Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Geloofsvervolging en politieke verantwoordelijkheid

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Geloofsvervolging en politieke verantwoordelijkheid

13 minuten leestijd

THEMA

Na zestig jaar UVRM godsdienstvrijheid nog steeds onder vuur

Deze maand vieren we het zestigjarig bestaan van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Hierin is godsdienstvrijheid als een recht vastgelegd. Maar valt er op dit punt eigenlijk wel wat te vieren? Wat heeft geloofsvervolging te maken met het Nederlandse buitenlandse beleid? Kunnen wij er iets aan doen?

Christenvervolging is zo oud als de kerk. In een door zonde getekende wereld zijn christen-zijn en vervolging onlosmakelijk met elkaar verbonden. De Bijbel is daar duidelijk over. Wat dat betreft mogen we ons er over verbazen dat wij wonen in het 'vrije westen'. Dat neemt echter niet weg dat geloofsvervolging ook ons aangaat. Ook daar is de Schrift duidelijk over. Wij kunnen niet aan de andere kant van de weg voorbijgaan als medechristenen, onze familieleden in geestelijke zin, lijden omwille van hun geloof. Zij roepen ons op om voor hen te bidden. De Bijbel spoort ons echter ook aan om te spreken voor hen die geen stem hebben.' Ik ben ervan overtuigd dat hier een taak is weggelegd voor de (christelijke) politiek.

De UVRM

Op 10 december is het zestig jaar geleden dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) door de algemene vergadering van de Verenigde Naties werd aanvaard.

Eleonore Roosevelt, de weduwe van de Amerikaanse president, speelde een sleutelrol bij de totstandkoming van de verklaring. Dit betekent echter geenzins dat de verklaring een exclusieve westerse vinding is. Aan de verklaring werd gewerkt door deskundigen uit Canada, Frankrijk, Libanon, de Verenigde Staten van Amerika, de Sovjet-Unie, Cuba, Chili, China en India. Aan de basis van de UVRM ligt het concept van menselijke waardigheid. Het feit dat je mens bent, geeft je bepaalde basisrechten en vrijheden. Dit is onafhankelijk van de 'kwaliteit' van je mens-zijn, van je geloofsovertuiging of van het land waar je leeft. Ze zijn met recht universeel. Als christen geloven we dat God de mens schiep naar Zijn beeld en gelijkenis. Dat geeft elk mensenleven een unieke waarde en waardigheid. Vanuit die optiek mogen we de UVRM positief tegemoet treden.

De UVRM uit 1948 is uitgegroeid tot een belangrijke morele gedragscode voor alle lidstaten van de Verenigde Naties. De verklaring is echter niet juridisch bindend. Dat zijn internationale verdragen, zoals het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR), wel. Deze verdragen zijn echter van veel later datum. Zo werd het IVBPR pas in 1976 van kracht. Dit verdrag heeft rechtsgeldigheid voor de landen die het document hebben ondertekend en geratificeerd.

Veel landen hebben inmiddels in hun nationale wetgeving een verwijzing opgenomen naar internationale verdragen waardoor burgers van deze landen zich op deze verdragen kunnen beroepen. Mocht dit op natio-

Ir. A. de Pater, Directeur Pleitbezorging van Open Doors International

naai niveau niet tot een bevredigende oplossing leiden, dan kunnen zij in sommige gevallen hun zaak zelfs aanhangig maken bij de Verenigde Naties.

Het recht op godsdienstvrijheid

Met de ondertekening van de UVRM in 1948 werd het recht op vrijheid van godsdienst en levensovertuiging door de Verenigde Naties erkend als zelfstandig mensenrecht. Het recht op godsdienstvrijheid raakt zo diep aan het wezen van de mens, dat het meer is dan de resultante van het recht op gewetensvrijheid, vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vergadering.

De verwoording van het recht op vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in de UVRM, is later letterlijk overgenomen in het reeds genoemde IVBPR uit 1976. Kort samengevat geeft dit recht ieder mens de vrijheid om al dan niet een geloof aan te hangen en om hier, alleen of met anderen, uiting aan te geven. Deze nadruk op de keuzevrijheid van de mens betekent dat de mens ook vrij is om van geloof of levensovertuiging te veranderen. Dat neemt niet weg dat dit ingrijpende (sociale) gevolgen kan hebben. Dit geldt bijvoorbeeld voor moslims die christen worden. Zij worden vaak door hun familie verstoten en bedreigd. In Iran of Saoedi-Arabië kunnen deze 'afvalligen' zelfs ter dood veroordeeld worden.

