ook de geschiedenis des Bijbels van ziel en leven en waarheid heeft beroofd. Het is anti-christelijk, want ook deze uitdrukking neem ik niet terug, omdat, terwijl het leerstellig onderwijs in schijn uitgesloten wordt, men inderdaad een ander leerstellig onderwijs geeft; het is antichristelijk, omdat men, met voorbijzage der klove, die de zonde daargesteld heeft, eenen algemeenen Vader der menschen verkondigt; het is anti-christelijk, omdat men aldus aan het jeugdige gemoed een God predikt, die (dit is mijne overtuiging en velen zijn er met mij van overtuigd) een droombeeld is van menschelijke wijsheid; een afgod; een afgod, die met verloochening van den levenden God der openbaring opgericht wordt'.^3 Groen bepleitte (in zijn Nota) voor 'én splitsing der openbare school naar gezindheden én zonder uitstel als eisch en recht van het geweten, vrijheid van bijzonder onderwijs'.'"' Hij weifelde hier nog tussen gezindtescholen en bijzonder onderwijs. Hoe moeilijk het oprichten van een bijzondere school was, ervoer hij aan den lijve bij de stichting van zo'n school in Den Haag. De vooruitzichten leken dienaangaande te verbeteren toen in de Grondwet vn 1848 werd vastgelegd dat het geven van onderwijs vrij is behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid van de leerkrachten en het toezicht van de overheid.

Eén van de bepalingen die de vrijheid van onderw/ijs van l< raciit beroofde, was de door Groen getypeerde 'ellendige zinsneê': 'Er wordt overal van Overheidswege voldoende openbaar lager onderwijs gegeven'. Deze bepaling leidde ertoe dat naast sterk bevolkte bijzondere scholen geheel overbodig openbare scholen werden instand gehouden, soms zelfs zonder leerlingen (bijvoorbeeld te Wons en Schraard).

De schoolkwestie kwam ook onder Thorbecke niet tot een oplossing. Na de Aprilbeweging (1853) ging Thorbecke heen zonder zelfs een wetsontwerp terzake te hebben ingediend. Het voorhoedegevecht rond wetsontwerpen van Minister van Reenen in 1854 en 1855, welke vlugschrift en vlugschrift het licht hadden doen zien, en zelfs hadden geleid tot het heengaan van het ministerie-Van Hall (1853-1856), zouden in het niet vallen vergeleken bij de felle debatten over de schoolwet van 1857.

Schoolwet 1857

De verwachtingen onder de voorstanders van het christelijk onderwijs waren hooggespannen tot het ministerie-Van Brugghen aantrad. De ethisch-gezinde Van der Brugghen, geestverwant van Groen, kwam op 21 februari met den nieuwe wet op het lager onderwijs. In deze wet was geen schaduw of schijn van mogelijke splitsing der openbare school naar gezindheden (...) maar algeheele, absolute neutraliteit: 'De onderwijzer onthoudt zich van iets te leeren, te doen of toe te laten, wat strijdig is met den eerbied, verschuldigd aan de godsdienstige begrippen van andersdenkenden' (art. 23). 'Leerstellig godsdienstonderwijs diende plaats te hebben buiten de schooluren’.

De confrontatie met Van der Brugghen, die het woord 'christelijk' had gehandhaafd, ontlokte aan Groen de volgende opmerking: 'Uw organisatie van het schoolwezen is met de behoefte en het regt van alle gezindten, met het geloof der natie, met het volksgeweten, in strijd. Uwe volksschool neemt met het Kruis het Christendom weg. Vereenigt Jood en Christen op ééne volksschool, zodat gij ter wegneming van het kenmerkend-christelijke verpligt zijt, en geef dan die onchristelijke schoolgemeenschap den christelijken titel, dit noem ik heiligschennis. Uwe christelijke leus is een onzedelijk woordenspel dat ontheiliging door heiligschennis verbloemt’.16

Toen de schoolwet van 1857 op 20 juli 1857 in de Kamer werd aangenomen, verliet Groen onmiddellijk 's lands vergaderzaal en berichtte de voorzitter dat hij zijn ontslag nam als lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Merle d'Aubigné voelde deze stap van Groen aan: 'Het was voor uw land een kwestie van leven of dood, van zijn of van niet te zijn; gij had 't met den mond reeds gezegd, maar 't was goed het ook met de daad te zeggen'.i*" De meningen onder de voorstanders van het christelijk onderwijs bleken (zeer) verdeeld te zijn. De schoolwet van 1857 bracht echter een wijziging in de opstelling van Groen.

Terecht is het jaar 1857 een keerpunt in de christelijke politiek genoemd.18 Groen verlegde zijn zwaartepunt van de openbare naar de bijzondere school, maar daarvoor ging hij eerst van het Binnenhof naar de binnenkamer.

