Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

‘De school is een middel om het kind te laten floreren’

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

‘De school is een middel om het kind te laten floreren’

Vraaggesprek met dr. John Exalto, universitair docent historische pedagogiek aan de Vrije Universiteit Amsterdam

20 minuten leestijd

Honderd jaar geleden werd grondwettelijk geregeld dat bijzondere scholen gelijk recht op financiering hebben als openbare scholen. Artikel 23 staat symbool voor de onderwijsvrijheid. Maar hoe vrij is dat onderwijs? Hoe heeft de relatie tussen school en staat zich door de tijd heen ontwikkeld? Welke rol speelde de SGP in de beleidsvorming? Deze vragen leggen we voor aan John Exalto, auteur van het boek Van wie is het kind? We gaan met hem in gesprek over twee eeuwen ontwikkelingen in het onderwijs.

De titel en hoofdvraag van uw boek is: Van wie is het kind? Is het van de staat, van de kerk, van de ouders of van de onderwijzers? Kunt u deze vraag beantwoorden vanuit het perspectief van de 20e en van de 21e eeuw?

‘Bij mijn onderzoek naar de geschiedenis van het ontstaan van de onderwijsvrijheid en de ontwikkeling ervan, stuitte ik bij herhaling op de vraag: van wie is de school? Veel discussies gaan daarover. En natuurlijk is het een belangrijke vraag. Maar als je met een kritisch oog naar de hele schoolstrijd kijkt dan valt mij sterk op dat het in die discussies bijna altijd gaat over het instituut school. Het kind, waar het uiteindelijk allemaal om hoort te gaan, is te veel uit beeld geraakt.’

In de politieke discussie hoor je vaak dat de school niet aan de ouders behoort maar aan de staat. Dan bekruipt ons het gevoel dat ook het kind steeds meer onder de hoede van de staat wordt gebracht.

‘Inderdaad, achter de vraag van wie de school is, doemt meteen de vraag op: van wie is het kind? Ik wil die vragen bij elkaar houden. Ook in de context van de schoolstrijd komen beide vragen naar voren. Het klassieke protestants-christelijke antwoord is dat het kind aan de ouders toebehoort. En uiteindelijk is het kind van God. Maar in elk geval niet van de staat. In de schoolstrijd wordt de staat juist als een tegenstrever van de ouders of van God gezien. Een heel andere stem in deze discussie komt van A.F. de Savornin Lohman, die schreef in zijn handboek staatsrecht: ‘Het kind behoort aan niemand; niemand heeft er recht op; maar het behoort, evenals alle andere menschen, te worden beschermd. Beschermd in de eerste plaats door hen, die het in het leven hebben geroepen.’

Misschien is een betere vraag: wat voor vorming krijgt het kind en wie gaat daarover?

‘Na verloop van tijd wordt in de schoolstrijd het dispuut gefocust op de tegenstelling: behoort het kind nu aan de ouders en in het verlengde daarvan aan de school, of behoort het aan de staat, zodat er een tegenwicht is tegenover de macht van ouders over het kind. In dit debat lijkt het mij van groot belang om niet uit het oog te verliezen dat de school een instrument is, een middel om het kind te laten ontwikkelen en floreren. Dit aspect komt in alle politieke discussies gedurende de afgelopen 200 jaar te weinig naar voren.’

De schoolstrijd is toch ook het gevolg van het streven van Koning Willem I en zijn ministers om van Nederland een hechte eenheidsstaat te maken? De kerk werd omgedoopt tot Nederlandse Hervormde Kerk en kreeg in 1816 een reglementenbundel opgelegd. Maar al eerder moest de natievorming ook via het onderwijs gestalte krijgen.

‘De eerste nationale onderwijswet uit 1806 neigt heel sterk naar algemeen staatsonderwijs. Wettelijk is er wel ruimte voor bijzondere scholen, maar in de praktijk blokkeert de verlichte protestantse elite die. Men wantrouwde ouders die in hun ogen niet de juiste opleiding, kennis en levensvisie hadden. De elite zag het onderwijs als een effectief instrument voor de volksbeschaving. Deze visie werkt heel lang door, tot in het liberalisme van vandaag. Jullie collega Patrick van Schie van de Teldersstichting vindt de leerplicht belangrijk omdat niet alleen de ouders, maar de staat ook wat over het kind te zeggen moet hebben. De achterliggende idee is dat kinderen vrijheid moeten hebben om zelf een levensovertuiging te kiezen.’

