Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het 'zwevend' electoraat van de reformatorische partijen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het 'zwevend' electoraat van de reformatorische partijen

12 minuten leestijd

ACHTERGROND

Johan Weggeman student politicologie te Leiden

De SGP verloor bij de Tweede Kamerverkiezingen op 3 mei 1994 bijna 11.000 stemmen in vergelijking met de verkiezingen in september 1989. Een stemmenverlies van 6, 5 procent. Reden genoeg voor deze partij om een commissie in het leven te roepen om het verlies te onderzoeken. In het achterliggende jaar is echter niet de vinger gelegd bij een nog groter stemmenverlies: het gezamenlijke verlies van de drie reformatorische partijen tussen de gemeenteraads-en de Kamerverkiezingen in 1994. Binnen twee maanden verloren de partijen in totaal 37.000 stemmen (9, 2%), terwijl de landelijke opkomst met 13, 8 procent steeg.

Dit is één van de constateringen uit een vergelijkend onderzoek naar verkiezingsresultaten van de GPV, RPF en SGP gezamenlijk tussen de gemeenteraads-en de Tweede Kamerverkiezingen in 1994. In dit artikel zal het bedoelde onderzoek en de belangrijkste conclusies daaruit kort gepresenteerd worden.l) Het onderzoek naar de stemmenmutatie concentreert zich op een drietal vragen:

1. Wat is de reden dat het stemmenverlies zoals hier wordt bedoeld niet is opgemerkt?

2. Hoe ziet de omvang van het verlies eruit?

3. Welke factoren hangen samen met en kunnen mogelijkerwijs een verklaring bieden voor het verlies?

1. Onopgemerkt stemmenverlies

Waarom is het geza­ menlijke stemmenverlies van de drie reformatorische partijen tussen de verkiezingen van 2 maart en die van 3 mei 1994 uit de schijnwerpers gebleven? Een viertal mogelijke oorzaken komen daarbij in gedachten:

1. Verkiezingseuforie bij de partijen.

2. Vernauwing van de aandacht tot gelijke verkiezingen.

3. Verblindende statistieken door lokale lijsten.

4. Ontbrekende reformatorische lijsten in tal van gemeenten.

Wanneer de dagbladen van 3 maart 1994 nog eens opgeslagen worden, dan blijkt daaruit dat zowel de SGP als het GPV en de RPF zich dankbaar en tevreden tonen. De één voor het uitblijven van verlies, de ander voor de geboekte winst. Na de verkiezingen van 3 mei liggen de kaarten enigszins anders. Het GPV en de RPF tonen zich wederom blij en dankbaar. Zij hebben beide stemmenwinst geboekt in vergelijking met de Kamerverkiezingen van 1989. Het zetelaantal van de RPF wordt zelfs verdrievoudigd en het GPV weet op een enkele stem na de tweede zetel op eigen kracht te verwerven. Wie durft in dergelijke omstandigheden nog te denken aan verlies?

Met de SGP is het anders gesteld. Deze partij moet voor het eerst sinds 1937 een zetel inleveren. Gezien wordt op de verloren stemmen sinds de verkiezingen van 1989. En daar ligt de tweede oorzaak. Winst of verlies van een politieke partij wordt steeds gedefinieerd in termen van verkiezingen op een gelijk niveau. Europese verkiezingen worden vergeleken met die van vijf jaar terug, lokale en provinciale worden vergeleken met die van vier jaar terug en nationale met de laatstgehouden nationale verkiezingen.

Vervolgens is het met name voor de reformatorische partijen moeilijk om ongelijksoortige verkiezingen met elkaar te vergelijken. Dit is de derde oorzaak van de versluiering van het stemmenverlies. Het probleem is dat bij de gemeenteraadsverkiezingen het aantal stemmen per partij niet is vast te stellen tengevolge van de zogenaamde verticale lijstverbindingen of lijstineenschuivingen. In 'Statistiek Der Verkiezingen 1994 - gemeenteraden, 2 maart' van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) worden deze lijstverbindingen op lokaal niveau tussen de kleine christelijke partijen gerubriceerd onder "Lokale Christelijke Groepering".

Een bijkomend probleem is dat niet alle Lokale Christelijke Groeperingen bestaan uit een verticale lijstverbinding tussen twee of meer van de drie landelijke reformatorische partijen. Ook enkele niet-reformatorische christelijke groeperingen vallen daaronder, alsmede de enigszins meer bekende plaatselijk georganiseerde en niet direct met de landelijke partijen in verband staande PCG's.