Verdeelde meningen

Groen heeft meer dan eens na de aanvaarding van de wet van 1857 zijn standpunt verwoord: 'Sedert lang is mijn standpunt ter wetsherziening bekend. Tot de wet van 1857 was ik voorstander van facultatieve splitsing; na dien tijd niet meer. In mei 1861 reeds liet ik mij ondubbelzinnig uit: 'Als het Staatsonderwijs neutraal, zoo niet erger dan neutraal is, dan moet er, en dit is mijn hoofdgedachte een gewijzigde, een omgekeerde verhouding tusschen openbaar en bijzonder onderwijs zijn'.^^ Dus de vrije school regel, de openbare school aanvulling. Maar volgens hem werd het bijzonder onderwijs oneerlijke concurrentie aangedaan doordat het woordje 'christelijk' op het openbaar onderwijs op een vals stempel drukte. De verwijdering van dit woordje uit de zin 'opleiden tot alle christelijke en maatschappelijke deugden', zou een vast strijdpunt van Groen worden. Alles wat naar godsdienst zweemde, moest buiten de neutrale staat verwijderd blijven. Sinds de aanvaarding van de neutrale staat, niet de anti-christelijke staat, heeft Groen vanuit zijn actueel staatsmanschap dan ook, zij het niet van harte, gekozen voor de bijzondere school. Hij wilde het volk vrijwaren voor een 'verlicht Christendom', want volgens hem is vrijheid van onderwijs niet anders dan vrijheid van godsdienst voor de kinderen. Daarom zei Groen: 'Hebben de openbare instellingen het christelijk karakter verloren (...), daarnaast moet volkomen vrijheid voor ontwikkeling van individueele veerkracht bestaan. Daarom zo ik in de wet op het onderwijs berust, ik verlang eerlijke nauwgezette, onpartijdige tenuitvoerlegging'.20 En dat gebeurde niet.21

Groen constateerde in de schoolwet van 1857 een zodanige verwerping van de Christus in de regeling van staat, kerk en school, dat voor hem de grens bereikt was. Hij kon niet verder gaan, hij wilde de

Rubicon met over, vandaar dat hij zei: Neem dit ééne woord, het Kruis, weg, en wat blijft over? Rationalisme, neologie, ongeloof .22 Juist in een maatschappij die overmeesterd dreigde te worden door de ongeloofstheorieën van de Franse revolutie, moest het Evangelie beleden worden, in woord en daad: 'Tegen de revolutie het Evangelie!’

Zijn ethisch-gezinde geestverwant Van der Brugghen betwijfelde of de moderne maatschappij een zodanige invloed van de revolutie had ondergaan dat gesproken mocht worden van een revolutieband om de maatschappij. Hij en zijn ethisch-gezinde vrienden, onder wie ook Chantepie de la Saussaye en N. Beets, waren niettemin met Groen van mening dat Nederland, historisch gezien, een christenvolk was, als ook dat christenen de plicht hebben in het leven van elke dag dit christen zijn uit te dragen in staat en maatschappij.

Het verschil tussen Groen en zijn ethisch-irenische vrienden openbaarde zich naar aanleiding van de vraag op welke wijze staat en maatschappij moesten worden bewerkt. Voor wat het onderwijs betreft, koos Groen na de aanvaarding van de schoolwet 1857 voor de bijzondere school, die moest fungeren als een kandelaar, en niet voor de zwak gekerstende overheidsschool. Chantepie de la Saussaye koos principieel voor de zwak gekerstende volksschool, waar het beginsel als een zuurdeeg zou moeten werken. Hij wilde echter geen leerstellig onderwijs, maar een positief-christelijk onderwijs om samenwerking onder de christenen te bevorderen. De botsing tussen beide opvattingen die leefden binnen de kring van de anti-revolutionairen kon niet uitblijven.

Scheiding der geesten

Deze confrontatie had plaats op de Algemene vergadering van de Vereniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs in 1869, die in Utrecht werd belegd. Het doel van deze bijeenkomst was onder meer wensen te formuleren in verband met de schoolwetgeving met betrekking tot artikel 23. Men wilde besluiten het woordje 'christelijk' te laten wegvallen uit de uitdrukking: 'Opleiden tot alle Christelijke en maatschappelijke deugden'. Op deze vergadering voerde A. Kuyper het woord.

Hij zei in deze vergadering over de kwestie onder andere het volgende: 'Wij hebben te doen met een regeering, gereduceerd uit een staatstheorie, die onchristelijk is, omdat zij strijdt met de eeuwige eischen en wetten des levens. Tegenover die staatstheorie staat de Christelijke idee. De tegenwoordige overheerschende staatsidee is sata­ nisch, is principieel valsch, kan niet bekeerd, maar moet vernietigd worden'. Hij voegde er aan toe dat de staat in zijn visie geen onderwijs kan geven en de openbare school langzamerhand diende te verdwijnen.23

Tijdens dit referaat van Kuyper kwam Beets binnen, zeer tegen zijn gewoonte, want de algemene vergaderingen bezocht hij hoogst zelden. Nu de bijeenkomst in zijn woonplaats was belegd, zou dit hem in de gelegenheid hebben kunnen stellen ernaartoe te gaan. Hoe het ook zij, bij binnenkomst hoorde hij de aangehaalde woorden van Kuyper. Dat was tegen het zere been, want hij was er ten volle van overtuigd dat christelijk onderwijs op de openbare school mogelijk bleef. Na het referaat vroeg hij dan ook het woord en geselde hij met zijn woorden zijn tegenstanders, onder wie Groen van Prinsterer die ook aanwezig was en wiens strijd voor de verwijdering van het woordje 'christelijk' leek te zullen worden bekroond. Beetszei: 'Is heteen edel verlangen, de staatsschool liever zoo slecht mogelijk te zien...? En waarom? Omdat uw school te noodzakelijker blijke, te schooner tegen haar over sta? Men spreekt satanisch, maar ik moet zeggen, hier zie ik iets demonisch...’24

