Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ware religie rechtvaardigt nog geen opstand

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ware religie rechtvaardigt nog geen opstand

12 minuten leestijd

BOEKBESPREKING

drs. K. van der Zwaag, redacteur kerkelijk leven bij het Reformatorisch Dagblad

Mag opstand tegen de overheid, óók als het om bescherming van de ware religie gaat? Juist het accent op de overheid als een goddelijke instelling, maakten de hervormers kopschuw voor elke revolutie en opstand, zélfs wanneer het om een goed doel, de bescherming van de christelijke religie, ging. Die conclusie is te trekken uit het recent verschenen proefschrift van Jürgen-Burkhard Klautke, cum laude gepromoveerd aan de (vrijgemaakte) Theologische Universiteit van Kampen op het onderwerp Recht auf Widerstand gegen die Obrigkeit?

Het boek bevat een "systematisch-theologisch" onderzoek naar de motieven van geweldtoepassing tegen de overheid. Maar liefst achttien eeuwen passeren de revue in dit zeer lijvige boekwerk (waarvan een apart deel noten). Het boek biedt een uitstekende gelegenheid om kennis op te doen van het overheidsdenken zoals dat zich in de loop der eeuwen ontwikkelde. In dit artikel zullen we ons met name richten op de reformatorische visie die in de dissertatie uiteengezet wordt.

De studie van Klautke lijkt zeer sterk op het vorig jaar verschenen proefschrift van J.W. Sap W over calvinisme en verzetsrecht, maar de conclusies staan behoorlijk tegenover elkaar. Zag Sap het calvinisme (vooral in de kring van de monarchomachen) als een wegbereider van de revolutie, voor Klautke staat het vast dat in de christelijke traditie revolutie en overheidsgezag twee tegenovergestelde begrippen waren, waarbij de voorkeur duidelijk naar de tweede pool overhelde. Dat betekende voor christenen echter geen slaafse gezagsgetrouwheid, maar wel respect voor Gods ordeningen, ook wanneer de publieke ambten van de overheidsdienaars voor verkeerde doeleinden misbruikt werden.

Allereerst enkele opmerkingen over de structuur van het proefschrift. In de pers is al de kritiek geuit op de gebrekkig systematische opzet daarvan. Het boek geeft een uitgebreid historisch overzicht van het verzetsrecht vanaf de oudheid tot aan de Duitse Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant, bijna zeshonderd bladzijden lang, maar pas in het resumée komt Romeinen 13, 1-7 systematisch aan bod (ongeveer 30 pagina's). Deze belangrijke teksten over de overheid zijn weliswaar al ter sprake gekomen tijdens de behandeling van de historische

personen (als het ware bekeken door hun bril), maar altijd incidenteel. Toch handhaaft Klautke zijn stelling dat zijn proefschrift een systematische studie is, omdat het gaat om de antwoorden die vanuit het verleden voor het heden worden aangereikt. De studie onderzoekt de theologische en bijbels-exegetische argumenten, waarmee het gewelddadige verzet tegen de overheid wordt bestreden of gepostuleerd (1°).

Boeiende speurtocht

Klautke neemt ons op een uitermate boeiende speurtocht mee door de eeuwen. Hij begint bij de antieke oudheid, de cultuur van Griekenland en Rome, waarin al het verschil tussen koning en tiran aan de orde kwam. De eerste christenen werden verweten dat zij samenzweerders en hoogverraders waren. Maar het opvallende uit de theologische literatuur uit die tijd was juist dat christenen èlk gebruik van geweld veroordeelden. Als er kwade tirannen waren (die men zeker kende: onder meer in de persoon van Nero!) dan zou God die op Zijn tijd wel tot verantwoording roepen.

Bij Augustinus komen we de gedachte van het rechtuitoefende karakter van de overheid tegen, de overheid als 'straf' van God vanwege de zonde (127). De christelijke kerk, belichaamd in de stad van God, is een pelgrim in de wereld, wat bij Augustinus meer tot een houding van deemoed en berusting nodigt, dan tot een actief politiek verzet. Al is de tiran bezeten door de hoogmoed (superbia), zoals dat ook het geval is met de grote rijken van deze wereld, het is eveneens een zaak van hoogmoed wanneer je tegen de tiran in opstand wilt komen.