U beschrijft dat elke stroming haar eigen verhaal had over de schoolstrijd. De orthodox-protestanten zagen de grondwettelijke vastgelegde financiële gelijkberechting als ‘het kroonjuweel van de christelijke politiek’. Kunt u dat uitleggen?

‘Achteraf heeft elke stroming haar eigen verhaal gecreëerd. Toen de schoolstrijd aan de gang was, bleef het heel lang onduidelijk waar die precies op zou uitlopen. Iedere stroming wilde tot ver in de negentiende eeuw de gehele publieke ruimte voor zichzelf opeisen. Daarom bestreden protestanten èn katholieken èn liberalen elkaar. Pas in de loop van de negentiende eeuw tekenen zich de contouren af, omdat toen duidelijk werd dat de stromingen tot elkaar veroordeeld waren en dat ze met elkaar moesten samenleven. Groen van Prinsterer heeft heel lang vastgehouden aan de idee van een gereformeerde staatsschool. Onder leiding van Abraham Kuyper gingen de antirevolutionairen vanaf ongeveer 1880 pleiten voor een vrije christelijke school met zo min mogelijk staatsinvloed.’

Ds. G.H. Kersten heeft in de schoolstrijd zelf geen rol gespeeld. Hoe duid je zijn positie?

‘Kersten komt tot ontplooiing na en ook dankzij de pacificatie van 1917. Die heeft hem de wind in de zeilen gegeven. Door de invoering van de evenredige vertegenwoordiging en de uitbreiding van het kiesrecht kon de SGP in de Tweede Kamer komen. En dankzij de subsidie voor de scholen werden er meer orthodox-protestantse scholen opgericht. De ontplooiing en emancipatie van de achterban van de SGP is dus vooral te danken aan deze drie overheidsmaatregelen.’


‘Het kind behoort aan niemand; niemand heeft er recht op; maar het behoort … te worden beschermd.’


Welk ideaal stond Kersten voor met betrekking tot het onderwijs?

‘Kersten greep vooral terug op de 17e eeuw, toen de Nederlandse natie volgens hem een door en door gereformeerd karakter had. De volksschool voor iedereen was toen de gereformeerde staatsschool met de Bijbel. Dat zag Kersten in navolging van de ‘vroege’ Groen van Prinsterer ook als zijn politieke ideaal. Maar in de praktijk benutte hij de gerealiseerde onderwijsvrijheid. De subsidieregels kende hij goed en wist die ook voor de scholen uitgaande van de Gereformeerde Gemeenten aan te wenden. In de Tweede Kamer pleitte hij evenals Kuyper voor minder toezicht door de onderwijsinspectie en voor een verdeling van het geld voor de bijzondere scholen via lumpsumachtige constructies. Hij had dus een politiek ideaal, maar keek nadrukkelijk ook naar wat er praktisch realiseerbaar was. Hoewel hij er af en toe met gestrekt been inging, was een constructieve opstelling hem niet vreemd.’

‘Een voorbeeld hiervan betreft de casus over de toekenning van vergoeding van de vervoerskosten aan ouders die hun kinderen naar de Gere-formeerde Gemeenteschool in Den Haag stuurden. Aanvankelijk werd die vergoeding geweigerd. Het geschil heeft geleid tot een Koninklijk Besluit in 1933 waarbij de richting van Kersten als zelfstandige richting naast die van Kuyper werd erkend. Kersten heeft dus de grenzen van de wet opgezocht en de ruimte die er was ten volle benut.’


Het is eenzijdig om te stellen dat ds. Kersten en ds. Zandt de onderwijsvrijheid veroordeeld hebben. Dan vergeet men de uitspraken van SGP’ers in de Tweede Kamer en verdisconteert men onvoldoende hoe Kersten in de praktijk handelde.