Groens teleurstelling was groot dat de zo broodnodige eensgezindheid onder de voorstanders van het christelijk onderwijs leek om te slaan in het tegendeel. De ethisch-irenischen verlieten hem, zij het niet allen: Gunning en Heldring bleven. De twee stromingen in de anti-revolutionaire partij, de confessionelen onder leiding van Groen en de ethischirenischen onder leiding van Van der Brugghen gingen uiteen. Deze verdeeldheid en het in 1873 door Groen uitgesproken 'mea culpa' ten aanzien van het niet tijdig signaleren van afwijkende opvattingen van Van der Brugghen, als ook de oneerlijke concurrentie tussen openbaar en bijzonder onderwijs, deden hem aan het einde van zijn leven terugkeren naar zijn eerste liefde: 'In de onderwijskwestie stel ik de Facultatieve splitsing der Staatsschool, na' de deerlijk mislukte proefneming van Eerlijke concurrentie weder aan de orde van de dag. Menigeen is verbaasd dat ik tot het shibboleth, waaraan ik steeds de voorkeur gaf, terugkeer'.2s ln een nummer van de 'Nederlandschen Gedachten' sprak Groen in dit verband van zijn 'Christelijk-historisch testament'. Hierin geeft hij in een aantal stellingen een samenvattend overzicht van de neutraliteit van zijn eeuw.26

De ironie van de geschiedenis wil dat ook Van der Brugghen een 'politiek testament' had nagelaten. In dit testament sprak hij openlijk uit dat het onderwijs van de kerk behoort uit te gaan. Iets wat Groen ook eens heeft voorgestaan: 'kerkgemeentelijk’

scholen. Duidelijk stelde Van der Brugghen in zijn testannent dat 'het Christelijk onderwijs in zijn eigen natuurlijk alleen regelmatig en bevoegd kanaal {moet worden) overgebragt: dat der kerkelijke school, der school van de kerk uitgaande en waarover zij toezigt voert'.^'' Hij verlaat hiermee niet alleen zijn eerder fel verdedigde standpunt van de gemengde overheidsschool, zoals deze in de wet van 1857 was vastgesteld, maar ook de 'associatieschool'. Had hij tot 1860 de Bijzondere School de Eerste Klasse (associatieschool) het 'enige kanaal' genoemd, nu stelde hij dat aan deze schoolvorm veel bezwaren kleefden. Hij wilde dan nog liever een school voor eigen rekening bouwen, maar boven alles verkoos hij nu de kerkelijke school. Christelijk onderwijs moet teruggebracht worden 'in de handen, waarin het behoort, in de handen der Kerk'.^s In het Réveil leefde deze gedachte ook. Zo wilde Wormser het onderwijs ook van de kerk doen uitgaan: men zou moeten proberen... 'welgezinde kerkelijke gemeenten in staat te stellen, op blijvende wijze, uitgaande van de gemeenten, eene school te stichten voor die gemeente'.29 Dit streven naar 'kerkgemeentelijke' scholen kende in het Christelijk Nationaal Schoolonderwijs eveneens aanhangers. Praktisch wil dit zeggen dat de scholen dan uit zouden gaan van de Hervormde Kerk. Hiertegen hadden velen onder de Afgescheidenen bezwaar.30

Het is niet onbegrijpelijk dat de vraag zich voordeed in welke richting het christelijk onderwijs en het schoolwezen zich moesten gaan bewegen als Gods Woord tot richtsnoer genomen werd. Toen Kuyper het vaandel overnam, gaf hij op de gestelde vraag een duidelijk antwoord. Voor hem was de ouderschool, de associatieschool, de aangewezen weg, omdat de opvoeding van de kinderen aan de ouders wordt opgedragen. Dit standpunt droeg hij uit en verwoordde dat in zijn theorie van de 'soevereiniteit in eigen kring'. Hij meende zich gesterkt in deze overtuiging omdat én Groen én Van der Brugghen vele jaren gestreefd hebben naar het i-deaal: de vrije, de ouderschool voor heel de natie!^^ Wat Groen van Prinsterer node heeft aanvaard en Van der Brugghen node heeft losgelaten, nam Kuyper als uitgangspunt.

In zijn 'Antirevolutionaire Staatkunde' (1916, p. 461) verwoordde Kuyper nog eens dit standpunt: 'Sedert het optreden van Groen van Prinsterer in 1869 tegenover Beets te Utrecht, was alle denk-

beeld ons vreemd geworden, om een accoord te zoeken tusschen de Openbare School en den eisch der Christelijke religie bij de opvoeding der jeugd; en zelfs Groan's terugval kort vóór zijn sterven in 1876, was meer een coup de désespoir \jan den door zijn troepen verlaten en zoo bitterlijk teleurgestelden "veldheer". Naar dit laatste droeve incident mag echter de positie als zoodanig niet beoordeeld worden. Steeds weer moeten we teruggaan op 1869’.