Dan blijft nog een vierde - en wellicht de belangrijkste - oorzaak over. In veel gemeenten doet bij de gemeenteraadsverkiezingen geen enkele lijst(verbinding) van één (of meer) van de drie onderzochte partijen mee aan de verkiezingen. Bij de nationale verkiezingen bestaat echter in alle gemeenten de mogelijkheid om op één van de reformatorische partijen te stemmen. Zo kan het gebeuren dat in Leiden bij de gemeenteraadsverkiezingen niemand op GPV, RPF of SGP stemt en ook niet kan stemmen, maar dat bij de Kamerverkiezingen deze partijen in totaal 1283 stemmen krijgen. Op een dergelijke wijze kan het stemmenverlies ondergronds toeslaan.

Het kan gebeuren dat nien^nd i)p QWV, RPF of SGP kan stemmen. Op een dergelijke wijze kan h% stemm^verlies ondergronds toeslaan.

Om een zo zuiver mogelijk beeld te krijgen van de stemmenmutatie van de kleine christelijke partijen tussen 2 maart en 3 mei 1994 zijn in het onderzoek drie groepen gemeenten buiten beschouwing gelaten:

1. Gemeenten waar bij de gemeenteraadsverkiezingen geen van de drie partijen deelnam aan de verkiezingen.

2. Gemeenten waar wel een christelijke groepering aan de gemeenteraadsverkiezingen deelnam, maar niet onder de vlag van één of meer van de landelijke reformatorische partijen.

3. Gemeenten waar ten gevolge van gemeentelijke herindeling geen gemeenteraadsverkiezingen op 2 maart werden gehouden.

Dan blijven 235 gemeenten met enigerlei lijst(verbinding) van GPV, RPF en/of SGP over. Op deze 235 gemeenten zijn de onderzoeksresultaten gebaseerd.

2. Omvang stemmenverlies

Het is verhelderend een onderscheid te maken tussen enerzijds een daadwerkelijk verlies van stemmen, die landelijk per saldo bijna 37.000 stemmen (9, 2%) bedraagt (tabel 1) en anderzijds het achterblijven van het totaal aantal stemmen op GPV, RPF en SGP bij de toename van het opkomstpercentage tussen de raads-en de Kamerverkiezingen (13, 8%). Het verlies kan verorden vastgesteld door per gemeente het totaal aan absoluut aantal 'reformatorische' stemmen bij de raadsverkiezingen naast de som van het aantal op GPV, RPF en SGP uitgebrachte stemmen bij de Kamerverkiezingen te zetten en deze te vergelijken. Wanneer bij de Kamerverkiezingen minder stemmen worden uitgebracht op de reformatorische partijen gezamenlijk dan bij de verkiezingen voor de gemeenteraad spreken we van een verliezende gemeente. Worden daarentegen meer 'reformatorische' stemmen geteld bij de Kamerverkiezingen dan bij de raadsverkiezingen, dan spreken we van een winnende gemeente.

Wanneer nu alle verloren stemmen tussen 2 maart en 3 mei 1994 voor de drie partijen in de 235 onderzochte gemeenten bij elkaar worden opgeteld en de gewonnen stemmen daarvan worden afgetrokken, ontstaat een beeld van de geleden schade (tabel 1). Tegenover de verliezende gemeenten staan een aantal gemeenten - 23 procent van het totaal aantal - waarin geen verlies maar winst wordt geboekt (tabel 2). De frequentie van de winstboekende gemeenten alsook de omvang van die winst weegt evenwel niet op tegen het aantal verliezende lijsten en de omvang van dat verlies. Een negatief stemmensaldo is het gevolg. Het saldo wordt uitgedrukt in procenten van de som van het aantal door GPV, RPF en SGP bij de raadsverkiezingen verworven stemmen in de betreffende gemeenten.

Vastgesteld is dat in de onderzochte gemeenten een negatief stemmensaldo van ruim negen procent resteert na de vergelijking tussen de gemeenteraads-en de Kamerverkiezingen. Het behoeft geen betoog dat de drie kleine christelijke partijen in dat geval de opkomststijging van 65, 0 procent naar 78, 8 procent niet hebben kunnen bijhouden in stemmenstijging. Er was immers per saldo in het geheel geen stemmenstijging. In plaats dat het aantal stemmen met het opkomstpercentage meesteeg, daalde het stemmental! Dat betekent nog eens een niet behaalde winst van 13, 8 procent.

Tot slot is het zinvol te bezien hoe het stemmental van de 'Grote Verliezer' bij de Tweede Kamerverkiezingen, het CDA, zich ontwikkelt en verhoudt tot het stemmental van GPV, RPF en SGP gezamenlijk in de 235 onderzochte gemeenten tussen de twee onderzochte verkiezingen. Paradoxaal genoeg laat de vergelijking een winnende verliezer - het CDA - en een verliezende winnaar - de drie reformatorische partijen - zien. Na het voorgaande rijst de vraag welke factoren mogelijkerwijs ter verklaring van het geschetste stemmenverlies kunnen worden aangereikt.

