Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ruimte voor andersdenkenden

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ruimte voor andersdenkenden

15 minuten leestijd

De laatste decennia is er een toenemende spanning waarneembaar tussen de publieke opinie in onze samenleving en het gedachtegoed van minderheidsgroepen.

Die spanning ontlaat zich regelmatig in felle debatten in media, parlement of rechtszaal, waarbij ook grondrechten in stelling worden gebracht. In die debatten komt soms onvrede naar boven over de wijze waarop verschillende groepen in de samenleving gebruik maken van hun grondrechten, en over de rechterlijke beoordeling van dat gebruik. Zo ontstonden er bijvoorbeeld heftige discussies naar aanleiding van de uitlatingen van imam EI Moumni en het voormalig Tweede Kamerlid de heer Van Dijke over homoseksualiteit.

Recent vond er een indringende discussie plaats over de strafbaarheid van smalende godslastering in relatie tot de vrijheid van meningsuiting.

In die discussies is tevens onzekerheid te bespeuren over de grenzen van de door grondrechten gegarandeerde vrijheden en de wijze waarop verschillende grondrechten zich tot elkaar verhouden. Die onzekerheid speelt ook heel nadrukkelijk in onze gereformeerde gezindte. Een aantal standpunten dat binnen ons christelijk volksdeel wordt ingenomen, botst ten principale met de brede publieke opinie.

In dit artikel noem ik een aantal factoren die hebben bijgedragen aan de toenemende frequentie van het aantal botsingen van grondrechten. Tevens wil ik kort

nagegaan wat er nodig is om de balans weer enigszins te hervinden. Daarbij wordt ook de in mei 2004 door het kabinet uitgebrachte Nota Grondrechten in een pluriforme samenleving betrokken.' Vooraf wil ik omschrijven wat we onder grondrechten in het bijzonder de klassieke grondrechten

- verstaan en wat we bedoelen met een botsing van grondrechten.

2. Grondrechten en botsing van grondrechten

Grondrechten Bij de grondwetsherziening van 1983 werden de grondrechten - die tot dat moment verspreid waren over de hele Grondwet - sa­ mengebracht in hoofdstuk 1 van de Grondwet. Die grondrechten kunnen we globaal onderverdelen in klassieke en sociale grondrechten. Klassieke grondrechten geven burgers bepaalde vrijheden. De burger is vrij in zijn keuze van godsdienst, is vrij zijn mening te uiten, is vrij in zijn keuze voor een bepaalde school, enz. Die vrijheden van de burger mogen niet door de overheid worden afgenomen. Zij scheppen een zogenoemde overheidsvrije sfeer.

‘In dit artikel noem ik een aantal factoren die hebben bijgedragen aan de toenemende frequentie van het aantal botsingen van grondrechten.’

Sinds 1983 is in onze Grondwet naast de klassieke grondrechten ook een aantal zogenoemde sociale grondrechten opgenomen. De sociale grondrechten hebben een heel ander karakter dan de klassieke: zij leggen aan de overheid juist de plicht op om zich op bepaalde gebieden actief op te stellen. Een belangrijk argument voor het opnemen van deze sociale grondrechten was dat hiermee de bestaande sociale wetgeving tegen intrekking zou worden beschermd. Deze grondrechten waren dus bedoeld om de ontwikkeling naar de sociale verzorgingsstaat vast te leggen. Voorbeelden van sociale grondrechten zijn de bevordering van werkgelegenheid en de bevordering van de volksgezondheid.

Botsmag van grondrechten

Bij de uitoefening van het ene grondrecht kan een confrontatie plaatsvinden met een ander grondrecht. Het gebruik maken van de vrijheid van onderwijs houdt bijvoorbeeld in dat een bijzondere school een toelatingsbeleid voert en dat niet alle leerlingen worden toegelaten. Een ouder wiens kind niet wordt toegelaten, zal vervolgens een beroep doen op het eveneens in de Grondwet verankerde gelijkheidsbeginsel. Dan is er sprake van een botsing van grondrechten. Wanneer er meerdere grondrechten met elkaar botsen, gaat de rechter de belangen afwegen. Naar welke kant de balans doorslaat hangt af van de concrete feiten en omstandigheden die in het geding zijn.