‘Soevereiniteit in eigen lering’

De anti-revolutionaire politiek berustte op de belijdenis van de soevereiniteit Gods en van de soevereiniteit in eigen kring. Alle gezag op aarde daalt van God af en dient in dit leven gehoorzaamd en eerbiedigd te worden. Volgens Kuyper behoorde de soevereiniteit in eigen kring tot de schepping. Deze schepping van God is 'een groote rijkdom van levenskringen, die elk van Hem hun eigen aard hebben ontvangen, en een eigen wet voor hun leven, maar ook weer op elkander aangelegd, te zamen een organische eenheid vormen. Door de zonde is de harmonische ontsluiting van dezen organischen samenhang verbroken, gaat de eene levenskring tegen den anderen in. Komt er strijd en gevaar voor vernietiging. En nu heeft God, Die in en door Jezus Christus Zijn schepping behoudt, in Zijn Gemeene Gratie naast en boven die levenskringen een kring, dien van het Overheidsgezag, den staatskring gegeven, die de taak heeft om de rechten van de verschillende kringen te beschermen, te handhaven'.32 De overheid is er 'om der zonden wil' en daarna ingekomen. De 'soevereiniteit in eigen kring' geldt uitsluitend en alleen voor een bepaalde kring (onder andere gezin, wetenschap), terwijl de soevereiniteit in de staat heel het terrein van het nationale bestaan bestrijkt. De verschillende kringen hebben hun soevereiniteit te verdedigen naar de wil van God. De taak van de overheid is, te zorgen dat het leven in die kringen zich kan ontplooien naar de eigen aard en volgens Gods wet.33. in zijn rede 'Soevereiniteit in eigen kring' wijst Kuyper in dit verband op de betekenis van het réveil, van de reformatie van de kerk en op de strijd van de gezinskring tegen de neutrale school.33

Kuyper geeft Groen van Prinsterer de eer deze uitdrukking 'soevereiniteit in eigen kring' te hebben gevonden.3'' Groen spreekt in zijn boek 'Ongeloof en Revolutie' over 'meester in de kring van eigen rechten': aan niemand verantwoording schuldig dan aan God.^s Tegenover de richting die de mens in het middelpunt stelde, wilde Groen de soevereiniteit Gods doen spreken op ieder terrein, ook op het terrein van het onderwijs, zij het dat Groen de samenlevingsorde meer historisch bepaald ziet. IVIodernisme en liberalisme huldigden de soevereiniteit van de mens; Calvinisme en anti-revolutionairen streefden naar de soevereiniteit Gods. Gods wil is de regel waarnaar de mens moet handelen.

Dat principe geldt ook in de opvoeding.

In de Heilige Schrift wordt bevolen dat de kinderen dienen te worden onderwezen 'in de voorzeide leer', in de leer en de vermaning des Heeren. Ouders beloven dit bij de doop van hun kind(eren). Bij de keus van de school moeten zij de doopbelofte gedenken. De anti-revolutionair kiest dan 'de school die uitgaat van de ouders en kan niet meegaan met hen, die ijveren voor de overheidsschool. Alleen dan wanneer de ouders in gebreke blijven aan hun plicht te voldoen, dan zal eerst de staat moeten ingrijpen en de zaak van het onderwijs ter hand nemen. Hier komt nog bij, dat het karakter van de school, die de Anti-revolutionair wenscht, Christelijk is. Dat vloeit voort uit zijn christelijk-historisch beginsel'.3^ Het is volgens Kuyper beslist niet toegestaan dat de staat zich plaatst tussen het hoogste gezag - God als de grote Soeverein - en de ouders, als gehoorzamende aan die grote Soeverein. Dus geen staatsinmenging. Of de staat moet ingrijpen, hangt af van de eigen zedelijke spankracht van de verschillende levenskringen.37

De school aan de ouders

De leidende gedachte bij Kuyper was dat het onderwijs vrij behoort te zijn. Het onderwijs moet zich naar eigen aard, naar innerlijke levenswet kunnen ontwikkelen. Kuyper zei het zo: 'Wij strijden voor een beginsel. Voor het beginsel dat een volksschool een eigen leven heeft, en dat dientengevolge zelfstandigheid toekomt'.38 Dit streven naar zelfstandigheid maakte de Grondwet helaas niet mogelijk. Daarom richtte zich Kuypers strategie daarop, niet met de bedoeling zijn beginsel in de Grondwet verankerd te krijgen, maar dat het onderwijs vrij terrein moet zijn. Het schoolstelsel mag de ontwikkeling van de school in de richting van de toekomstige zelfstandigheid niet in de weg staan.

Maar volgens Kuyper is het niet alleen de staat die deze ontwikkeling belemmert. Ook de kerk heeft de neiging de school te annexeren. Zo was de lagere school in vroeger eeuwen een stichting van de kerk; in later tijd, en met name na 1789, is zij in handen gekomen van de revolutionairen. Deze hadden ook een systeem opgebouwd uit een be-

ginsel, dat zij in plaats van 'Cliristelijl< beginsel tot levensmacht der Europeesche natiën wilden verheffen, ook zagen zij in dat de school daarbij als middel van propaganda dienst moest doen'.^s oe school werd zodoende een middel om ongeloofstheorieën te verbreiden.

Er is in deze gedachtengang van Kuyper maar één geneesmiddel denkbaar om een einde te maken aan deze ongewenste situatie: de school niet aan de kerk, niet aan de staat, maar aan de ouders. Hij zei: 'Verklaar de school zelfstandig, onthef ze van haar dienstbaarheid, maak de school vrij'."" Dan alleen kan de school gehoorzamen aan haar eigen wet, want in de ouders komen kerk en staat samen. Zij zijn immers leden van de kerk en burgers van de staat. De school moet dan ook aan de ouders komen, want door het sturen van hun kinderen naar de school nemen zij een beslissing die van levensbelang is voorde kinderen. De enigen die de macht toekomt zijn de ouders, die het recht van beschikking hebben over hun kinderen. Maar dat wil niet zeggen dat de staat geen enkele bemoeienis met het onderwijs mag hebben. De staat heeft te waken tegen misbruik van de vaderlijke macht. De staat is dan ook alleszins bevoegd tot het invoeren van de schoolplicht en het geldelijk ondersteunen van de ouders, waartoe de staat geroepen is.

