Bekijk het origineel

Een eigen weg

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Een eigen weg

10 minuten leestijd

Een eigen weg

De kleine confessionele partijen worden wel eens aangeduid met horzels in de pels van het CDA. Deze constatering lijkt ingegeven door een wensdenken van de zijde van SGP, GPV en RPF. Wie het aantal zetels van de drie partijen met die van het CDA vergelijkt, moet toch wel ontnuchterd zijn? Toch verkeert men in de positie dat het CDA ter verantwoording kan worden geroepen over de eigen identiteit. RPF-fractievoorzitter Leerling zwengelde in 1992 de discussie aan (in verband met het afleggen van de eed in de Tweede Kamer door de hindoe Ramlal) en in reactie hierop was in het CDA een kakofonie van opvattingen over de eigen identiteit te vernemen. Was het CDA nu christelijk of christen-democratisch, was zij confessioneel of juist niet?

De ontstaansgeschiedenis van het Christen Democratisch Appèl (alsmede de integrerende en complicerende factoren hierbij) is voorwerp van onderzoek in de dissertatie van H.-M.T.D. ten Napel, docent politicologie aan de Rijksuniversiteit Leiden en synodaal-gereformeerd. Zijn dissertatie is in mei 1992 aangeboden aan de oprichter van het CDA, Steenkamp, en aan de huidige fractievoorzitter en kandidaat-premier Brinkman.

1. OPZET VAN HET BOEK

In het eerste hoofdstuk worden enkele hoofdlijnen van de geschiedenis van ARP, CHU en KVP en hun onderlinge verhouding tot 1952, geschetst. Vervolgens wordt in de volgende hoofdstukken chronologisch het politieke proces weergegeven dat tot de totstandkoming van het CDA heeft geleid. In een slotbeschouwing worden de integrerende en complicerende factoren in het eenwordingsproces op een rijtje gezet.

Het accent in het boek ligt op de discussies over de grondslag en de politieke koers tussen en binnen de partijen, die de rode draad in de ontstaansgeschiedenis van het CDA vormen. Zoals Ten Napel reeds in zijn inleiding vermeldt zijn de grondslag en de politieke koers de twee voornaamste identificatiepunten van confessionele en christen-democratische partijen.

2. FASEN IN DE ONTSTAANSGESCHIEDENIS

(a) 1952-1966: idee van samenwerking. Ten Napel begint zijn studie in 1952, omdat in dat jaar vooraanstaande leden van de ARP, CHU en KVP toetraden tot de christen-democratische fractie in de Gemeenschappelijke Vergadering van de EGKS. De ARP ondergaat in deze periode een beleidsmatige heroriëntatie van traditioneel-antirevolutionair naar evangelisch-radicaal. Tot behoud van een georganiseerde protestants-christelijke invloed en vanwege de principiële verwantschap tussen ARP en CHU bepleit Berghuis een protestantschristelijke volkspartij. In de KVP wordt reeds in 1958 gesproken over de oprichting van een christelijke volkspartij, maar een partijformatie van katholieken en protestanten gaan ARP en CHU te ver. In de KVP tekenen zich twee stromingen: enerzijds het Democratisch Centrum Nederland met een christen-democratische volkspartij gebaseerd op de zedelijke beginselen van christendom en humanisme voor ogen (Couwenberg c.s.), anderzijds de katholieke christen-democraten gericht op een volkspartij op algemeen-christelijke grondslag (Cals, Romme, Schmelzer e.a.)-In 1966 verschijnt het belangrijke structuurrapport Grondslag en karakter van de KVP waarvan de kern wordt gevormd door de aanbeveling de mogelijkheden van algemeen-christelijke partijvorming te onderzoeken en de KVP voorhoudt de partij los te maken van het 'confessionalisme' (het kerkelijk leergezag).

(b) 1966-1971: van gesprekken tot een urgentieprogram. Berghuis (ARP) is bezorgd over de programmatische verwoording van het christelijk geloof als basis en richting van de christehjke politiek. De CHU komt in deze periode tot de conclusie niet alleen besprekingen met de ARP, maar ook met de KVP te voeren. De Tweede Kamerverkiezingen van 1967 brengen de confessionele partijen definitief af van een parlementaire meerderheid. In dat jaar wordt de zgn. Groep van Achttien gevormd, een delegatie van 6 leden uit elk van de drie partijen. Deze Groep moet nagaan of de drie het eens kunnen worden over de uitgangspunten van de samenwerking en op welke wijze daaraan vorm kan worden gegeven. Parallel aan de officiële gesprekken roeren de radikale leden uit de drie confessionele partijen zich. In 1968 verlaten de KVPradikalen de partij en vormen de PPR. AR-radikalen verlaten in 1970 de partij. Deze groepen radikalen legden meer het accent op de poUtieke koers dan op de grondslag en wensten samenwerking met de progressieve partijen. In reaktie op het progressieve polarisatiestreven van PvdA, PPR en D'66 stelt de Stuurgroep van partij-en fractievoorzitters een gemeenschappelijk urgentieprogram van de drie op bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1971.