Ook bij de totstandkoming van wetgeving kan het vraagstuk van botsende grondrechten aan de orde komen. Een heel duidelijk voorbeeld hiervan is de afweging die de wetgever moest maken bij de Algemene wet gelijke behandeling. Bekend is tot welke gecompliceerde bepalingen dit heeft geleid, bijvoorbeeld op het terrein van het onderwijs. De wetgever moest in dat kader zoeken naar een evenwicht tussen de in artikel 23 van de Grondwet gegarandeerde vrijheid van onderwijs en het in artikel 1 van de Grondwet neergelegde beginsel van gelijke behandeling. Deze afweging resulteerde in de zogenoemde enkele-feit-constructie. Een school voor bijzonder onderwijs mag bijvoorbeeld eisen stellen bij de aanstelling van leerkrachten, indien die eisen, gelet op het doel van de school noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de grondslag. Die eisen mogen echter niet leiden tot het maken van onderscheid op grond van het enkele feit van onder andere ras of hetero-of homoseksuele gerichtheid. Hierbij is vereist dat die functieeis is gegrond op een vast en op het doel van de instelling berustend beleid, dat consequent is gericht op het handhaven van de identiteit (aldus de Commissie gelijke behandeling in een oordeel

uit 2001). Een botsing van grondrechten doet zich bij uitstek voor tussen het discriminatieverbod en de vrijheidsrechten van anderen. Dat heeft ten dele te maken met de aard van de desbetreffende grondrechten zelf: het betreft hier communicerende vaten. Het discriminatieverbod stelt grenzen aan de vrijheden en andersom bepalen de vrijheden mede de reikwijdte van het discriminatieverbod. De spanning tussen deze grondrechten is daarmee 'ingebakken'. Recentelijk is gebleken dat ook de verhouding tussen de vrijheid van meningsuiting en andere vrijheden spanningen kan oproepen. Wanneer de vrijheid van meningsuiting zodanig wordt opgeblazen dat alles mag worden gezegd, holt dit onder andere de vrijheid van godsdienst uit.

Een positieve constatering in dit verband is dat het kabinet in de Nota Grondrechten in een pluriforme samenleving nog eens duidelijk stelt dat er geen rangorde tussen grondrechten bestaat. Bij de parlementaire behandeling van de grondwetsherziening van 1983 was dit al wel door de regering uiteengezet, maar de laatste tijd werd ook in de Kamer steeds vaker geroepen dat het gelijkheidsbeginsel niet voor niets in artikel 1 van de Grondwet was opgenomen. Duidelijk zegt het kabinet nu weer dat hiërarchiesering van grondrechten onwenselijk en onuitvoerbaar is.

3. Analyse

Hiervoor constateerden we dat de spanning tussen de verschillende grondrechten groter is geworden. We zullen een aantal factoren beschrijven die hiertoe hebben geleid.

Pluriforme karakter van onze aamcnlevwg

Een eerste verklaring voor de toenemende spanning tussen de grondrechten is de toenemende pluriformiteit van onze samenleving. Grondrechten spelen een grotere rol in een dergelijke samenleving. In de nota wijst het kabinet erop dat zich de afgelopen jaren nationaal en internationaal turbulente ontwikkelingen en gebeurtenissen hebben voorgedaan die hun weerslag hebben gehad op de verhoudingen tussen de diverse bevolkingsgroepen in onze samenleving. Daar komt bij dat ook onze autochtone bevolking pluriform is geworden. Het kabinet wijst in dat verband op de individualisering, de secularisering en de postmodernisering. Reeds eerder heeft de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid aangegeven dat het individualiseringsproces ertoe leidt dat mensen moreel zelfstandiger worden, zelfstandig keuzes maken en zich dus minder laten beïnvloeden door hun directe sociale omgeving.' Daarmee is ook de rol van de kerken teruggedrongen. Alomvatten­ de en bindende visies worden als 'grote verhalen' afgedaan. iVlen kiest daarentegen voor het zelf samenstellen van een eigen levensbeschouwing.

‘Wanneer de vrijheid van meningsuiting zodanig wordt opgeblazen dat alles mag worden gezegd, holt dit onder andere de vrijheid van godsdienst uit.’