Het onderwijsartikel naar enitele Programs van beginselen van de ARP

Vanuit het gezichtspunt van de Goddelijke opdracht de kinderen in de 'voorzeide leer' te (laten) onderwijzen, is het onbetwistbaar dat de opvoeding, in de breedste zin, tot de plicht van de ouders behoort. Dat houdt in dat in de kring van de ouders het levensterrein, waarop de school een zelfstandig leven kan leiden, gezocht moet worden. Deze vrijheid van onderwijs brengt mee dat in geldelijk opzicht aan de ouders gelijke rechten moeten worden toegekend. Daarmee valt of staat de toepassing van het beginsel, zoals in het program van beginselen van de ARP is uitgedrukt, wanneer het verlangt dat de overheid het beginsel late varen, dat zij geroepen zou zijn van harentwege onderwijs te geven. Artikel XII van het beginselprogram uit 1878 luidde als volgt:

1878. Artikel XII. 'Zij wil dat de staat (voor zoover ontstentenis van veerkracht bij de burgerij hiertoe niet noodzaakt) het beginsel late varen, alsof de Overheid geroepen zou zijn, om van harentwege onderwijs te doen geven; voorkome dat de Overheidsscholen, voor zoover nodig, tot propaganda van godsdienstige of tegen den godsdienst gekeerde begrippen misbruikt worden; en alzoo ook in zake onderwijs aan alle burgers, onverschillig welke hunne godsdienstige of paedagogische zienswijze zij, gelijke rechten gunne’.

Op de vraag wie dus volgens dit artikel verantwoordelijk is voor de opvoeding van de kinderen, antwoordt de anti-revolutionair dat dit noch de staat noch de kerk, maar de ouders zijn. Opvoeding is namelijk een breed terrein, want niet alleen de zedelijke, de lichamelijke maar ook de verstandelijke ontwikkeling hoort erbij. Juist op dit laatste terrein komt de school in het vizier.

Al is het waar dat de hulp van de kerk en van de staat bij de opvoeding niet gemist kunnen worden, toch kunnen ouders hun verantwoordelijkheid niet op een van beide afwentelen. Daar komt bij dat in de loop van de tijd een verschuiving is opgetreden in de plaats die de school inneemt ten opzichte van de opvoeding in het gezin. Ouders zijn (veelal) niet in staat hun kinderen de vereiste (intellectuele) kennis bij te brengen en staan dat af aan de school, zij het dat zij verantwoordelijk blijven voor het onderwijs dat zij aan hun kinderen laten geven. De school kan echter niet vermijden dat zij zich inlaat met de opvoeding van de kinderen, omdat beginselen niet op zichzelf staan, maar ingebed zijn in een levensovertuiging. De school is dan het verlengstuk van het gezin.

Wie dus de opvoeding van de kinderen als primair erkent, moet, volgens de anti-revolutionair, ook het recht van de ouders erkennen dat zij beslissen over de aard en de richting van het onderwijs dat op school gegeven wordt. Het geven van onderwijs behoort van nature dan ook niet tot de taak van de overheid. De vrije school behoort regel te zijn, de openbare school aanvulling uit nood.^^

Dit artikel spreekt daarnaast nog over het verlangen dat propaganda van godsdienstige of tegen de staat gekeerde begrippen geweerd wordt. Simpel gezegd; de openbare school moet neutraal zijn, zij het dat onthouding van propaganda niet gelijk is aan neutraliteit, een woord zonder inhoud.

Artikel IV van Ons Program van 1878 stelde echter dat de overheid, als dienaresse Gods, haar taak met betrekking tot de geestelijke volksbelangen het best kan vervullen door aan het Evangelie de vrije loop op het volksleven te gunnen en door zichzelf te onthouden van elke rechtstreekse bemoeiing met de godsdienstige ontwikkeling van ons volk. Zij moet zich dan ook inzetten voor het oprichten van neutrale bijzondere scholen, maar zich zoveel mogelijk ontdoen van haar taak om onderwijs te geven. En indien de noodzaak zich voordoet dat er openbare scholen moeten blijven, omdat er een gemis aan veerkracht bij de burgerij is, dient het beheer van die scholen overgedragen te worden

aan plaatselijke commissies, die door de ouders van de schoolgaande kinderen worden benoemd.42

1916: artikel XII

Het onderwijsartikel uit het ARP-program van beginselen naar de inhoud van 1916 is gelijkluidend met de vroegere redactie.''^ Niettemin constateert Colijn dat het artikel in 1916 enige uitbreiding heeft ondergaan waarvoor de toelichting ontbreekt."" Het zou kunnen zijn dat het de volgende zin is: 'Haar devies blijft, dat de vrije school regel moet zijn, en dat de Openbare school niet anders mag zijn dan aanvulling. Een tweede mogelijkheid is dat 'inzake onderwijs' twee keer weggelaten is in de zin 'en alzoo... gunne’!

Voor wat de strekking van het artikel betreft, is er geen verandering opgetreden.