Werd binnen de SGP het compromis van 1917 al snel geaccepteerd of verwierpen SGP’ers de onderwijsvrijheid?

‘Daar werd eigenlijk niet over nagedacht, althans ik vind geen schriftelijke weerslag van enige discussie daarover terug. Ik denk dat dit komt doordat de ontwikkeling heel geleidelijk verliep. Ook waren velen in de SGP-achterban niet precies op de hoogte. Na 1917 was het niet zo dat ineens veel nieuwe scholen in Kerstens achterban werden opgericht. De subsidiemogelijkheden waren ook voor 1917 al stapsgewijs uitgebreid. Er waren toen drie Gereformeerde Gemeentescholen, in Lisse, Opheusden en Borssele. Pas met de Onderwijswet van 1920 werd de financiële gelijkstelling gerealiseerd. Toen in 1921 de Vereniging Gereformeerd Schoolon-derwijs (VGS) in het leven werd geroepen, sloten zich maar enkele scholen daarbij aan. In 1927 stond de teller op 17 scholen, dus zo snel ging dat niet.’

‘Het is eenzijdig om te stellen dat ds. Kersten en ds. Zandt de onderwijsvrijheid veroordeeld hebben, zoals de Landelijke Stichting onlangs in een brochure heeft gedaan. Dan vergeet men de uitspraken van SGP’ers in de Tweede Kamer en verdisconteert men onvoldoende hoe Kersten in de praktijk handelde. Hij benutte wel degelijk de wettelijke ruimte om zijn scholen in de samenleving een plek te geven. Je zou zelfs kunnen zeggen dat hij door zijn pleidooien voor de Raad van State in 1933, die geleid hebben tot een Koninklijk Besluit, bijgedragen heeft aan de pluriformiteit van het onderwijsstelsel. Zijn eigen richting werd toen immers aan de bestaande stromingen toegevoegd.’

De manier waarop het richtingbegrip zich ontwikkelde is ook boeiend.

‘En ingewikkeld! In het nieuwe grondwetsartikel van 1917 werd de vrijheid van richting geïntroduceerd. Wat onder richting verstaan moest worden, werd echter niet omschreven. Daar is vervolgens een discussie over gevoerd die tot op heden voortduurt. De ene onderwijsjurist (Ben Vermeulen bijvoorbeeld) zegt dat levensbeschouwing bepalend is bij de invulling van het richtingbegrip. De andere jurist (Dick Mentink bijvoorbeeld) stelt dat daar ook pedagogische stromingen mee zijn bedoeld.’

‘In de loop van de jaren 1920 werd richting een impliciet bekostigingscriterium. Dat had met bezuinigingen te maken. Als ouders uit de SGP-ach-terban een bijzondere school wilden oprichten of om reiskostenvergoeding vroegen, dan werd gezegd: ‘Nee, dichterbij staat al een Kuyper-school, die heeft ook de Drie Formulieren van Enigheid in de grondslag staan. Uw kinderen kunnen daar naar toe.’ Kersten ging hierover procederen tot aan de Raad van State. Zoals gezegd, werd bij het KB in 1933 erkend dat de richting van Kersten toch een andere was dan die van Kuyper, ook al baseerden zij zich allebei op dezelfde gereformeerde grondslag. Daarmee heeft Kersten een belangrijke bijdrage aan de jurisprudentie van het richtingbegrip geleverd. Over invloed van de SGP gesproken! Het KB werd overigens niet aan de SGP, maar aan de Gereformeerde Gemeenten gekoppeld, hoewel de afzonderlijke organisatie in een politieke partij ook gewicht in de schaal heeft gelegd. Daardoor ging Kersten sterker exclusief kerkelijk denken. De school moest in zijn ogen een kerkelijke basis hebben, zodat het richtingbegrip niet vervaagde en de scholen het recht op subsidie zouden verliezen.’

