Bekijk het origineel

Fusie tussen GPV en RPF staat ideologisch niets in de weg

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Fusie tussen GPV en RPF staat ideologisch niets in de weg

16 minuten leestijd

redactielid Zicht

De fusie tussen GPV en RPF lijkt steeds meer een onomiceerbaar proces te zijn. Er bestaan nog wel gevoeligheden tussen beide partijen, zoals de positie van de evangelischen, de functie van de belijdenis ten aanzien van de politiek en de verschillende achterbannen. Ideologisch is er echter weinig verschil tussen beide partijen. Al wordt dit door prof. J. Kamphuis in dit nummer fel bestreden. De visie op de overheid, de verhouding tussen kerk en staat en de waardering van de geestelijke vrijheid zijn echter nagenoeg gelijkluidend binnen de partijen. Het document Met het oog op de toekomst is een goed geslaagde poging om de politieke opvattingen over staat en politiek naadloos in elkaar te doen schuiven. Op harmonieuze wijze zijn de beginselen van beide partijen in dit document ineengeschoven.

In dit artikel wil ik me vooral richten op de staatkundige traditie van GPV en RPF en hun onderlinge relatie. Daarbij maak ik dankbaar gebruik van de gegevens die ik in mijn proefschrift over beide partijen heb verzameld. Laat ik eerst bij het GPV beginnen, de oudste van de twee partijen die in dit artikel centraal staan. De partij is ontstaan nadat vanwege een 'ethisch conflict' met de Gereformeerde Kerken (synodaal) broeders van hetzelfde huis niet meer in één antirevolutionaire kiesvereniging konden zitten. Kenmerkend voor het GPV, opgericht in 1946, is het verzet tegen bepaalde natuurrechtelijke constructies van Kuyper waarbij men wilde teruggrijpen op de nationaal-gereformeerde politiek van Groen van Prinsterer. Het GPV is een partij die de overheid aan Gods Wet wil binden en streeft naar het publiek eren van Gods Naam in de maatschappij. In de grondwet moet worden vastgelegd dat de overheid zich in beleid en wetgeving richt naar de Wet van God.

Het doel van de RPF is qua grondslag nagenoeg gelijk. De basis van de in 1975 opgerichte partij is het onfeilbaar opgevatte Woord van God. De RPF wil politiek bedrijven in overeenstemming met de normen die God heeft geopenbaard in de Bijbel. De RPF hanteert vooral de notie van publieke gerechtigheid als norm voor de overheid en staat heel duidelijk in de traditie van de reformatorische wijsbegeerte zoals die ontworpen is door de christelijke rechtsfilosoof H. Dooyeweerd. De RPF lijkt een rechtse tegenhanger van het CDA te zijn dat ook de publieke gerechtigheid als norm voor het overheidshandelen hanteert maar die veel breder en horizontaler invult dan de RPF

Vanaf het begin zijn er de nodige accentsverschillen tussen GPV en RPF geweest op het punt van de belijdenis. Het GPV hecht grote waarde aan de binding aan de belijdenis, terwijl de RPF, mede door de (toenemende) aanwezigheid van evangelischen binnen haar partij, daar minder sterk aan hecht. Ook de afkomst is verschillend. Terwijl het GPV nauv/ verbonden is met de Vrijmaking, is de RPF in feite ontstaan als gevolg van een te weinig open houding tegenover christenen die lid van het GPV wilden worden maar niet vrijgemaakt-gereformeerd waren. Ook vele verontruste CDAers hebben de weg naar de RPF gevonden. De verschillen tussen GPV en RPF zijn over het algemeen meer te vinden in de verschillende kerkelijke achterbannen dan in het politieke optreden. Wat de ideologische opvattingen over staat, overheid en geestelijke vrijheid, zijn er zelfs grote overeenkomsten.