We kunnen de analyse van het kabinet met betrekking tot het pluriforme karakter van onze samenleving onderschrijven. We zijn het echter niet eens met de nota als vervolgens de waardepluriformiteit als een ideaal wordt geschetst. Het is wel een realiteit, maar het zal nimmer het ideaal van de SGP worden. Die pluriformiteit hangt namelijk onlosmakelijk samen met een verminderde waardering binnen de samenleving voor de christelijke godsdienst.

Secularisatie

Daarmee zijn we aangekomen bij een tweede factor: de secularisatie. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat nog slechts een klein percentage Nederlanders gelooftin God (20%)." De wel breder levende religieuze interesse is vaak helemaal losgemaakt van God. Van een christelijke natie is naar onze mening dan ook geen sprake meer.' Met de secularisatie hebben we een substantieel deel van onze christelijke wortels uitgegraven. Alles wat herinnert aan ons christelijk verleden wordt met

nietsontziend fanatisme bestreden. Soms moeten daarvoor bepaalde vrijheden worden beperkt; andere keren moeten begrenzingen van die vrijheden juist worden verwijderd.

De meningsuiting van de kandidaat-Eurocommissaris Buttighone over homofiüe en de positie van de gehuwde vrouw bezegelde zijn politieke lot. Een dergelijke mening paste niet meer in deze tijd. Een maand later werd voorgesteld het verbod op smadelijke godslastering te laten wijken ten gunste van de vrijheid van meningsuiting. Terecht werd door Minister Donner en de SGP-fractie tegengeworpen dat het schrappen van dit artikel een funeste uitstraling heeft. Het bevordert de verruwing en maakt het gemakkelijker om mensen te kwetsen in hun diepste geloofsovertuiging.

Duidelijk blijkt uit de hiervoor weergegeven discussies dat met de secularisatie een referentiekader wegvalt; dit leidt tot willekeur en onevenwichtigheid.'' Dit komt onder meer naar voren in de discussie over de scheiding tussen kerk en staat. Die scheiding wordt in de praktijk steeds vaker beschouwd als een schot tussen het private en het publieke terrein, anders gezegd tussen geloof en politiek. Opvattingen die samenhangen met een geloofsovertuiging mogen nog wel in de privésfeer worden gekoesterd, maar het uitdragen van die opvattingen in de politiek stuit op weerstand. Het pleidooi voor een inrichting van staat en maatschappij op grond van de in Gods Woord be­ schreven regels kan eigenlijk niet meer. Daarmee zijn we aangekomen bij een nieuwe fase in het secularisatieproces; de fase dat godsdienst als zodanig uit het publieke domein wordt verbannen.

Ontbreken van historisch besef

In dit verband wil ik tevens wijzen op nog een andere spanningsfactor. Met het losmaken van onze christelijke wortels snijden we ook de band met de historie door. Duidelijk bleek dit toen een verwijzing naar het christelijk verleden niet in de Europese Grondwet mocht worden opgenomen. Er is dan ook sprake van een afnemend historisch besef.

In historisch opzicht hebben de vrijheidsrechten in onze Grondwet een veel langere traditie dan het gelijkheidsbeginsel. De strijd tegen de geestelijke en materiële onderdrukking in de Tachtigjarige Oorlog kenmerkte het ontstaan van de Nederlandse natie. De klassieke vrijheidsrechten ontlenen hieraan voor een belangrijk deel hun voedingsbodem. Op oudejaarsdag 1564 hield Willem van Oranje in de Raad van State zijn eerste grote rede, waarin hij pleitte voor de gewetensvrijheid. De Prins van Oranje stelde toen onder meer dat hij niet kon goedkeuren "dat vorsten over het geweten ("zielen") van hun onderdanen willen heersen en hun de vrijheid van geloof en godsdienst ontnemen".' Het beginsel van de gewetensvrijheid werd in 1579 in de Unie van Utrecht verankerd. Op die manier werd gewaarborgd dat God in vrijheid kon worden gediend. Uit het beginsel van de gewetens-en godsdienstvrijheid vloeide bij ons de vrijheid van drukpers en onderwijs voort. De vrijheidsrechten hangen dus nauw met elkaar samen en hebben een lange geschiedenis. Het gelijkheidsbeginsel daarentegen stamt uit de tijd van de Franse Revolutie en ademt de geest van de verklaring van de rechten van de mens. Ten onrechte wordt de indruk gewekt dat onze vrijheidsrechten daarop geënt zijn. Vanuit de christelijke hoek bestond er daarom bezwaar tegen het voorop plaatsen van het gelijkheidsbeginsel in de Grondwet. Ook de recente aanvallen op de vrijheid van onderwijs en de vrijheid van godsdienst miskennen de geschiedenis die aan die grondwetsartikelen is voorafgegaan.”

