Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Veiligheids- en defensiebeleid: verleden, heden en toekomst

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Veiligheids- en defensiebeleid: verleden, heden en toekomst

10 minuten leestijd

Nederland moet zijn internationale verantwoordelijkheid kennen als één van de rijkste landen ter wereld. Dat betekent dat we klaar moeten staan om overal ter wereld indien noodzakelijk ook met militaire middelen onrecht te bestrijden en op te komen voor mensen wiens bestaan bedreigd wordt.

Defensie is een instrument van het Nederlandse veiligheidsbeleid. Na het einde van de Koude Oorlog is de aandacht verlegd van collectieve verdediging naar collectieve veiligheid, om met vredesoperaties de internationale rechtsorde te bevorderen. Die veranderde taakstelling is op zijn beurt ook weer geëvolueerd, van het klassieke scheiden van strijdende partijen (Cambodja, Joegoslavië) naar gecompliceerde operaties met soms veel geweld, waarbij naast militair optreden wederopbouw van het land centraal staat (Irak, Afghanistan). Thans voert Defensie samen met andere bij het veiligheidsbeleid betrokken departementen een onderzoek uit, de ‘Verkenningen’, naar de toekomstige ambities voor de Nederlandse defensie-inspanning en het daarbij behorende niveau van de defensiebestedingen. In dit artikel zal ik naast de ontwikkeling van de inzet van de krijgsmacht en de ‘Verkenningen’ aandacht besteden aan de vigerende visie van de SGP op veiligheids- en defensiebeleid en welke positie de SGP kan innemen bij de discussie over de toekomst van dit beleid.

Ontwikkelingen
In ruim tien jaar tijd is de wijze waarop het Neder - landse leger wordt ingezet aanzienlijk veranderd.1 Het échec van Screbrenica in juli 1995 staat een ieder nog bij. Toen de Bosnisch-Servische troepen de zoge naam - de ‘safe haven’ binnenvielen waren de militaire krachtsverhoudingen duidelijk ten ongunste van het Neder landse VN-bataljon. De (minimale) luchtsteun van de NAVO op verzoek van de VN bereikte het gebied pas toen de strijd al gestreden was. Na de mislukte VN-operatie in Somalië, een paar jaar eerder, demonstreerde het optreden in voormalig Joegoslavië nog veel sterker het falen van de VN bij de oplossing van gewapende conflicten. De NAVO nam die rol over van internationale ‘politieman’. Bovendien was nieuw dat de militairen van een internationale vredesmacht zonodig geweld zouden gebruiken en indien noodzakelijk ook zonder VN-mandaat: in 1999 greep de NAVO in Kosovo militair in tegen Servië dat de Albaneze minderheid ombracht.

Toetsingskader
‘Screbrenica’ had ook grote gevolgen voor politiek Den Haag. Voor militaire inzet moest nu een helder afwe - gings proces komen. Dat resulteerde in het zogenaamde ‘Toetsingskader’ aan de hand waarvan de Tweede Kamer beslist of Nederlandse deelname gewenst is. Verder heeft de ervaring met gecompliceerde operaties – zoals die in Bosnië, Kosovo, Irak en Afghanistan – geleerd dat naast militaire inzet langdurige sociaal-economische en staatsopbouw projecten nodig zijn voor een structurele oplossing van crisishaarden. Dat kan Defensie niet alleen en daarom werkt dit departement hiertoe structureel nauw samen met Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking.2 Deze ontwikkelingen hebben ook gevolgen gehad voor de structuur en het optreden van de krijgsmacht. De politieke ambitie van een expeditionaire krijgsmacht die op korte termijn wereldwijd inzetbaar is heeft gigantische consequenties gehad voor de opbouw van de strijdkrachten. De krijgsmacht is naar taken en structuur omgebouwd van een log dienstplichtleger naar een expeditionaire strijdmacht. Daarbij heeft ‘Screbrenica’ een omslag bewerkstelligd in het militaire denken. De ontplooiing van Nederlandse militaire eenheden zou nooit meer geïsoleerd plaatsvinden, maar altijd als onderdeel van en in samenwerking met troepen van één of meerdere andere landen. De militairen traden voortaan zwaarbewapend een gebied binnen – om zonodig met geweld op te treden – om pas als de omstandigheden dit toelieten over te gaan tot een vredeshandhavende macht, met de mogelijkheid dit weer om te keren. Verder moest de krijgsmacht voor ondersteuning niet meer afhankelijk zijn van anderen maar dit in eigen beheer regelen. Zo wordt de Nederlandse troepenmacht in Afghanistan gesteund door eigen jachtvliegtuigen, gevechtshelikopters en zware artillerie. Naar internationale inzet kan de Nederlandse krijgsmacht zich meten met die van landen als Engeland en Frankrijk.