Allergisch

Wanneer het gaat om de visie op de overheid kunnen we constateren dat GPV en PJ'F allergisch staan ten opzichte van de theocratische traditie, zoals die bij een partij als de SGP gevonden wordt. In het algemeen beschouwt men de traditie van gereformeerde theocraten uit de zeventiende eeuw, alsmede figuren als Hoedemaker, Van Ruler en vertegenwoordigers van de hervormde theocratische apostolaatstraditie, te zeer ongeschikt voor het ontwerpen van een gezonde christelijke visie op de overheid. Laakbaar vindt men in deze stroming de vermenging van de ambten van kerk en overheid en het dwangmatig opleggen van godsdienstige opvattingen door de overheid. De RPF heeft minder bezwaar tegen de term theocratie als zodanig wanneer die genomen worden in de zin van het belijden van Gods regering over alle dingen. W. J. Ouweneel spreekt van theocratie als de gerichtheid van de staat op God. Theocratie en Gods koninkrijk duiden dan nagenoeg op hetzelfde.' Voor het GPV is theocratie echter nog te zeer verbonden met oudtestamentische vereenzelviging van kerk en staat en met de gedachte van een regeringsstelsel op grond

van geestelijke dwang. Wat de opvatting van de geestelijke vrijheid en de afwijzing van het onverkorte artikel 36, daarover bestaat tussen beide partijen opvallende gelijkheid. Artikel 36 wordt door de partijen beschouvi'd als een met dwang opleggen van opvattingen door de overheid en - met name wat de 21 woorden betreft-als een overvragen van de taak van de overheid. J. Francke heeft in zijn lezenswaardig artikel over artikel 36 flinke kritiek geuit op het schrappen van de 21 woorden uit artikel 36 - als zijnde een kuyperiaanse aangelegenheid-maar zowel hij als het GPV willen daarmee artikel 36 niet onverkort handhaven. GPV en RPF leggen beide de nadruk op de onderscheiden verantwoordelijkheden van kerk en staat. Kenmerkend voor het GPV is het onderscheid tussen de kerk als belijdende geloofsgemeenschap en de publieke burgerlijke samenleving. Hoewel de overheid de normen van Gods Wet moet hanteren, is zij terughoudend om de overheid een actieve rol te laten vervullen jegens de godsdienst. Het GPV hecht veel waarde aan de scheiding van kerk en staat. De leus van een vrije kerk in een vrije staat is typerend voor deze partij.

Diezelfde opvattingen komen we ook bij de RPF tegen. Ook deze partij benadrukt dat de overheid moet regeren overeenkomstig de Wet van God, maar zij hecht tegelijkertijd grote waarde aan de onderscheiden ambten en verantwoordelijkheden van kerk en staat. Beide partijen keren zich tegen de theocratische vermenging van de ambten en het tekort doen aan de geestelijke vrijheid die zij bij de SGP opmerken. GPV en RPF zijn in dit opzicht sterk beïnvloed door Kuyper. Dat geldt vooral voor het GPV. De RPF heeft naast de invloed van Kuyper ook een vleugje van Hoedemaker meegekregen, al ligt ook daar de nadruk weer op Kuyper'. Beide partijen proberen zich in die zin aan Kuyper te ontworstelen door voortdurend op Groen van Prinsterer terug te grijpen. Rouvoet stelt dat de RPF zich in de traditie van Groen van Prinsterer bevindt, wiens gedachtengoed zowel door Hoedemaker als door Kuyper op eigen wijze is uitgewerkt. Met Hoedemaker erkent de RPF het volstrekte recht van God op kerk én staat. Met Kuyper honoreert de partij de onderscheiding van deze beide ambten. De RPF wil met andere woorden met de gezindheid van Hoedemaker treden in het spoor van Kuyper."*

"Wanneer het gaat om de visie op de overheid kunnen we constateren dat GPV en RPF allergisch staan ten op> zichte van de theocratische traditie."

Die kuyperiaanse invloed is ook te bespeuren in de waardering van de geestelijke vrijheid en de verhouding tussen kerk en staat. Ondanks de binding van de overheid aan het Woord van God en de eis van publieke naleving van Gods Wet (dit in onderscheid met het GDA) willen beide partijen niets weten van een al te directe band tussen overheid en christelijke godsdienst. Zij vinden dat een actief optreden van de overheid op dit punt de geestelijke vrijheid belemmert. Het CDA gaat volgens deze partijen te ver in de erkenning van het pluralisme maar een fundamentele verwerping van dit principe vanuit theocratisch oogpunt ben ik toch niet tegengekomen. Integendeel, het GPV kan behoorlijk ver in de waardering van de geestelijke vrijheid gaan. De GPV-Verbondsadviesraad sprak zich in 1997 in stelling 3 zo uit: "Het GPV kan geloofwaardig zijn en blijven als het twee uitgangspunten combineert. Overheden moeten gehoor geven aan Gods wil. Dat betekent een normering van het publieke leven en een actieve bevordering van de vrijheden van burgers". In een verdere uitwerking van deze stelling stelt de raad dat de overheid de mensen de ruimte moet geven hun eigen leven in te richten in hun particuliere sfeer. En dan volgt veelbetekenend: "Een christelijke overheid zal zich dus moeten inzetten voor vrijheden voor burgers en gemeenschappen van burgers ook voanneer die hun leven willen inrichten op een wijze die botst met het christelijke geloof' (cursief van mij).''