1934. Artikel XIII

De redactie van dit artikel luidde: 'Zij wil, dat de Staat (voor zoover ontstentenis van veerkracht bij de burgerij hiertoe niet noodzaakt) het beginsel late varen, alsof de Overheid geroepen zou zijn, om van harentwege onderwijs te doen geven; voorkome dat de overheidsschool, voor zoover noodig, tot propaganda van godsdienstige of tegen den godsdienst gekeerde begrippen misbruikt worde; en alzoo aan alle burgers, onverschillig welke hunne godsdienstige of opvoedkundige zienswijze zij, in zake het onderwijs gelijke rechten gunne. Haar devies blijft, dat de Vrije School regel moet zijn, en dat de Openbare School niet anders mag zijn dan aanvulling. Voorts behoort het beginsel van vrijheid ook bij het Middelbaar en Hooger Onderwijs tot verdere ontwikkeling te komen’.

De bespreking van dit artikel in de Toelichting op het anti-revolutionair beginselprogram draagt een iets ander karakter dan dat uit het jaar 1878. Sinds de Grondwetsherziening van 1917 en de Lager onderwijswet van 1920 had dit aan actualiteit ingeboet voorzover het de vraag betrof op welke wijze de schoolstrijd het best ware op te lossen. Kuyper had erkend het onderwijsartikel uit het program van 1878 geschreven was 'onder den vollen indruk van Kappeyne's aanslag op het vrije onderwijs'."s Bovendien handelde het onderwijsartikel uit 1878 overwegend over het lager onderwijs.

Intussen hebben de ontwikkelingen zich voortge­ n zet en vraagt het middelbaar en hoger onderwijs om een standpuntbepaling. De formulering van het oudste artikel is volgens Colijn voor verbetering vatbaar, omdat zij 'de taak van de overheid bij de onderwijsvoorzieningen wel wat te veel op den achtergrond houdt'! De eis tot wijziging is echter niet aanwezig omdat de leidende gedachte duidelijk is verwoord: het onderwijs behoort vrij te zijn. Bovendien is de onderwijsparagraaf een 'monument uit onzen schoolstrijd’.46

1964: artikel XI

Het program van beginsel (1964) stelde: 'Het is een zaak van openbaar belang, dat voldoende gelegenheid tot het ontvangen van deugdelijk onderwijs bestaat en dat aan ieder de mogelijkheid verschaft wordt de opleiding te volgen, welke bij zijn aanleg past. Als uitvloeisel van haar plicht tot handhaving van de geestelijke vrijheid heeft de Overheid aan haar zorg hiervoor - overeenkomstig het richtsnoer: de vrije school regel, de openbare aanvulling - de vrijheid van schoolkeuze ten grondslag te leggen.

De eigen verantwoordelijkheid van de ouders voor de opvoeding en ontplooiing van hun kinderen moet metterdaad door haar worden erkend. De ge-

lijkstelling van bijzonder en openbaar onderwijs geschiedde in financieel en ander opziclit op een wijze, welke de vrijheid van het bijzonder onderwijs eerbiedigt en waarborgt'.

In tegenstelling tot de genoemde onderwijsartikelen uit vroegere programs van beginselen, opent dit artikel uit 1964 met een positieve uitspraak over de taak van de overheid met betrekking tot het onderwijs door te spreken van 'een zaak van openbaar belang'. Dit houdt niet in dat onderwijs uitsluitend een taak van de overheid is.

Wat door Colijn voorzichtig geformuleerd is bij de toelichting van dit artikel - de taak van de overheid blijft te veel op de achtergrond - keert hier in versterkte mate terug.

De anti-revolutionairen geven nog niet hun overtuiging van de vrije school prijs, want volgens 'Antirevolutionair bestek' staat zij ook nu nog 'op het standpunt dat het niet de eigen taak van de overheid is, te onderwijzen en op te voeden. Dat is (...) een zaak van "de eigen verantwoordelijkheid van de ouders" en van de vrije maatschappelijke instellingen’.

Die overtuiging 'sluit niet uit de erkenning voor een eigen, positieve taak van de overheid terzake van het onderwijs. Die taak ligt bij wijze van spreken aan de buitenkant ervan. Zij bestaat uit het scheppen van mogelijkheden'.*'' Van de overheid wordt in principe de bereidheid gevraagd om initiatieven van ouders te steunen en te honoreren. De overheid moet de eigen verantwoordelijkheid van de ouders voor de opvoeding van hun kinderen erkennen. Dit artikel verlangt dat de ouders een vrije schoolkeuze kunnen doen, omdat de school van groot belang is voor de geestelijke vorming van het kind. En aangezien de ouders verantwoordelijk zijn voor de opvoeding van hun kind(eren), dienen de ouders de school er nauw bij te betrekken.

In eerder genoemde onderwijsartikelen met de daarbijbehorende toelichtingen werd 'het wel eens gesteld, dat de school een deel van de taak van de ouders overnam, men maakte dan van de school een verlengstuk van het gezin en van de schoolmensen een soort lasthebbers van de ouders. "De school aan de ouders" was de leuze. De toelichting van het beginselprogram van 1964 bij artikel 11 rekent met deze visie af: De leuze 'de school aan de ouders' is 'te simplistisch, omdat zij de suggestie wekt, als zouden de ouders "baas" in de school moeten zijn. Ook voor bijzondere scholen berust de bestuurstaak niet zelden bij anderen dan bij ouders’.48

Dit beginselprogram spitst dan ook 'de zorg van de overheid op twee zaken toe: 'de zorg, dat er voldoende gelegenheid is tot het ontvangen van deugdelijk onderwijs, én de zorg, dat ieder opgroeiend mens de opleiding kan krijgen, die bij zijn of haar aanleg past’.49

Dit artikel 11 uit program van beginselen van 1964 kent de overheid 'een hoge, uitermate gewichtige taak, maar toch ook een beperkte taak toe'.^o Op dit punt ontmoeten de bevoegdheden van de overheid en de rechten van de burgers elkaar. De Toelichting op dit artikel vermeldt, dat in die confrontatie de overheid een voorsprong heeft. Zij bezit dwingende macht en stelt middelen ter beschikking. De school blijkt niet alleen van de ouders te zijn.