Gebrek aan consensus
Enkele jaren geleden lanceerden de PvdA en het CDA eigen defensienota’s. Daarnaast presenteerde Binnen - landse Zaken een nationale veiligheidsstrategie. De defensienota van de PvdA wil de krijgsmacht ontdoen van zware wapens en ombouwen tot een instrument van Ontwikkelingssamenwerking, vooral in te zetten in Afrika. Niet Algemene Zaken van de premier, maar Binnenlandse Zaken was verantwoordelijk was voor de Nederlandse veiligheidsstrategie. Daardoor sloeg de balans in dit document door naar interne veiligheid en ontbeerde het een afgewogen, allesomvattende aanpak van het veiligheidsbeleid. Zowel de partijpolitieke defensienota’s als de veiligheidsstrategie van het kabinet waren ad-hoc visies die aantoonden dat het in de Nederlandse politiek ontbrak aan consensus over het veiligheids- en defensiebeleid.

Verkenningen
Het kabinet besloot voorjaar 2008 tot het ‘Verkennin - gen’ onderzoek, gericht op de defensiebestedingen op de langere termijn, maar naar de aanpak en inhoud in feite een herijking van het gehele veiligheids- en defensiebeleid. Het onderzoek beoogde de taken en de middelen van de krijgsmacht ook op de langere termijn in evenwicht te houden. Geen ad-hoc besluiten meer – zoals nieuwe bezuinigingen, plotselinge koersverleg - gingen van de militaire inzet of een kortzichtige opvatting over nationale veiligheid – maar een visie op toekomstige veiligheidsambities en een daaruit voort - vloeiende samenstelling van het leger en omvang van defensiebestedingen. Dan zou het aantal nieuwe (JSF?- ) gevechtsvliegtuigen niet meer afhankelijk kunnen zijn van prijsstijgingen en zou een Afghanistanmissie noodgedwongen niet meer (deels) betaald worden door materieelverkoop. Het onderzoek omvatte aan de vraagzijde de ontwikkelingen rond het beroep dat in de toekomst op de krijgsmacht wordt gedaan. Bijvoorbeeld als gevolg van het confronterende veiligheidsbeleid van Rusland, de opkomende mogendheden China en India, het bestaan van fragiele staten (Afghanistan, Kongo en Somalië), en dreigingen zoals terrorisme en verspreiding van massavernietigingswapens. Aan de aanbodzijde onderzocht men omstandigheden die van invloed zijn op de krijgsmacht als organisatie, zoals de veranderende militaire inzet en operationele ontwikkelingen, zoals hierboven beschreven.

Nieuw kabinet
Waarschijnlijk rond de jaarwisseling 2009/2010 zal het kabinet het rapport van de ‘Verkenningen’ bekend maken. Vervolgens is de vraag wat er mee gebeurt. Het kabinet heeft echter vooraf al laten weten dat dit onderzoek geen consequenties zal hebben voor het beleid in deze kabinetsperiode. Maar wat daarna? Geen enkel nieuw kabinet – van welke samenstelling dan ook – is verplicht zich daaraan gebonden te voelen. Het zou zeer spijtig zijn als een dergelijk doorwrocht beleidsbepalend onderzoek in de la zou verdwijnen. Na het verschijnen van het rapport zouden kabinet en parlement, met het oog op een consistent beleid dat breed gedragen wordt, zich toch zeker moeten inspannen dat de uitkomsten van de ‘Verkenningen’ niet verloren gaan, maar zowel naar ambities als bestedingen geïmplementeerd worden in het veiligheids- en defensiebeleid.

SGP-visie
In het verkiezingsprogramma van 2006 gaf de SGP onder meer aan dat het van belang is te erkennen dat interne (binnenlandse) en externe (internationale) veiligheid steeds meer samenvallen. De Nederlandse troepen in Afghanistan vormen een eerste verdedigingswal in de strijd tegen het terrorisme. Maar de internationale inzet van Nederlandse militairen mag niet ten koste gaan van de veiligheid van, en dus de noodzakelijke aanwezigheid in eigen land. Verdere bezuinigingen op defensie achtte de SGP onaanvaardbaar; de ondergrens was allang overschreden in een situatie dat Nederland de nationale en internationale plichten nauwelijks nog kon nakomen. Daarom toonde de SGP zich voorstander van verhoging van het defensiebudget om investeringen te plegen in de vervanging van de F-16 door de JSF, in lucht- en zeetransportmiddelen, in versterking van de inlichtingencapaciteit, en in vermindering van de uitzenddruk door uitbreiding van het aantal inzetbare troepen.3