Ook de RPF slaat deze weg in en kiest duidelijk voor de geestelijke vrijheid. Niet defensief en uit eigenbelang, maar principieel en uit overtuiging.'' Tolerantie is geen noodvoorziening voor christenen in een geseculariseerde samenleving, maar vormt een onmisbaar bestanddeel van een christelijk-politieke visie.' De partij ziet hierin ook het kenmerkende verschil met de SGP, die de grens legt bij de gewetensvrijheid, ' terwijl RPF en GPV opkomen voor geestelijke vrijheid in de "ruime omschrijving" van het woord, al kan deze vrijheid, evenmin als andere grondrechten, nooit absoluut zijn.-Theocratie in de klassieke zin (volgens het onverkorte artikel 36) en geestelijke vrijheid sluiten elkaar volgens Rouvoet uit. "Wie kiest voor de theocratie, zegt principieel nee tegen nagenoeg de volledige geestelijke vrijheid". RPF'er R. Kuiper en GPV'er A. H. Poelman stellen dat het opkomen voor de geestelijke vrijheden van andersdenkenden een rode draad is m de antirevolutionaire traditie, waar GPV en RPF volgens hen beide op stoelen. De overheid zal zich volgens deze auteurs moeten inzetten voor een positieve waardering van de verworven vrijheden in Nederland. Deze houding is mede de vrucht van de in het protestantisme verworven visie op maatschappelijke en politieke tolerantie. Op basis van deze traditie kan recht gedaan worden aan minderheden. Dat betekent dus dat GPV en RPF het recht van moslims op eigen moskeeën en onderwijsinstellingen erkennen.^ Hoezeer het GPV ook kerkelijk

denkt (denk bijvoorbeeld aan de jarenlange discussie over de kerkelijke gebondenheid van maatschappelijke organisaties), de plaats van de kerk als profetische medium naar de overheid functioneert in deze partij veel minder dan bij iemand als Hoedemaker en in het algemeen binnen de theocratische traditie. Theocratie in gereformeerde zin impliceerde altijd een nauwe band tussen kerk en staat, die beide, ieder op zijn eigen wijze, Gods eer zou moeten beogen in de samenleving. Typerend voor het GPV en de RPF is dat hun leden afkomstig zijn van de afgescheiden

kerken en daar zijn de staatkundige opvattingen van Kuyper van grote invloed geweest, hoezeer het GPV zich ook gekeerd heeft tegen speculatieve gedachtenconstructies van Kuyper. Met de Afscheiding kwam er een afkeer van de al te zeer opdringende houding van de overheid ten opzichte van de kerk, waardoor de leus van een vrije kerk in een vrije kerk gemakkelijk ingang kon doen vinden. Ook de kritiek op het onverkorte artikel 36 kreeg daardoor een machtige stimulans. Hoedemaker heeft er terecht opgewezen dat kritiek op het onverkorte artikel 36 alles te maken heeft met een bepaald kerkbegrip. Wie kiest voor een afscheiding van de volkskerk, kiest ook voor een uitgeklede versie van artikel 36. Door dit alles is ook de oorspronkelijke theocratische inzet van artikel 36 op een zijspoor geraakt. Juist de gedachte van de scheiding van kerk en staat, hoe begrijpelijk ook in de tijd van de Afscheiding en daarna, heeft ertoe geleid dat met het badwater ook het kind weggeworpen is en de profetische functie van de kerk naar de overheid temidden van het volksleven is verdwe-