‘Gelijkheidskoorts’

Een laatste verklaring voor de toenemende spanning tussen grondrechten is naar mijn mening de 'gelijkheidskoorts' waar ons land aan lijdt. Het lijkt er sterk op dat het gelijkheidsbeginsel de andere grondrechten in de loop van de tijd is gaan overvleugelen. Dat heeft een uitholling van de vrijheidsrechten tot gevolg. Opvallend is in dat verband ook dat het in artikel I van de Grondwet neergelegde gelijkheidsbeginsel nog een extra impuls heeft gekregen met de Algemene wet gelijke behandeling. De Awgb is de vertaling van het gelijkheidsbeginsel, zoals dat tussen overheid en burgers geldt, naar de verhouding tussen burgers onderling. De

Awgb gaat eigenlijk nog een stap verder. In artikel 1 van de Grondwet wordt discriminatie verboden, maar in de Awgb wordt het maken van onderscheid verboden, tenzij hiervoor een beroep kan worden gedaan op een uitzonderingsgrond. Het betreft hier een begripsverandering met een ideologische lading. Op een subtiele manier wordt hiermee aangegeven dat het enkele feit dat je onderscheid maakt, al verdacht is. Nederland staat hierbij in Europees verband overigens alleen. In de Europese richtlijnen met betrekking tot gelijke behandeling wordt steeds gesproken over discriminatie. Ook in de discussie over de afschaffing van de godsdienstvrijheid en de strafbaarheid van de smalende godslastering wordt het gelijkheidsargument gebruikt. De vrijheid van godsdienst zou gelovigen extra bescherming bieden boven niet-gelovigen. Deze redenering gaat echter geheel voorbij aan het feit dat niet-gelovigen niet beschermd behoeven te worden in het belijden van hun geloof. Er is dus geen sprake van gelijke gevallen: een mening is iets anders dan een godsdienstige overtuiging. Een godsdienstige overtuiging heeft een diepere dimensie die een verdergaande bescherming verdient.

4. Balans

Uit het voorgaande kan de conclusie worden getrokken dat de laatste jaren spanningen tussen de grondrechten en onzekerheid over de onderlinge verhouding ervan zijn toegenomen. Ander­ zijds moeten we ervoor waken elkaar de angst aan te praten dat we niets meer mogen zeggen. We mogen en moeten in onze pluriforme samenleving ons geloof belijden. Een gevolg van die belijdenis en het in de praktijk brengen hiervan is dat we onderscheid maken. Gods Woord maakt immers onderscheid; onderscheid tussen goed en kwaad. Dat Woord van God is het richtsnoer voor ons persoonlijk, maar ook voor ons politieke handelen. Als gereformeerde gezindte zijn we in onze samenleving een autochtone minderheidsgroep geworden. De grondrechten zijn juist bedoeld om minderheidsgroepen te beschermen.

Nogmaals wil ik in dit verband benadrukken dat het waardevol is dat het kabinet zich in de Nota grondrechten op het standpunt stelt dat geen sprake is van hiërarchie tussen de grondrechten. Het gelijkheidsbeginsel is dus geen supergrondrecht waaraan de andere grondrechten ondergeschikt zijn. Uit de nota blijkt tevens dat de rechter bij de afweging van de verschillende grondrechten wel degelijk ruimte laat voor opvattingen die zijn gebaseerd op godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuigingen. Bij de beantwoording van de vraag of iemand die bepaalde uitlatingen heeft gedaan zich daadwerkelijk aan discriminatie heeft gemaakt, wordt door de rechter groot belang toegekend aan de volgende twee factoren:

de aard en de strekking van de uitlating (met andere woorden: welke bedoeling had de betrokke­ ne met deze uitlating en hoe is het precies gezegd); de onderlinge samenhang en de context waarbinnen de uitlatingen zijn gedaan (met andere woorden: in welk kader zijn de uitlatingen gedaan? )