3. Verklarende factoren

Bij de mogelijke verklarende factoren is een onderscheid gemaakt tussen verlies, niet behaalde winst en winnende gemeenten. De factoren die een verklaring kunnen bieden voor het stemmenverlies zijn weergegeven in schema 1 met daarbij hun positieve of negatieve verhouding tot het stemmenverlies. De sterkte van de verbanden als zodanig zijn niet uit het schema af te leiden. Hieronder zal op elk van de factoren kort worden ingegaan. Dit geschiedt stellenderwijs. Voor een statistische onderbouwing van elk van de stellingen wordt verwezen naar het onderzoek zelf.

In die gemeenten waar de reformatorische partijen een aanzienlijk aandeel kiezers trekken, ligt het opkomstpercentage bij de gemeenteraadsverkiezingen duidelijk boven het landelijk gemiddelde van 65 procent. Ook de opkomst tussen de gemeenteraads-en de Kamerverkiezingen stijgt minder naar gelang de reformatorische partijen een grotere machtspositie in de gemeenten bezitten. Dit duidt op een grote mate van stemtrouw bij de achterban van de drie kleine christelijke partijen, ongeacht of het nu gemeenteraads-of Kamerverkiezingen zijn. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat de partijen de opkomststijging van 13, 8 procent niet hebben kunnen bijhouden in stemmenwinst. Er waren immers weinig of geen reserves meer.

Wanneer meer in het bijzonder naar het 'echte' verlies wordt gekeken moet allereerst gedacht worden aan factoren als tijdsverloop en kiesgerechtigde niet-Nederlanders bij de raadsverkiezingen. Verondersteld wordt dat de met de tijdsverloop samenhangende wijzigingen in het electoraat zich tussen 2 maart en 3 mei 1994 in evenwicht hebben gehouden. Een zeer zwak verband is evenwel te constateren tussen het aantal kiesgerechtigde niet-Nederlanders bij de gemeenteraadsverkiezingen en het stemmenverlies.

Vervolgens is de mate van tactisch stemgedrag van belang voor het verklaren van het verlies. Bij tactisch stemmen kan onderscheid worden gemaakt tussen de machtspositie van GPV, RPF en SGP gezamenlijk in de gemeenteraad en het stemmen op de CDA door potentiële 'reformatorische' stemmers bij de Kamerverkiezingen. Om met dit laatste te beginnen, is er een samenhang waar te nemen tussen de stijging van het aantal stemmen op de CDA in een gemeente tussen de raads-en Kamerverkiezingen en het stemmenverlies van de reformatorische partijen.

Daarnaast blijkt ook de machtspositie van de drie kleine christelijke partijen in de gemeenteraad van invloed te zijn op het stemgedrag. Het zetelaantal van de reformatorische partijen in de Tweede Kamer was voor de verkiezingen van 1994 precies vier procent. Wanneer het aantal zetels in een gemeenteraad nu groter was als vier procent was de kans dat in de desbetreffende gemeente de reformatorische partijen een verlies zouden lijden groter dan wanneer het zetelaantal in de gemeenteraad beneden de vier procent lag.

Een fusie van de driepartïfenm merkwaardig genoeg niet de meest werv^^MMsmerbindinggebleken.

Het aantal stemmen dat de reformatorische partijen wisten te verwerven bij de gemeenteraadsverkiezingen staat eveneens in verband met het stemmenaantal dat de ouderenpartijen bij de Kamerverkiezingen kregen. Hoe groter de machtspositie van de van de reformatorische partijen in een gemeente bij de gemeenteraadsverkiezingen, des te kleiner het stemmenaantal van de ouderenpartijen in die gemeente bij de Kamerverkiezingen was.

De ouderenpartijen lijken moeilijk voet aan wal gekregen te hebben in die gemeenten waar de reformatorische partijen een substantieel deel van de kiezers trekken. Ondanks het bovenstaande is er enige positieve relatie vast te stellen tussen het aantal stemmen op de ouderenpartijen uitgebracht bij de Tweede Kamerverkiezingen en het stemmenverlies van de reformatorische partijen. Dit lijkt te betekenen dat ook de kleine christelijke partijen niet geheel onverschillig kunnen staan tegenover de aantrekkingskracht van de ouderenpartijen.