Toenadering

Als we de overheidsvisie van GPV en RPF met elkaar vergelijken kunnen we opvallende overeenkomsten zien waarbinnen zich specifieke accentsverschillen voordoen. Beide partijen zien de overheid als Gods dienares, die het recht moet bestellen in de samenleving. Hierbij hanteert men als trefwoorden publieke gerechtigheid en cultuuropdracht. Terwijl het GPV de nadruk legt op de cultuuropdracht en de RPF op de onderscheiden ambten en verantwoordelijkheden, zou de notie van het koninkrijk van God een uitgangspunt voor een nieuwe benadering kunnen zijn, zo oppert W. J. Ouweneel. In termen van structuur en richting uitgedrukt, waar Ouweneel mee werkt, ligt bij de RPF volgens hem iets meer de nadruk op het eerste (regeling van strijdige belangen in de samenleving), terwijl het GPV via de cultuuropdracht de samenleving een belangrijke oriëntatie mee probeert te geven.'" Ook ten aanzien van de belijdenis bestaan er accentsverschillen. Terwijl het GPV de belijdenis ziet als denkkader en toetsingskader, ziet de RPF de beli|denis wel als denkkader, maar minder als toetsingskader. In plaats van een centrale plaats te zijn, is bij de RPF de belijdenis meer een ondersteunend element. Het verschil tussen beide partijen zit niet in het feitelijke beroep op de belijdenis, maar in de betekenis die aan het beroep op de belijdenis wordt toegekend in de politieke praktijk."

In het boekje Gelukkig is het land. Naar ten gemotiveerde samenleving proberen Kuiper (RPF) en Verbrugh (GPV) de noties van de publieke gerechtigheid en de eer van God met elkaar te verbinden. Ook daarna zijn er pogingen geweest om eikaars beginselen 'ineen te schuiven'. In het document Met het oog oy de toekomst (1998) hebben GPV en RPF hun gezamenlijke politieke visie uiteengezet. Beide partijen roepen de overheid op God publiek te eren en de publieke gerechtigheid na te streven.'-Christelijke politiek wil de ogen openen voor Gods heilzame geboden voor mens en samenleving. In het publieke leven is het nodig God te erkennen en zijn Woord als richtsnoer te nemen. Het geloof in God als de hoogste Wetgever moet ook tot uiting gebracht •worden in het publieke leven.'' Wanneer het gaat om de taak van de overheid, beschrijft deze nota twee aspecten: het kwaad beteugelen (negatief) en te bestrijden (volgens artikel 36) en (positief) om een goede orde in de samenleving aan te brengen, opdat mensen hun taken en verantwoordelijkheden kunnen vervullen. De nadruk ligt op de erkenning van de eigen niet-statelijke verbanden in de samenleving en van de vrijheidsrechten van de burgers. Hoewel de overheid niet neutraal mag zijn (zij moet God immers publiek eren), is er geen directe roeping om de christelijke godsdienst te beschermen of te bevorderen. Het is de roeping van de overheid om de godsdienstvrijheid en de andere geestelijke vrijheden te handhaven. Kerk en staat hebben een eigen plaats in het publieke leven, respectievelijk gericht op het innerlijke en het publieke leven. Een absolute scheiding tussen kerk

en staat is in het document niet te vinden. De overheid moet ervoor zorgen dat de zondagse eredienst ongestoord kan verlopen, al dient zij daarbij het eigen specifieke ambt van de kerk te honoreren. De kerk moet zich ook tot de overheid wenden omdat zij een boodschap heeft voor de gehele samenleving. Hier komt de relatie tussen kerk en overheid wel tot haar recht. Beide partijen willen het spanningsveld, waarin de publieke rol van de overheid en de geestelijke vrijheid van de burgers elkaar ontmoeten, handhaven. "Enerzijds dient de overheid zich in te zetten voor de normering van het publieke leven, anderzijds dient ze de geestelijke vrijheden te waarborgen".'^

"Wie kiest voor een afscheiding van de volkskerk, kiest ook voor een uitgeklede versie van artikel 3> 6."