(c) 1971-1975: de prefederatie. De Kamerverkiezingen van 1971 zijn opnieuw desastreus voor ARP, CHU en KVP. De 'Amersfoort-groep' (radikalen uit ARP, CHU en KVP) pleit voor heropening van de discussie over de grondslag. In een Europees rapport wordt de wens van deconfessionalisering van de christen-democratische partij geuit (m.a.w. werven van aanhang op basis van een program, niet op grond van een expliciet-christelijke signatuur). Ook wordt in 1971 afgesproken uiterlijk 1975 een nieuwe christelijke volkspartij met één program en één kandidatenlijst tot stand te brengen alsmede te werken aan een duidelijke omschrijving van de relatie tussen grondslag en politiek handelen. Hiervoor wordt de zgn. Contactraad ingesteld.

Inmiddels is De Zeeuw aangetreden als partijvoorzitter van de KVP. Hij legt zijn hartewens op tafel: een nieuwe partij die put uit 'Christus' getuigenis voor het politieke handelen', maar open van karakter met erkenning van andere inspiratiebronnen naast het Evangelie. Fractievoorzitter Andriessen (KVP) honoreert de humanistische inspiratie, maar wenst alleen het Evangelie in de grondslag van de partij op te nemen.

Steenkamp als voorzitter van de Contactraad is de opsteller van de cruciale nota Op weg naar een verantwoordelijke maatschappij. Hierin wordt immers de zgn. antwoordfilosofie geproclameerd. Dit concept overstijgt de tegenstellingen tussen ARP (die een exclusief-christelijke grondslag wilde) en KVP (die op een 'open' grondslag hamerde). Het samenbindende element is niet het Evangelie, maar het politieke antwoord op de boodschap van het Evangelie. Daarnaast wordt in de nota gerept over een nieuw te vormen gemeenschappelijk bestuursorgaan met reële bevoegdheden en een nieuwe politieke combinatie, een 'christen-democratische beweging'.

De binnen het traditionele deel van de ARP gezaghebbende Algra is niet erg content met de nota: 'We hebben hier te maken met een humanistisch klinkend betoog, op één plaats opgehangen aan het evangelie als aan een spijker.' Ook binnen het CHU (o.m. Van Leijenhorst) leven ernstige bezwaren tegen de nota: 'Het samenbindende element van de christen-democratische partij is het beginsel, het uitgangspunt. Het is niet de afgeleide: de politieke strategie.' In de KVP gaat De Zeeuw akkoord met de nieuwe grondslagformule (geen nevenschikking van inspiratiebronnen).

De samenwerkingskaravaan trekt door: gemeenschappelijke studiedagen, gemeenschappelijke fractievergaderingen, gezamenlijk fractiewerk, een eigen bestuursorgaan, de introductie van het rechtstreekse lidmaatschap van het CDA, etc. Tijdens de 'conference' (75 vertegenwoordigers van de drie partijen) te Woudschoten (1975) wordt overeengekomen dat de nieuw te vormen partij het Evangelie als richtsnoer voor het politieke handelen zal aanvaarden. De commissie-Grosheide stelt in deze periode de ontwerp-federatiestatuten op.

(d) 1975-1976: de gemeenschappelijke lijst. De in Woudschoten genoemde datum van september 1976 voor één lijst brengt de gemoederen in beweging. De Zeeuw treedt mede naar aanleiding hiervan af. In de KVP wordt de noodprocedure besproken mocht de ene CDA-lijst er niet komen. ARP-fractievoorzitter Aantjes stelt dat kandidaat-vertegenwoordigers zowel moeten 'instemmen met' (i.p.v. 'aanvaarden van') het politieke program als met de uitgangspunten van de partij. Dit zorgt voor een nieuwe grondslagdiscussie binnen en tussen ARP, CHU en KVP. Zowel in CHU-als KVP-kringen worden de eisen aan de persoonlijke geloofsovertuiging van de hand gewezen. Het presidium van de ARP valt door Aantjes' opstelling uiteen.

Op het eerste CDA-congres houdt Aantjes een geruchtmakende rede (de zgn. Bergrede) met als kernpunt dat een beginselpartij en een open partij onverenigbaar zijn. Tevens geeft hij een uiteenzetting over hoe het Evangelie richtlijnen geeft voor het rechtstreekse politieke handelen.

Vooraanstaande ARP-ers, de KVP-en CHU-top leveren forse kritiek op Aantjes grondslagopvatting. Saillant detail is dat de CHU met een beroep op De Savornin Lohman (niet-christenen kunnen lid zijn van de CHU mits zij zich onderwerpen aan de 'ordinantiën Gods') de gesloten partij afwijst. Massale adhesiebetuigingen uit de achterban en gemeentelijke/provinciale samenwerking van de drie partijen redt uiteindelijk de ene CDA-lijst.