Besluit

Het moet worden erkend, dat 'de school aan de ouders' school gemaakt heeft. De geschiedenis heeft echter uitgewezen dat theorie en praktijk niet altijd samengaan. Zo dichtte het program van beginselen uit 1964 de overheid een duidelijk positieve taak toe met betrekking tot het onderwijs, onder beding van het grote goed van de vrijheid van onderwijs. Niettemin is de 'visie van 1964' in de filosofie van 'de school aan de ouders' een duidelijke kentering.

We komen misschien voor de vraag te staan of er niet sprake is van een kruisverkeer tussen de opvattingen van de ARP en de SGP. Voor de SGP is de Gereformeerde overheidsschool nog steeds het ideaal. Zij houdt de overheid voor dat het onderwijs in zijn verschillende vormen overeenkomstig Gods Woord moet zijn. De werkelijkheid voor de SGP is dat helaas gerekend moet worden met een overheid die geen of weinig rekening houdt met haar dure roeping. In de ontwrichte werkelijkheid is zij gaan streven naar verdediging van bestaansrechten en bestaansmogelijkheden van werkelijk christelijk onderwijs, zoals dat door haar achterban wordt begeerd.

Bij de ARP lijkt zich een tegengestelde beweging te hebben voorgedaan: van 'de school aan de ouders', met een negatieve taak voor de overheid ten aanzien van het onderwijs, naar een duidelijke erkenning van de taak van de overheid. Ook de ARP moest en wilde erkennen dat er een moment aanbreekt waarop de overheid inspringt. De leuze 'de school aan de ouders' gaat inderdaad te ver.

Een tweede vraag is welke taak er weggelegd is voor de kerk, voor wat het onderwijs op de school betreft, als stringent wordt vastgehouden aan de gedachte van 'De school aan de ouders'. Deze vraag is niet af te doen door te verwijzen naar 'geestelijke vrijheid', te meer niet daar de overheid.

als dienaresse Gods, wordt aangesproken.

Een derde vraag is: heeft de strijd om 'de school aan de ouders' geleerd dat anno 1987 nog wordt beseft wat vrijheid van onderwijs waard is? Deze vraag klemt te meer, wanneer naar aanleiding van de Troonrede moet worden opgemerkt dat de onderwijspacificatie niet meer buiten gevaar is. Voor het CDA, waarin de ARP is opgegaan, moge de schoolstrijd van haar parlementaire voorvaderen voor vrijheid van onderwijs een baken in zee zijn.

Literatuurvermeldingen

1 .H. Bavinck, De taak van het GereformeerdSchoolverband, (Hilversum z.j.) 3.

2.D. Langendijk, De Schoolstrijd {'s-GravenUage 1935), 198-201; T.M. Gilhuis, Memohetafel van het christelijk onderwijs {Kampen z.j.), 1987; Bavinck, Gereformeerd Schoolverband, 15.

3.H.W. van der Vaart Smit, De toekomst der lagere sc/joo/(Amsterdam 1925), 14.

4.Geciteerd in: Van der Vaart Smit (1925), 15.

5.H. Golijn, Woord vooraf, in: Van der Vaart Smit (1925), 6; H. Golijn, Saevis tranquillus in undis. Toelichting op het anti-revolutionair beginselprogram (Amsterdam 1940), 2e druk, 293-294.

6. Er is niet nagegaan of de leus van Kuyper is of dat hij deze gevonden en gebruikt heeft.

7.Gilhuis, Memohetafel, 66.

8.P.A. Diepenhorst, Groen van Prinsterer (Kampen 1932), 390.

9.Gilhuis, Memohetafel, 35.

10.B.V.: Synodes van Antwerpen (1565), Dordrecht (1574), Middelburg (1581), Den Haag (1586) en Dordrecht (1618-1619). Laatstgenoemde stelde zelfs een speciaal ondertekeningsformulier vast, waarmee schoolmeester verklaarden In te stemmen met de leer van de kerk.

11 .M. Burggraaf, Christelijk onderwijs vandaag (Kampen 1985), 43-44.

12.Geciteerd in: Diepenhorst, Groen van Prinsterer, 390.

13.lbidem; Gilhuis, Memohetafel, 89-90.

14.Diepenhorst, Groen van Prinsterer, 393; A. Veerman, 'Onderwijs', in: Anti-revolutionair bestek (Aalten 1964), 148-169, aldaar 149.

15.Diepenhorst, a.w., 405.

16.Diepenhorst, a.w., 405-406.

17.Diepenhorst, a.w., 406.

18.W. Aalders, 'Theocratie en mensenrechten', in: Civis Mundi, januan 1980, 14-17, aldaar 15.

19. Diepenhorst, Groen van Prinsterer, 433.

20.C.E. Koetsveld, Het ontstaan, de beginselen en de geschiedenis van onzepolitiekepartijen{\Jtrechtz.'\.).