Voor de Middeleeuwen is van belang de leer van de twee zwaarden (de geestelijke en burgerlijke macht), de leer die terug gaat op paus Gelasius 1 (492-496). Het onderscheid tussen priesterlijke en koninklijke macht werd in de praktijk steeds meer uitgewerkt in de richting van een onderschikking van de staat aan de kerk, met als dieptepunt het afzettingsrecht van staatshoofden door de Romeinse curie (wat regelmatig gebeurde in de dertiende en veertiende eeuw).

Begin verzetsrecht

In diezelfde Middeleeuwen werd tegelijktertijd een verzetsrecht ontwikkeld die er op neerkwam dat ook de koning aan het recht gebonden was. Wanneer hij dat recht schond, mocht de burger daartegen in opstand komen. De koning onder het recht, niet daarboven. Deze eis, gesteld aan de heerser, betekende volgens Klautke echter niet een pleidooi voor verzetsrecht. Integendeel, het hield in de poging om de aantasting van het recht uit de weg te ruimen door de oorspronkelijke rechtsorde weer te herstellen.

Belangrijk begrip in de Middeleeuwen was voorts het verdrag (pactum) dat heerser en onderdaan sloten, een verdrag bedoeld als wederzijdse verplichting (mutua obligatio). Terecht ziet Klautke in deze troongelofte een begin van de moderne eed op de Grondwet (203). Hij stelt tevens vast dat in de periode van de 13e tot 16e eeuw het verzetsrecht steeds meer uit de kerkelijke sfeer zich ontwikkelde door de emancipatie van de staat. De vorstbegon zich in toenemende mate los van het pauselijke Rome op te stellen. Deze groeiende machtspositie van de staat kwam tot volledige doorbraak in het absolutisme van de zeventiende eeuw (259).

Reformatie

Van groot belang voor ons onderwerp is de tijd van de Reformatie en de visie van Luther en Calvijn op het verzetsrecht. Bekende episode tijdens het leven van Luther was de Boerenoorlog in de jaren twintig van de zestiende eeuw, een oorlog waarin de Boeren de vrijheid van het Evangelie verbonden met een poging tot hervorming van het politiek-economische leven. In de eeuw waarin de oppositie tegen de opkomende reformatorische beweging groter werd, en de Reformatie van binnen uit bedreigd werd door dopers-anarchistische opvattingen, moesten ook Luther en Calvijn zich noodgedwongen bezig houden met de verzetsproblematiek.

Luther was radicaal tegen elke opstand tegen de overheid, aldus Klautke. De wereldlijke overheid stond volgens Luther niet onder de pauselijke kerk, maar was Gods dienares en gebonden aan Zijn ordeningen. Elke ingreep in de overheidsordening betekende een inbreuk op het plan van God. De heerschappij van de tiran was een uiting van toorn van God en moet in stilheid gedragen worden. De overheid blijft overheid, óók als ze zich tiranniek gedraagt. Verzet mag er alleen vanuit en door het Woord, niet met geweld geschieden. Pas is ongehoorzaamheid (wat weer anders is dan verzet!) mogelijk en dan ook verplicht wanneer bevelen van de overheid de mens hinderen om naar het gebod van God te leven.

Toch was er bij Luther een ontwikkeling waar te nemen naar een positievere inschatting van verzetsrecht, zo merkt Klautke op. Maar dat ging blijkbaar niet gemakkelijk en van harte. Onder invloed van argumenten van Saksische juristen kende Luther aan de keursvorsten tenslotte een recht van verzet toe ten opzichte van de keizer. Na het neerslaan van de Boerenoorlog, hebben tal van vorsten de Reformatie aangenomen, maar na de rijksdag van Speyer (1529), die de reformatorische leer weer wilde terugdringen, werd de situatie moeilijker.

Philipp von Hessen pleitte daarom voor verweer op grond van onder meer de handhaving van het Evangelie en christelijke tucht, zich beroepend op het heil van zielen die anders verloren zouden gaan! Maar ook dan hield Luther echter vast aan zijn standpunt: de keizer is de overheid en alleen het gebed is legitiem als verzetshouding.