Op deze manier weegt de rechter de vrijheid van godsdienst en meningsuiting mee bij de beoordeling of in het concrete geval een strafbaar feit is gepleegd. In het geval dat een uitlating een bijdrage beoogt te zijn aan het publiek debat, zijn de grenzen van de toegelaten kritiek ruim. Er bestaat in een dergelijke situatie weinig ruimte voor een strafrechtelijke veroordeling. Een op zichzelf kwetsende of grievende uitlating hoeft niet beledigend te zijn indien zij is gebaseerd op een geloofs-of levensovertuiging. De rechter gaat ervan uit dat dergelijke uitlatingen zullen worden tegengesproken en dat het debat zal worden aangegaan. In het geval dat wordt aangezet tot haat, wordt een grens overschreden en kan eerder een inperking op de meningsuiting of de godsdienstvrijheid worden gemaakt. Naar mijn mening is een dergelijke haatdragende uitlating overigens ook nooit met een beroep op de Bijbel te rechtvaardigen.

Ook op het gebied van het bijzonder onderwijs wordt ons - ondanks de hiervoor besproken beperkingen - nog ruimte geboden. Bij het gebruik maken van die ruimte is het van groot belang om de grondslag van de school steeds duidelijk en concreet uit te werken in het beleid van alle dag. Te-

vens is een consequente en consistente gedragslijn onontbeerlijk. In het bijzonder bij de aanstelling van nieuwe leerkrachten is het cruciaal om goed door te vragen. Een zorgvuldige opstelling kan in dat opzicht veel latere zorgen besparen. Dit brengt mij bij een tweede punt. Waar we ruimte hebben, moeten we die ruimte benutten. We moeten dan ook niet aan onze standpunten gaan sleutelen om ons imago te verbeteren. Natuurlijk is het van belang dat we steeds onze standpunten ijken aan Gods Woord. Maar laten we vervolgens in gebondenheid aan dat Woord onze standpunten uitdragen - daarbij tijd en wijze in acht nemend - ook al leidt dat tot een geïsoleerde positie.

Het ideaal van de SGP is gelegen in het aanwijzen en aanprijzen van Gods heilzame geboden voor onze samenleving. Ook zouden wij graag zien dat alle kinderen in ons land onderwijs ontvingen bij een geopende Bijbel. Tegelijkertijd moeten we realistisch blijven en beseffen dat we functioneren in een bestel waarin de scheiding tussen kerk en staat wordt gehandhaafd. Ten diepste miskent de overheid daarmee dat zij dienares van God is. Tegen die achtergrond zijn de vrijheidsrechten voor ons van wezenlijk belang.

5. Ten slotte

We bevinden ons als gereformeerde gezindte in een minderheidspositie binnen een cultuur die ons niet vriendelijk gezind is. Dat is echter niet nieuw. De Heere Jezus zei tot Zijn discipelen als Hij hen uitzond: "Zie Ik zend u als schapen in het midden der wolven, zijt dan voorzichtig gelijk de slan­ gen en oprecht gelijk de duiven." Die opdracht geldt ook voor ons. Aan de ene kant moeten we uiterst voorzichtig zijn, maar aan de andere kant moeten we proberen tactisch te manoeuvreren. Dat is niet gemakkelijk. We hebben daarvoor bewaring en wijsheid nodig, en bovenal de kinderlijke vreze des Heeren.

‘Kamerstukken II 2003/04, 29 614, nr. 2. ' Artikelen 19, eerste lid, respectievelijk 22, eerste lid, van de Grondwet. ' WRR-rapport, De toekomst van de nationale rechtsstaat, Den Haag, 2003. ' E. Drayer, "Gods Woord heeft steeds minder lezers", in: Trouw d.d. 21 oktober 2004, blz. 11. ' Anders: premier Balkenende die in een interview met NRC Handelsblad stelde dat Nederland een christelijke natie zal blijven (NRC 11 september 2004, blz. 39). ' Kamerstukken II 2004/05, 16 november 2004, 23e vergadering. N.N., Het leven van Willen de I, eerste deel, Middelburg, 1732, blz. 385-386. " De door Cliteur aangezwengelde discussie om de godsdienstvrijheid af te schaffen gaat geheel voorbij aan de ook internationaal erkende eigenstandige positie van dit vrijheidsrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 december 2004

Zicht | 46 Pagina's

Ruimte voor andersdenkenden

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 december 2004

Zicht | 46 Pagina's

PDF Bekijken