Intermezzo; een spanningsveld

Het recht op godsdienstvrijheid en de exclusieve waarheidsclaim van religies vormen een spanningsveld dat niet eenvoudig op te lossen valt. Vanuit onze christelijke levensovertuiging en bewogenheid met onze medemens zouden wij het liefst zien dat alle mensen christen worden. Dat is ons goed recht. Deze overtuiging mag ons ook aanzetten tot missionaire actie. Daarbij hebben we wel de keuzevrijheid van de ander te respecteren.' Impliciet stemmen we met die keuzevrijheid in wanneer we ons bij het opkomen voor vervolgde christenen beroepen op het universele recht op vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Anders zou er niet langer sprake zijn van universaliteit. Als vrijheid niet universeel is, is er ten diepste geen sprake meer van vrijheid.

‘Als vrijheid niet universeel is, is er ten diepste geen sprake van vrijheid.’

Ranglijst Christenvervolging

Sinds de aanvaarding van de UVRM wordt breed erkend dat ieder mens het recht op vrijheid van godsdienst en levensovertuiging geniet. De praktijk is echter vaak weerbarstig.

Open Doors, een organisatie die opkomt voor vervolgde christenen wereldwijd, brengt jaarlijks een overzicht uit van landen waar christenen vervolgd worden. Aan de hand van vragenlijsten wordt de positie van christenen in een land in kaart gebracht. Daarin wordt niet alleen ingegaan op het (grond)wettelijke kader, maar ook op de actuele praxis. Op basis van de vragenlijsten krijgen de landen punten toegekend waardoor deze met elkaar vergeleken kunnen worden. Het resultaat hiervan wordt jaarlijks gepresenteerd als de Ranglijst Christenvervolging. Hierop staan vijftig landen waar christenen te maken krijgen met zware vervolging aflopend via onderdrukking naar vrijheidsbeperkingen.

De top van de Ranglijst Christenvervolging wordt al enkele jaren aangevoerd door Noord-Korea (1) en Saoedi-Arabië (2). Iran is de afgelopen jaren opgeklommen van de tiende naar de derde plaats. De situatie voor christenen is daar in belangrijke mate verslechterd. Ook Eritrea is een aantal plaatsen gestegen in de lijst. Vietnam en Soedan daarentegen staan in de

meest recente lijst beduidend lager dan vijf of zes jaar geleden. China vinden we al jaren terug rond de tiende plaats. Overigens is de plaats op de lijst altijd de resultante van ontwikkelingen in het land zelf en van ontwikkelingen in andere landen op de lijst. Het totaal aantal punten dat een land krijgt, biedt daarom een betere indicatie van de intensiteit van de vervolging dan de (relatieve) plaats op de lijst.

Noord-Korea kreeg in 2007 in totaal 90, 5 punten. Daarmee staat het land op eenzame 'hoogte', meer dan 25 punten hoger dan de nummer twee op de lijst, Saoedi-Arabië. China, dat we terugvinden op plaats tien, kreeg 55 punten terwijl Colombia, op de vijftigste plaats, 23, 5 punten werd toegekend.

De Islam is de dominante religie in zes landen van de top tien\ drie landen worden door communisten geregeerd' en één land is Boeddhistisch'. De top tien uit 1993, alhoewel op een iets andere wijze samengesteld, liet een vergelijkbaar beeld zien. Ook toen waren de islamitische landen in de meerderheid in de top tien van de ranglijst. Dit wordt natuurlijk in belangrijke mate bepaald door de focus waarmee we naar de wereld kijken. Zowel de Islam als het christendom hebben een exclusieve claim op de waarheid en sluiten elkaar daarmee uit. Daarnaast kennen beide religies de behoefte, beter: de opdracht voor gelovigen, om hun waarheid met anderen te delen. Dat de daarbij gehanteerde methoden verschillen, behoeft waarschijnlijk geen betoog.

Zolang religies met een exclusieve waarheidsclaim naast elkaar bestaan, is er behoefte aan regels voor het onderlinge verkeer. Het is duidelijk dat voor een vreedzaam samenleven deze regels niet gedomineerd, laat staan gedicteerd kunnen worden door één van deze religies.