21 .Te laag schoolgeld en soms kosteloos onderwijs (met geld uit de beurzen van de tegenstanders) moet de kinderen naar de openbare school lokken; op veel plaatsen bekleedden de onderwijzers op de openbare scholen bezoldigde kerkelijke betrekkingen en met hetgeen zij daaruit trokken werd rekening gehouden bij de bepaling van hun salahs, zodat dus kerkelijke fondsen indirect moesten dienen ter bestrijding van het bijzonder ondenwijs. Zie Koetsveld, Politieke partijen, 370, noot 320.

22.Koetsveld, Politieke partijen, 370.

23.lbidem.

24.Langendijk, Schoolstrijd, 116; J.G. Rullmann, 'Kuyper - Lohman - Hoedemaker' in: Anti-revolutionaire Staatkunde (Kampen 1933), 39-46.

25.Anti-revolutionaireStaatkunde, ^0e]rg. (^934), A7-48.

26.Het betreft de volgende stellingen:1. In ons isolement ligt onze kracht. 2. Ook op het oordeel van den geringste naar de wereld moet worden gelet, omtrent vragen welke met hart en geweten, met geloof en chnstelijke pligtbetrachting, in verband staan. Ook van den gehngste naar de wereld, die zijne levenswijsheid in de Heilige Schrift zoekt.

3. Het verderfelijke van de Onderwijswet van 1857 (in haar hoofdbeginsel: de Neutrale Staatsschool) is en komt dagelijks meer aan de orde van den dag. Het bedriegelijke der Neutraliteit. Het is in deze Neutraliteit, die op consciëntiedwang uitloopt, dat zich de karaktertrek onzer Eeuw, de strijd tegen den levenden God, openbaart.

4. Op uitblussching van dit verteerend vuur, op uitroeijing van dezen wortel der bitterheid, moet bedachtzame voortvarendheid gerigt zijn.

5. De Onderwijskwestie is voor elk, die Regt voor allen begeert, tot klaarheid gebragt.

6. De Wet van 1857 is strijdig met den levensader van de Nederlandsche Republiek.

7. Deze wet is strijdig met het beginsel ook der gemengde school, gelijk ze door den wetgever van 1806 en den grondwetgever van 1848 bedoeld werd.

8. Niet door de overmagt der tegenstanders, maar door gebrek aan eensgezindheid der Christelijke vrienden, kwam deze heillooze wet van 1857 tot stand.

9. Ernstige bestudeering van het staatsregtelijk probleem (bestudering waaraan het, zelfs in 1875, nog al te zeer ontbreekt) zal aan afwerping van het Cesaropapistische dwangjuk van het Staatsidee moeten voorafgaan'.

27. Langendijk, Een 'politiek testament' van Van der Brugghen in: Anti-revolutionaire Staatkunde (Kampen 1929), 407.

28. Langendijk, Politiek testament, 407.

29.Langendijk, Politiek testament, 399. Zie ook: J. Mulder, Lerende hen onderhouden (1985).

30. Langendijk, Schoolstrijd, 112.

31. Langendijk, Politiek testament, 409.

32.A. Zijlstra, Souvereiniteit in eigen kring. Antirevolutionaire Staatkunde (Kampen 1936), 289-313, aldaar 290.

33.Zijlstra, Souvereiniteit, pastim; A. Kuyper, Souvereiniteit in eigen khng. Rede ter inwijding van de Vrije Universiteit (Amsterdam 1880).

34.A. Kuyper, Souvereiniteit, 17.

‘Of Groen de idee van de soevereiniteit in eigen kring heeft gekend, is omstreden. Kuyper noemt Groen als degene die de uitdrukking heeft bedacht. Dooyeweerd beweert stellig dat Groen de gedachte niet heeft gekend. De reden daarvoor is dat Dooyeweerd bij Groen het inzicht mist dat het functioneren van een bepaald samenlevingsverband en de uitoefening van het gezag daarbinnen normatief verbonden zijn met de in de schepping gefundeerde eigen aard van het desbetreffende verband. Groen ziet de samenlevingsorde veel meer verbonden met de geschiedenis: in het historisch gegroeide ziet hij de door God gegeven norm’.

H.G. Geertsema, 'De actualiteit van "De souvereiniteit

in eigen l< ring"', in: Beweging 85, april 1985, 22-28, aldaar 22; Groen van Prinsterer, Over de vrijheid van onderwijs ('s-Gravenhage 1848).

35.G. Groen van Prinsterer, Ongeloof en Revolutie{Frane ker1951), 43-59, aldaar 51.

36.Langendijk, Schoolstrijd, 123.

37.G. Holdijl< , Denizen over l< erl< en staat in de nege tiende eeuw (op zoek naar de oplossing vooreen onoplosbaar probleem) in: Woord en vi/erkelijkheid (Nijkerk 1973), 111-160.

38.A. Kuyper, Van de Scholen, in: Ons Program (Amster dam 1879), 11, 517.

39.Kuyper, Van de Scholen, 515.

40. Kuyper, Van de Scholen, 516.

41.ColiJn, Saevis tranquillus in undis, 286.

42.Colijn, Saevis tranquillus in undis, 286.

- 43, Colijn, a.w., 621.

44.Colijn, a.w., 283.

n­ 45. Kuyper, Antirevolutionaire Staatkunde (Kampen 1917), 11, 460.

46.Colijn, Saevis tranquillus in undis, 283.

47.Veerman, Onderwijs, 153.

48.Veerman, Onderwijs, 161.

­49.Veerman, Onderwijs, 153.

50.Veerman, Onderwijs, 166.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1987

Zicht | 40 Pagina's

Abraham Kuyper en de school aan de ouders

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1987

Zicht | 40 Pagina's

PDF Bekijken