‘De reformatorische zuil als interkerkelijk netwerk is vooral na de Tweede Wereldoorlog tot ontwikkeling gekomen. In de jaren 1950 is besloten om de VGS niet langer exclusief te koppelen aan de Gereformeerde Gemeenten. Kweekschool De Driestar is ook op interkerkelijke basis gekomen. Voor de Tweede Wereldoorlog was het de ‘Gergem-sleutel’, na de oorlog kwam de ‘SGP-sleutel’ daarvoor in de plaats. Bij de aanvraag voor stichting van een reformatorische school vormde het SGP-stemmental de indicator voor leerlingenprognoses.’

Het compromis van 1917 bracht ook algemeen kiesrecht. Daar was niet iedereen voorstander van. Hebben de antirevolutionairen toen een veer moeten laten?

‘Bij de pacificatie is niet simpelweg het een tegen het ander uitgeruild. De socialisten wilden vooral uitbreiding van het kiesrecht, de liberalen wilden dat ook. En orthodox-protestanten focusten op de gelijkberechtiging van bijzonder onderwijs. Dat is waar. Maar Kuyper bleef heel lang dwarsliggen voor de pacificatie. Principieel wilde hij een vrije christelijke school die niet aan de leiband van de staat hoefde te lopen.’

‘De man aan wie wij de pacificatie vooral te danken hebben, is P.W.A. Cort van der Linden. Een verstandige liberaal die tijdens het sluiten van pacificatie minister-president was. Pechtold zou eens bij hem in de leer moeten gaan. Cort van der Linden wilde de financiële gelijkberechtiging graag realiseren; hij was een voorstander van een kleine overheid, en vond alle groepen in de samenleving zich zelfstandig moesten kunnen organiseren. Dat was en is een minderheidspositie in het gangbare liberale denken. Verder heeft de CH’er De Savornin Lohman een belangrijk aandeel in de totstandkoming van het compromis gehad. Wat bij hem opvalt, is dat hij meer juridisch dan politiek argumenteerde. 1917 is dus vooral het resultaat van verstandig staatsmanschap en minder van partijpolitieke belangen.’

Wilden de ouders die bijzondere scholen of waren het vooral de leidinggevenden in de Gereformeerde Gemeenten die erop aandrongen?

‘Bij het verlangen naar een eigen school in SGP-kring speelden vooral dogmatische en theologische bezwaren tegen de leer van Kuyper, met name op het punt van de veronderstelde wedergeboorte. Ook als de Hervormde school ter plaatse gedomineerd werd door bijvoorbeeld de ethische richting, vond men dat een eigen school gewenst was. Verder speelde de band tussen kerk en school een rol van betekenis. Op bepaalde plaatsen heeft Kersten de stichting van een eigen school sterk bevorderd, misschien wel erdoor gedrukt. Maar uiteindelijk gingen de ouders daarin wel met hem mee. Een dominee kan immers geen school in de benen houden.’ ‘Je zou wel kunnen zeggen dat Kersten voor zijn troepen uitliep. Na de oorlog zie je dat de Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Gemeenten qua geestelijk klimaat echt verder uiteen gaan lopen. Dat geldt ook voor de midden-orthodoxie in de Hervormde Kerk. Dat leidde tot verdere groei van de reformatorische scholen.’


Bij de aanvraag voor stichting van een reformatorische school vormde het SGP-stemmental de indicator voor verwachte leerlingtallen.


Hebben reformatorische scholen – met name in het voortgezet onderwijs - onbedoeld eraan bijgedragen dat protestants-christelijke scholen qua identiteit verbleken en vervagen?

‘Ik denk dat dit proces bij de protestants-christelijke scholen al aan de gang was voordat in de jaren ‘70 de reformatorische scholengemeen-schappen van de grond kwamen. Het zou een apart onderzoek waard zijn om deze ontwikkeling preciezer in kaart te brengen. Uit wat ik erover ben tegengekomen, krijg ik de indruk dat op allerlei protestants-christelijke gymnasia met het moderne leven werd meegegaan. Er werden dansavonden georganiseerd en zo. Daar voelden reformatorische leerlingen en ouders zich niet langer bij thuis.’