Toen Karel V in het begin van 1530 terugkeerde in het Duitse rijk en het protestantisme wilde uitroeien, werd de situatie nog moeilijker. En dan zien we de merkwaardige omslag dat de Saksische juristen Luther en Melanchton met juridische argumenten weten te overtuigen, door te wijzen op het wederrechtelijk optreden van de keizer. Uiteindelijk ging Luther overstag op grond van juridische argumenten. Hij verwierp het verzetsrecht niet meer zo stellig zodra hij bemerkte dat de keurvorsten niet slechts onderdanen van de keizer waren, maar ook overheden met een eigen verantwoordelijkheid. Een opvallend keerpunt in Luthers visie kwam echter toen de keizer optrad als leenman van de paus. Vanaf dat ogenblik, in 1539, verscheen de verzetsvraag tegen de keizer niet in het licht van het apostolische verbod van Romeinen 13, maar gezien vanuit de optiek van het optreden van de Antichrist, in wiens dienst de keizer staat.

Calvijn

Voor Calvijn werd de problematiek vooral in die zin relevant toen de Hugenoten steeds meer de richting insloegen van politiek verzet tegen de Franse koning. De opvattingen van de monarchomachen (letterlijk: koningenbestrijders), zoals F. Hotman, Ph. Du Plessis Mornay en Th. Beza, speelden hier een rol vangrote betekenis. Deze schrijvers hadden na de beruchte Bartholomeusnacht (1574) het verzetsrecht gelegitimeerd.

Nauwkeurig beschrijft Klautke de ontwikkeling van Calvijn en van de calvinisten na hem ten aanzien van geweld en overheid. Evenals Luther verwierp Calvijn het verzetsrecht als zodanig vanwege de goddelijke oorsprong van de overheid. De verplichting tot gehoorzaamheid gold ook (en zelfs) die magistraten die een valse religie vertegenwoordigden en ware gelovigen vervolgden. Ook de onwaardigste tiran had zijn macht van God ontvangen. Zijn ambt, die los stond van de persoon, bleef hij behouden, ondanks de pervertering daarvan.

Toch kende Calvijn, zoals bekend, ook uitzonderingen van overheidsgehoorzaamheid. We noemen hier vooral de volksmagistraten (zie p. 384 e.v.). Klautke merkt hierover op dat de reformator hierbij alleen aan een geweldloos protest dacht, niet aan (zoals vaak gemeend) gewapende tegenweer van deze lagere overheden. Evenals Luther blijkbaar benauwd was om een theologische legitimatie aan het verzet te geven, zo argumenteerde Calvijn volgens Klautke juridisch vanuit de rechten van de (Franse) standen. Vandaar dat de passage van Calvijn over de volksmagistraten niet als een principiële doorbreking van het verzetsverbod is aan te merken, aldus de promovendus. De passage mag men niet overwaarderen, zegt hij, maar is feitelijk niets anders dan de beschrijving van de rechtstoestand in Frankrijk. Een opvallende conclusie!

De situatie in de tijd van Calvijn en de dreiging in Frankrijk zet Klautke helder uiteen. Wat betreft de Hugenoten, reageert Calvijn eerst zeer terughoudend op de eerste gewelddadige conflicten, bang als hij was voor verdergaande escalatie van geweld. Merkwaardig ging Calvijn pas overstag toen de hugenotenleider Chandieu hem overtuigde dat de werkelijke tegenstander niet de koning was, maar de Guises; juist terwille van de koning, moest de Guises verzet geboden worden (391). Maar dan, aldus Klautke, is het thema wat hier speelde niet een godsdienstige zaak, maar een puur-politieke, een wereldlijke aangelegenheid. Klautke interpreteert daarom het verzet dan niet als een recht op verzet tegen de overheid, maar is het een zich met geweld inzetten voor de rechtmatige heerser.

Nederlandse Opstand

Het gaat te ver om het hele proefschrift samen te vatten. We hebben enkele belangrijke delen eruit gelicht. Ter complementering van het overzicht wijzen we nog op de passages over de Engelse puriteinen (met hun verzet tegen het goddelijk recht van de koningen), de visie van de Hugenoten en niet tevergeten de opvattingen tijdens de Nederlandse Opstand. Wat dit laatste betreft, zet Klautke uiteen hoe belangrijk de plaats van de Joyeuse Entree (Blijde Inkomste), een schriftlijk vastgelegde garantie van de rechten tegenover een absolutistisch gezag, was voor de Opstand tegen Spanje was (522 e.v.). Hoewel de Opstand in dergelijke documenten gelegitimeerd werd, was de aanleiding tot de Opstand volgens Klautke niet primair de verdediging van de rechten der standen, maar de religievraag (causa religionis). Tegenover de vele inquisitie-acties keerden de opstandelingen zich tegen de knechting van de gewetens, zoals zij ook als gemeenschappelijk hadden een principiële kritische houding tegen het opleggen van de besluiten van het Concilie vanTrente (1563).