Ingeschakeld

Als christenen geloven wij dat alle gelovigen samen één wereldwijd lichaam vormen waarvan Christus het Hoofd is. Wij kunnen ons dan ook niet onttrekken aan het lijden van medegelovigen. Integendeel, voor Paulus is het een gegeven dat als één lid lijdt, alle leden mede

lijden. Dat zal dan ook in de praktijk moeten blijken. De Bijbel roept ons op ons uit te spreken tegen onrecht. Dat kunnen we individueel doen, maar we kunnen onze krachten ook bundelen en ons uit.spreken in de politieke arena tegen christenvervolging en voor godsdienstvrijheid. Hierbij kunnen we niet volstaan met uitsluitend religieuze argumenten. Dat wil niet zeggen dat religieuze argumenten geen plek hebben in het publieke domein. Ze zullen echter weinig weerklank vinden bij hen die onze geloofsovertuiging niet delen. We zullen daarom op zoek moeten naar een grootste gemene deler. Deze zal, gegeven de seculiere context van ons politieke bestel, doorgaans niet religieus van aard zijn. De UVRM en het daarin vastgelegde recht op godsdienstvrijheid vervult hierin een belangrijke rol. Politieke partijen en regeringen hebben hiermee een belangrijk moreel principe in handen om staten aan te spreken op schendingen van het recht op godsdienstvrijheid. We zullen echter moeten accepteren dat dit recht ook zal worden gebruikt om aanhangers van andere religies te verdedigen. De vrijheid die we voor onszelf claimen mogen we een ander niet ontzeggen.

Belangenafweging

Politiek is per definitie een zaak van het afwegen van belangen. Dit geldt voor de binnenlandse politiek maar niet minder voor de buitenlandse politiek.

In de nota 'Naar een menswaardig bestaan' en het daarbij behorende actieplan, heeft de Nederlandse minister van buitenlandse zaken. Maxime Verhagen, zijn visie neergelegd op de rol van mensenrechten in het buitenlands beleid. Wij waarderen zijn poging om mensenrechten hoger op de politieke agenda te krijgen. In de nota besluit de minister tot extra inzet op zes onderwerpen waaronder 'de individuele vrijheid van godsdienst en de bescherming van religieuze minderheden'." De Nederlandse overheid zal zich daarbij niet beperken tot christenen, maar ze zijn hierbij wel inbegrepen.

‘De Nederlandse regering zal een voortrekkersrol moeten blijven vervullen als het gaat om mensenrechten en het buitenlands beleid.’

De minister van buitenlandse zaken is echter niet alleen geroepen als voorvechter van mensenrechten maar ook als verdediger van andere legitieme belangen van Nederland in het buitenland zoals veiligheid, economische betrekkingen en energiezekerheid. Daarom zoekt Nederland, als zij schendingen van mensenrechten in derde landen aan de kaak wil stellen, bij voorkeur de steun van Europese partners. Als deze steun wordt verkregen wint de boodschap aan kracht en wordt een eventueel economisch risico voor Nederland beperkt. Nederland maakt zich daarbij echter wel afhankelijk van de individuele belangenafweging van de andere lidstaten van de Europese Unie. Niet elke EU-lidstaat hecht daarbij evenveel waarde aan mensenrechten.

De Nederlandse regering, daartoe aangespoord door het parlement, zal daarom een voortrekkersrol moeten blijven vervullen als het gaat om mensenrechten en het buitenlands beleid, zowel binnen als buiten Europa. Hier ligt een belangrijke rol weggelegd voor zowel de Nederlandse Tweede Kamer als voor het Europees parlement.

In geval van ernstige mensenrechtenschendingen wordt er soms voor gepleit economische banden met een land te verbreken. Hiermee wordt beoogd de boodschap over democratie en mensenrechten extra gewicht te geven. Ook het aangesproken land maakt echter een afweging van belangen waarbij nadrukkelijk ook economische belangen worden meegewogen. Zo kunnen handelsbetrekkingen ook extra gewicht geven

aan kritische opmerkingen over de mensenrechtensituatie in een land. Het is mijns inziens dan ook niet terecht om de spreekwoordelijke dominee en koopman tegen elkaar uit te spelen. Zij hebben beiden recht van spreken. Het parlement dient erop toe te zien dat beide aspecten van het buitenlands beleid met elkaar in evenwicht blijven.

Niet vanzelfsprekend

Zoals gezegd wil de Nederlandse regering zich sterk maken voor godsdienstvrijheid. In het huidige Nederlandse en Europese politieke klimaat is dit zeker niet vanzelfsprekend. De minister verdient dan ook alle steun.