(e) 1976-1980: de laatste voorbereidingen. Eind 1978 komt de commissie-Verschuer met het rapport Grondslag en politiek handelen, waarin de eerdere opvattingen omtrent het samenbindende element (de politieke overtuiging) en de persoonlijke geloofsovertuiging (niet bevoegd daar naar te vragen) worden herhaald. Op aandringen van de ARP stelt een commissie het Program van Uitgangspunten op met daarin de bekende kernbegrippen: solidariteit, gerechtigheid, rentmeesterschap en gespreide verantwoordelijkheid. De ontwerp-statuten worden aanvaard, de drie partijen heffen zichzelf op en het momentum is daar wanneer op 11 oktober 1980 op het CDA-congres in Den Haag de fusie plaats vindt.

3. Complicerende en integrerende factoren

De factoren die een complicerende (-) dan wel integrerende (+) bijdrage hebben geleverd aan de totstandkoming van het CDA zijn:

- De wens bij belangrijke delen van de orthodox-protestantse en katholieke volksgroepen een expliciete relatie tussen het christelijk geloof en het politiek handelen te bewaren (+);

- De positieve ervaringen met de Europese christen-democratische samenwerking (+);

- Het veranderende kerkelijke, theologische, maatschappelijke en politieke klimaat na de Tweede Wereldoorlog (+);

- Meningsverschillen over de grondslag en de koers (-);

- Het dreigende verlies aan politieke invloed van ARP, CHU en KVP (+), maar niet gelijktijdig en in gelijke mate (-);

- De rol van personen (+ Steenkamp, - Aantjes);

- Eerst op topniveau, na stagnatie steun uit de achterban voor het christendemocratische eenheidsstreven (+);

- De relatief vijandige omgeving voor het fusieproces (vgl. de polarisatie van 'links' +)

In de slotbeschouwing wordt een interessante stelling met betrekking tot de relatie tussen de grondslag en de politieke koers geponeerd: de antirevolutionairen probeerden via een ondubbelzinnig christelijke grondslag een christelijk-sociale koers veilig te stellen, terwijl de katholieken hetzelfde wilden via een deconfessionalisering van de partij. De grondslagdiscussies hadden mede de politieke koers tot inzet (p. 370).

4. Evaluatie

Het proefschrift van Ten Napel is een politiek-historisch dokument over de ontstaansgeschiedenis van het CDA. De vele feiten, jaartallen en gegevens zijn uiting van de uitputtendheid van de studie, maar verhindert hier en daar wel de leesbaarheid. Wanneer cijfers e.d. in een kader waren opgenomen dan zou dit de overzichtelijkheid hebben vergroot. Een slotparagraaf aan het eind van ieder hoofdstuk met de belangrijkste bevindingen had eveneens verhelderend kunnen zijn.

Een meer inhoudelijk kritiekpunt is dat enerzijds wordt beklemtoond dat de confessionele partijen niet slechts emancipatiebewegingen zijn geweest, maar hun oorsprong vonden in het christelijk geloof. Wanneer deze unieke inspiratiebron van cruciale betekenis is voor een christen-democratische partij, had anderzijds verwacht mogen worden dat in het proefschrift - ruimer dan nu is gebeurd - meer aandacht zou zijn besteed aan de ontwikkelingen in de Rooms-Katholieke kerk, de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland. De veranderingen binnen deze kerken hebben ook hun weerslag gehad op het denken binnen ARP, CHU en KVP. De studie legt het accent op de partijpolitieke ontwikkeling, terwijl de godsdienstsociologische dimensies deze ontwikkeling fezeer onderbelicht blijven. Het samenspel van ontzuiling, secularisatie en deconfessionalisering blijft na lezing van het proefschrift als een abstraktie in de lucht hangen. De analyse van de ontstaansgeschiedenis heeft mijns inziens daarom niet het karakter van een diepteboring.

Daarnaast vind ik het jammer dat in de slotbeschouwing geen positionering van het CDA ten opzichte van de in de antirevolutionaire traditie staande GPV en RPF plaats vindt. Ook in de rest van het boek wordt het ontstaan van deze twee partijen slechts marginaal aangestipt.

5. Tenslotte

De ontstaansgeschiedenis van het CDA moet ook staatkundig-gereformeerden aanspreken vanwege de discussies over de relatie tussen grondslag en politieke koers. Die discussie gaat overigens binnen het CDA nog altijd door. De Beweging Christelijke Koers herinnert het CDA continue eraan haar politieke koers te blijven richten naar het Program van Uitgangspunten. Wanneer christelijke politiek naar Schrift en confessie het uitgangspunt is, dan mag ze zich als een betrokken horzel in de pels van het CDA (blijven) nestelen.

H.-M.T.D, ten Napel, Een eigen weg. De totstandkoming van het CDA (1952-1980), Serie Historische Boekerij deel \, Kok Kampen, 424 bladzijden, ƒ 65,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 december 1993

Zicht | 45 Pagina's

Een eigen weg

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 december 1993

Zicht | 45 Pagina's

PDF Bekijken