Klautke behandelt tenslotte figuren als Althusius, Hobbes, Locke en Kant. Het recht van verzet werd volgens hem steeds defensiever en raakte steeds meer geïncorporeerd in het positieve recht. Na een onderzoek naar Romeinen 13, met verwerking van nieuwe inzichten, komt Klautke tot de conclusie dat het recht van verzet verdedigbaar is nadat alle grondwettelijke middelen zijn uitgeput. De gronden voor het verzet zijn:

1. Er moet sprake zijn van een overduidelijke kloof tussen recht en wereldlijke macht, zodat verzet als laatste mogelijkheid (ultima ratio) vereist is.

2. Geweld moet ondubbelzinnig minder schade veroorzaken dan machtsmisbruik bij een onrechtmatig bewind.

3. Doel van de gewelddadige verzetsactie, namelijk uitschakelen van misbruik van onrechtvaardige regering, moet gerealiseerd worden.

Waardering

De waarde van dit proefschrift is dat het een goed inzicht geeft in het christelijk denken over de overheid. Het boek laat overduidelijk zien hoe positief de christelijke traditie stond ten opzichte van overheid. De overheid is een goddelijke instelling, bewaart de mensheid voor chaos en ondergang, en is garant voor een ordelijk samenleven. Als we ons beperken tot de visie van de hervormers Luther en Calvijn, blijkt dat met name zij het ambt van de overheid zeer hoog achtten. Zij stonden zeer, terughoudend ten opzichte van gewelddadig verzet tegen de legitieme overheid.

Dat betekent al met al niet dat er geen kritiek mogelijk is op vorsten die hun macht misbruiken en daarmee tot tirannen degeneren. Ook wereldlijke machten hebben zich te verant-woorden, en hun verantwoordelijkheid wordt zelfs des te groter naarmate zij meer onderdanen hebben. Maar er moeten heel wat legitieme redenen zijn wil men in opstand tegen het wettig gezag komen. En als het dan uiteindelijk toegestaan is, dan beriepen de hervormers zich liever op juridisch-politieke argumenten dan op theologische. Men was zeer beducht voor inbreuk op Romeinen 13, alsmede ook voor het door elkaar mengen van de geestelijke en burgerlijke regering, voor inbreuk op Romeinen 13.

Het boeiende van het werk van Klautke is ook dat daarin uit de verf komt hoe belangrijk de overheid was ten aanzien van de bevordering van de christelijke religie (bij Luther 331 e.v. en Calvijn 374 e.v.). Er is geen slaafse gehoorzaamheid van de onderdaan aan zijn hogergeplaatsten, evenmin is de overheid er alleen voor de onderhouding van het tijdelijke leven. Het boek biedt daarom meer dan inzicht in de problematiek van het verzetsrecht. Voor iemand die meer wil weten van een bijbels-gereformeerde visie op de overheid en hoe onze traditie daarover nagedacht heeft, is dit boek onmisbaar.

Noten


1. J. W. Sap, Wegbereiders der revolutie. Calvinisme en de sti'ijd om de democratische rechtsstaat, Groningen, 1993. Zie voor een bespreking van dit proefschrift Zicht, 1993/4, pp. 127-138.

N.a.v. Jürgen-Burkhard Klautke, Recht auf Widerstand gegen die Obrigkeit? Eine systematisch-theologische Untersuchung ZM den Bestreitungs- und Rechtfertigurtgsbemühungen von Gewaltanwendung gegen die weltliche Macht (bis zum 18. Jahrhundert), deel I (632 pagina's) en deel II (268 pagina's: voetnoten en literatuur); uitgeverij Kok, Kampen, 1994; prijs f 144, 50.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1994

Zicht | 52 Pagina's

Ware religie rechtvaardigt nog geen opstand

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1994

Zicht | 52 Pagina's

PDF Bekijken