De verschillen tussen GPV en RPF enerzijds en de SGP anderzijds spitsen zich vooral toe op de interpretatie van de theocratie en de roeping

van de overheid ten aanzien van de godsdienst. Terwijl RPF en GPV de geestelijke vnjheid nadrukkelijk onderschrijven, blijft dit voor de SGP een moeili|k punt. Het verbindende van de SGP met het GPV ligt in de oproep van het GPV naar de overheid om God publiekelijk te eren, een notie die bij de SGP zeker ook aanwezig is en die - althans met deze woorden-minder bij de RPF te vinden is'l Daar denkt men toch meer in termen van onderscheiden verantwoordelijkheden van kerk en staat en is de publieke gerechtigheid de norm voor de overheid. Zowel GPV als RPF worstelen zichtbaar met deze spanning: enerzijds willen zij de overheid niet neutraal laten opereren, anderzijds verwerpen zij een theocratische overheidsvisie in de zin van een binding van de overheid aan beide tafelen van Gods Wet. Beide partijen vinden geestelijke vrijheid een belangrijk goed en wordt zelfs de vrijheid van godsdienst zonder meer aanvaard, maar er blijft een onduidelijkheid over de grenzen van die vrijheid van godsdienst. Er wordt weliswaar erkend dat vrijheid van godsdienst met impliceert dat alle godsdiensten daarom van gelijke waarde zijn, maar waarom mag de overheid niet de keuze doen tegen het godsdienstig pluralismei

In 1998 is er een gezamenlijke grondslag van beide partijen vastgesteld, die tot overeenstemming moet leiden wat betreft verdergaande samenwerking en wellicht fusie. Deze luidt: "De partij belijdt Gods soevereiniteit over het staatkundig leven, de overheid als dienares Gods en de roeping van de christen in de samenleving. Zij fundeert haar politieke overtuiging op de Bijbel, het geïnspireerde en betrouwbare Woord van God, die door de Drie Formulieren van Eenheid wordt nagesproken". Dat zijn uitdrukkingen die geheel passen in de beide tradities van GPV en RPF Dat beide partijen ineen zullen schuiven is voor mij een kwestie van tijd. Waar de partijen immers in de politieke praktijk steeds meer naar elkaar toegroeien, hun staatkundige opvattingen gestempeld zijn door een kuyperiaans getinte traditie en een afwijzing van het gereformeerd-theocratische gedachtengoed, zal de ideologie niet alleen geen hinderpaal kunnen zijn, maar veeleer de fusie bewerkstelligen.

Noten


W. J. Ouweneel, Hel Koninkrijk Cods en de staat, p. 31.

• Zie K. van der Zwaag, Onverkort of gekortwiekt, p. 503.

A. Rouvoet, Reformatorische staatsvisie, p. 118.

(Christeli/ke politiek in een ontkerstende rechtsstaat, stellingen GPV-Verbondsraad 11 oktober 1997)

A. Rouvoet, STELLINGEN BIJ HET RE­ FERAAT Christelijke vrijheid in sociaal-maat-

schaf f elijke context. Putten 1994, Stelling 11. A. Rouvoet, STELLING 10.

Door S. O. Voogt ondergebracht bij "interne gewetensvrijheid", zie de RPF-pubii-

catie Codsdienstvrijheid hedreigdl Een analyse van de Algemene wet Cehjke Behandeling, Nunspeet 1992, p. 10, 11.

A. Rouvoet, 'Geestelijke vrijheid", lezing voor EVANGELISCHE ALLIANTIE

(TMO), 30oktoberl992, p. 2, 3. Trouw, 29 april 1995

W J. Ouweneel, Het Koninkrijk Gods en de staat, p. 81.

Zie Politieke samenwerking CPV en RPF. Raffort van de CPV-RPF-commissie inzake het ge­

sprek over de grondslagen van en de politieke samenwerking tussen CPV en RPF, Bijlage bij Ons Burgerschap, juni/juli 1998, p. 4, 5.

Met hel oog op de toekomst Discussienota over een gezamenlijke politieke visie van GPV en

RPF, oktober 1998, bijlage bi| Ons Burgerschap van november 1998, p. 3, 5.

Met het oog op de toekomst, p. 6. Met het oog op de toekomst, p. 9.

Zie de voorzichtige kritiek van G J Schutte op het visiedocument van RPF- GPV. Centrale thema van christelijke poli­

tiek moet zijn het publiekelijk eren van de Almachtige. Het is onvoldoende wanneer alleen opgekomen wordt voor zaken als

publieke gerechtigheid, een gezond milieu en een rechtvaardige samenleving (Ons Burgerschap, februari 1999).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 augustus 1999

Zicht | 28 Pagina's

Fusie tussen GPV en RPF staat ideologisch niets in de weg

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 augustus 1999

Zicht | 28 Pagina's

PDF Bekijken