In afwijking van de algemene trend is er een aantal gemeenten waar tussen 2 maart en 3 mei geen stemmenverlies, maar stemmenwinst is geboekt door de reformatorische partijen. Verklaringen worden veelal geput uit vergelijkingen. Het is zaak te zoeken naar verschillen die zich hebben voorgedaan tussen de twee verkiezingen om zodoende tot een verklaring van het stemmenverlies en/of - winst te komen. Over een zeer voor de hand liggend verschil is nog niet gerept. Dat betreft het soort van lijst of lijstverbinding waarmee de reformatorische partijen aan de gemeenteraadsverkiezingen hebben deelgenomen.

Er bestaat een niet geringe variatie in de lijst(verbindingen) waarmee de drie onderzochte partijen meedoen aan de raadsverkiezingen. In de 235 onderzochte gemeenten zijn maar liefst eenentwintig varianten te zien. Een groot deel van de gemeenten waar de reformatorische partijen tussen de gemeenteraads-en de Kamerverkiezingen winst boeken, zijn gemeenten met alleen een zelfstandige SGP-of GPV-lijst bij de gemeenteraadsverkiezingen. Wanneer er slechts een zelfstandige SGP-lijst was, is er zelfs vaker een stemmenwinst dan een stemmenverlies waar te nemen.

Een aannemelijke verklaring voor dit verschijnsel is dat een deel van de potentiële RPF-stemmers zijn of haar stem niet wil geven aan een zelfstandige SGP-lijst en in mindere mate niet aan een zelfstandige GPV-lijst. Bij de raadsverkiezingen lijken deze stemmen bij het CDA geparkeerd te worden. Het bedoelde deel van de potentiële RPF-kiezers komt dus bij de gemeenteraadsverkiezingen niet, maar bij de Kamerverkiezingen wel bij de reformatorische partijen terecht waardoor dit resulteert in een winst voor deze partijen gezamenlijk.

In de lijn van het gehanteerde verklaringsmodel is het ook mogelijk de lijstsoort aan te wijzen die bij de lokale verkiezingen de meeste stemmen weet te werven ten opzichte van het totaal aantal stemmers op de reformatorische partijen bij de Kamerverkiezingen. Opmerkelijk genoeg is dat niet de zogenaamde GRS-lijst, maar een gezamenlijke lijst van GPV en RPF naast een zelfstandige lijst van de SGP (met een horizontale lijstverbinding tussen deze twee lijsten).

Hoe meer van de drie partijen aan de gemeenteraadsverkiezingen deelnemen, des te meer stemmen de reformatorische partijen gezamenlijk krijgen in de gemeente. Het minste aantal stemmen wordt verkregen wanneer alleen een zelfstandige SGP-lijst meedoet aan de verkiezingen. De drie partijen blijken voor een deel electoraal complementair te zijn. Van de drie reformatorische partijen is het electoraat van de RPF het meest instabiel. Zowel de stemmenwinst als het stemmenverlies tussen de gemeenteraads-en de Kamerverkiezingen moet voor het grootste deel op het conto van deze partij geschreven worden.

4. Slot

In het onderzoek is met name gepoogd een aantal elementen, die mogelijk van invloed zijn geweest op de stemmenmutatie van de drie reformatorische partijen tussen de gemeenteraads-en de Tweede Kamerverkiezingen van 1994 in kaart te brengen. Tegelijkertijd is daarmee een bijdrage geleverd aan het verkrijgen van een nader inzicht in het stemgedrag van de reformatorische kiezer.

Het overgrote deel van de factoren ligt buiten de beïnvloeding van de partijen. Slechts het soort lijst(verbinding) is duidelijk door de partijen te beïnvloeden. Een (electorale) fusie van de drie partijen is echter merkwaardig genoeg niet de meest wervende lijstverbinding gebleken. Dit neemt het geconstateerde electorale belang van het soort lijstverbinding niet weg, maar benadrukt dat eerder. Het is een uitdaging voor de drie reformatorische partijen om in het aanzien van de eenentwintigste eeuw weloverwogen met de lijstverbindingen om te springen.

1. N.a.v. fohan Weggeman, Het 'zwevend' electoraat van de reformatorische partijen, een onderzoek naar de stemmenmutatie van GPV, RPF en SGP gezamenlijk tussen de gemeenteraads-en de Tweede Kamerverkiezingen op 2 maart en 3 mei 1994, Capelle aan den IJssel 1995. Het onderzoek (33 pagina's, 15 tabellen, 1 schema en Z bijlagen) is te verkrijgen door overmaking van f 15, 00 op gironummer 6390183 t.n.v. ƒ. Weggeman onder vermelding van 'onderzoek'.

Dit artikel werd u aangeboden door: Wetenschappelijk Instituut voor de Staatkundig Gereformeerde Partij

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 april 1995

Zicht | 44 Pagina's

Het 'zwevend' electoraat van de reformatorische partijen

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 april 1995

Zicht | 44 Pagina's

PDF Bekijken