Alle religies en levensbeschouwingen worden door de staat in principe gelijk behandeld. Verschillende (religieuze) organisaties onderhouden daarom regelmatig contact met het ministerie van buitenlandse zaken. De stem van de christenen mag daarin niet ontbreken! Daarom brengt Open Doors, maar ook andere christelijke organisaties, de situatie van vervolgde geloofsgenoten steeds weer onder de aandacht bij het ministerie.

Regelmatig spreekt ook de Tweede Kamer zich uit voor de lijdende kerk. Christelijke fracties hebben hierbij een bijzondere verantwoordelijkheid. Hun inzet draagt er in belangrijke mate aan bij dat vervolgde christenen niet worden vergeten in de Nederlandse bilaterale en multilaterale contacten.

In alle politieke contacten over godsdienstvrijheid vervult de UVRM een cruciale rol. Christelijke partijen zullen zich dan ook voluit achter deze verklaring moeten stellen en aanvallen op het recht op godsdienstvrijheid moeten verdedigen - en niet alleen als het om vervolging van christenen gaat.

Zelfs na zestig jaar UVRM zijn de daarin vastgelegde mensenrechten nog altijd geen vanzelfsprekendheid en dat geldt zeker voor het recht op vrijheid van godsdienst of levensovertuiging.

‘Ondanks 60 jaar UVRM ligt het recht op godsdienstvrijheid misschien wel heviger onder vuur dan ooit.’

Bedreigingen

De ontkerkelijking in de westerse samenleving kan gemakkelijk leiden tot een devaluatie van het recht op godsdienstvrijheid, omdat men dit recht direct associeert met religie. Het heeft echter een veel bredere invulling. Het recht op godsdienstvrijheid geeft mensen ook het recht om van godsdienst te veranderen evenals het recht om geen enkele godsdienst aan te hangen. Het recht op vrijheid van godsdienst en levensovertuiging gaat derhalve ieder mens aan. Als men dat niet meer ziet, ligt het gevaar van inperking van dit fundamentele vrijheidsrecht op de loer.

De toenemende aandacht voor extremistische stromingen draagt eraan bij dat religie niet langer als een positieve factor wordt ervaren, maar juist als een bedreiging van de individuele vrijheid en van de seculiere samenleving. Dat voedt krachten die religie en religieuze uitingen in het publieke domein aan banden willen leggen. De weerstand die door fundamentalistische religieuze uitingen wordt opgeroepen, in combinatie met de islamitische solidariteit, vergroot de tegenstelling tussen moslims en aanhangers van andere religies. Dit vertaalt zich op het niveau van de Verenigde Naties in voorstellen die de aandacht verleggen van het individuele recht op godsdienstvrijheid naar de vrijheid van de religie als geheel. Landen van het 'islamitische blok' proberen bijvoorbeeld de islam als geheel te vrijwaren van elke vorm van kritiek. Een religie kan echter op basis van de UVRM nooit

collectieve bescherming of vrijwaring claimen. Met de gewijzigde machtsverhoudingen in de Mensenrechtenraad van de VN is het echter niet denkbeeldig dat er toch een zekere mate van collectieve bescherming komt. De facto zal dit leiden tot een inperking van het individuele recht op godsdienstvrijheid.

Ondanks 60 jaar UVRM ligt het recht op godsdienstvrijheid misschien wel heviger onder vuur dan ooit. Gezien de waarde die dit recht heeft in het publieke verkeer is er alle reden om ons teweer te stellen tegen deze aanvallen. Het zou jammer zijn als we de waarde van het universele recht op vrijheid van godsdienst en levensovertuiging pas zouden inzien op het moment dat we het niet meer ten volle kunnen genieten.

Noten

1 Zie Spreuken 31 vers 8: "Open uw mond voor de stomme, voor de recht/aak van allen, die omkomen zouden.”

2 Onlangs bracht Open Doors het boek Geheime gelovigen uit dat een schrijnend inzicht geeft in het leven van deze afvalligen.

3 Het gaat er hierbij om ruimte te scheppen voor de ander. Ook vanuit theologisch gezichtspunt sluit de afliankelijkheid van het werk van de Heilige Geest dwang in dezen uit.

4 Saoedi-Arabië, Iran, de Malediven, Afghanistan, Jemen en Oezbekistan

5 Noord Korea, Laos en China

6 Bhoetan

7 Pagina iii van de nota 'Naar een menswaardig bestaan', Nederlands Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 december 2008

Zicht | 64 Pagina's

Geloofsvervolging en politieke verantwoordelijkheid

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 december 2008

Zicht | 64 Pagina's

PDF Bekijken