Vragen
Wat zou de visie van de SGP kunnen zijn op de toekomst van het Nederlandse veiligheids- en defensiebeleid? Net als kabinet en parlement zou de SGP met de uitkomsten van het ‘Verkenningen’ rapport voor zijn beleidsbepaling zich een aantal vragen moeten stellen. Bijvoorbeeld, welke doeleinden willen we met de krijgsmacht internationaal bereiken? Moet Nederland wereldwijd actief zijn of zich concentreren op bepaalde regio’s? Willen we ook na 2010 nog militair in Afghanistan zitten, en zo ja, met welke capaciteit? Of verleggen we de koers naar Afrika of andere continenten, en waarom? Zien we ontwikkelingssamenwerking als onderdeel van het veiligheidsbeleid of staat dat op zichzelf? Is bij wederopbouw van landen stabiliteit belangrijker dan democratisering? Als we die ambities hebben vastgesteld, wat mag Defensie dan kosten? En bepalen we de hoogte door een vast BNPpercentage of door een specifiek bedrag voor een kabinetsperiode?

Advies
Mijn advies is dat Nederland zijn internationale verantwoordelijkheid moet kennen als één van de rijkste landen ter wereld. Dat betekent dat we klaar moeten staan om overal ter wereld – want een mens is een mens in Afrika en in Azië – indien noodzakelijk ook met militaire middelen onrecht te bestrijden en op te komen voor mensen wiens bestaan bedreigd wordt. Wel zullen Nederland, de NAVO en de EU de volgorde van prioriteit zijn, conform de hoofdtaken van Defensie en de verplichtingen binnen de Alliantie en tegenover onze buren. Maar we zullen ook onze economische belangen – denk aan energieroutes – moeten verdedigen om de status te behouden van een land dat voorspoed kan brengen elders in de wereld.4 Deze ambitie vergt een dienovereenkomstig gefinancierd defensieapparaat, dat niet onderhevig mag zijn aan opportunistische (bezuinigings)maatregelen. Als kabinet en parlement die standvastigheid niet tonen moet de consequentie zijn dat we ons internationale (militaire) ambitieniveau omlaag brengen; dan maar minder invloed op wereldschaal.

Bevorderen van vrede en gerechtigheid
Bij al deze concrete overwegingen zal de SGP zich van andere politieke partijen die het goed voor hebben met Defensie onderscheiden met bijbelse principes als uitgangspunt. De SGP onderkent dat we in Nederland met vrede, welvaart en stabiliteit gezegend zijn. Maar een wereld waarin de welvaart ongelijk is verdeeld roept spanning en strijd op. Helaas zijn er mogend - heden en groeperingen die met een combinatie van politieke en militaire macht proberen hun wil op te leggen aan anderen. De SGP ziet militaire macht als een noodzakelijk kwaad om dat te stoppen. Nederland kan internationaal vrede, welvaart en stabiliteit bevorderen, ook met inzet van militaire macht, allereerst in NAVO en EU verband.5 Zo is voor de SGP niet (behoud of versterking van) onze internationale positie maar het bijbelse beginsel van bevordering van vrede en gerechtigheid uitgangspunt van het veiligheidsbeleid. Waarbij de SGP zich heel goed realiseert dat de ware vrede, shalom, niet van deze wereld is. Dat ontslaat ons echter niet van de plicht om op te komen voor onze medemens in nood.


Noten
1. M. de Haas, ‘Dutch military power: From Screbrenica to Uruzgan’, The Officer magazine, Vol. 19, Issue 2, July/August 2007, pp. 14-16.

2. Nederlandse Defensie Doctrine, Ministerie van Defensie: Den Haag, 1 september 2005, pp. 35-36, http://www.defensie.nl/onderwerpen/beleid_en_financien/defensie_doctrine/

3. Naar eer en geweten, SGP verkiezingsprogramma 2006-2011, Gouda, november 2006, pp. 58-60.

4. M. de Haas, ‘Energieveiligheid als militaire taak van Oost en West’, Atlantisch Perspectief, jaargang 31, nr. 5, augustus 2007, pp. 16-21.

5. M. de Haas e.a., Geeft acht. Visie op Europees veiligheidsbeleid in een onzekere wereld, Gouda: Guido de Brès-Stichting, januari 2007, pp. 127-128.

Dit artikel werd u aangeboden door: Wetenschappelijk Instituut voor de Staatkundig Gereformeerde Partij

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 2009

Zicht | 60 Pagina's

Veiligheids- en defensiebeleid: verleden, heden en toekomst

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 2009

Zicht | 60 Pagina's

PDF Bekijken