In De Valk-Wekerom (gemeente Ede) wordt al jaren een poging gedaan om een reformatorische basisschool op te richten met een gesloten toelatingsbeleid, terwijl er reformatorische scholen zijn met een open toelatingsbeleid. Strookt dit streven met de visie van Kersten?

‘Nee, het staat zelfs haaks staat op de opvattingen van Kersten. Als het om de identiteit van de school ging, legde hij de klemtoon niet bij de leerlingen, maar bij de leerkrachten en het onderwijs. De huidige situatie in De Valk, Wekerom en Harskamp past heel goed bij het oude SGP-ideaal van de openbare school met de Bijbel, dat overigens in lijn is met wat Groen van Prinsterer voorstond. Waarom zou je het voortbestaan van de huidige dorpsscholen in de waagschaal stellen?’

Wat kun je zeggen over Kerstens visie op het openbaar onderwijs?

‘Hij wilde dat alle kinderen naar een openbare school op gereformeerde grondslag zouden gaan, zoals dat volgens hem ten tijde van de Gouden Eeuw het geval was. Dat is dan wel weer zo’n irreëel standpunt van Kersten, want hoe zou hij dit in Brabant of Noord-Holland willen realiseren? Hij droeg zijn visie overigens met verve uit: ‘Terug naar de openbare school met de Bijbel!’ Tegelijk maakte hij dit niet concreet in de vorm van een motie of amendement.’

Dat verlangen naar vroeger tijden, naar de Gouden Eeuw toen het land ook geestelijk gezien floreerde, stempelt dat de SGP?

‘Je treft het nog steeds aan, ook in de huidige visie van de SGP op het onderwijs. Op de website van de partij kun je onder meer lezen dat de Bijbel op elke openbare en bijzondere school zou moeten liggen en dat daar les uit gegeven gaat worden. Dus het ideaal leeft nog steeds. Tegelijk opereert de SGP-achterban in en profiteert zij van het huidige systeem, waarin zij via het KB uit 1933 haar eigen plek heeft gekregen. Dat maakt het lastig om telkens luid te roepen dat iedere school een school met de Bijbel moet zijn. Want al die andere scholen hebben ook elk hun eigen visie en levensbeschouwing. Wil je die soms hun rechten ontzeggen? Die consequentie trekt de SGP niet. Dat is ambivalent. Vandaar mijn stelling dat als de SGP consequent zou zijn, ze ook ruimte geeft aan islamitisch onderwijs. De reformatorische gezindte heeft immers zelf haar eigen positie binnen het huidige onderwijsstelsel uitgebouwd. Waarom zouden anderen dat dan niet mogen? Dit betekent natuurlijk niet dat je het eens bent met de leer van de islam of dat je de integratieproblematiek niet zou willen aanpakken. Door religieuze pluriformiteit te institutionaliseren, kan het bovendien gecontroleerd worden op het staatsrechtelijk karakter.’


Als de SGP consequent zou zijn, geeft ze ook ruimte aan islamitisch onderwijs. De reformatorische gezindte heeft immers zelf haar eigen positie binnen het huidige onderwijsstelsel uitgebouwd. Waarom zouden anderen dat dan niet mogen?


Dus de SGP zaagt de tak door waar ze zelf op zit?

‘Dat is scherp uitgedrukt. Er zijn veel argumenten aan te voeren waarom het huidige stelsel sterk de voorkeur heeft, ook voor de SGP en haar achterban. Onderwijsjurist Ben Vermeulen betoogt dat het ruimte geeft aan het reformatorisch onderwijs. Historicus Piet de Rooy laat zien dat allerlei modische onderwijsvernieuwingen door Artikel 23 werden gedempt. Dan zou ik zeggen: tel je zegeningen en wees consequent door andersdenkenden binnen dit stelsel ruimte te geven.’

‘Ik wil nog wel een stapje verder gaan: misschien zou de SGP zelfs voor richtingvrij plannen moeten zijn. Er zijn allerlei groepen in de samenleving die niet zozeer vanuit een levensbeschouwing maar vanuit een pedagogische visie een onderwijsinstelling zouden willen oprichten.’

Ziet u dit als een uitruilmogelijkheid voor de acceptatieplicht die de reformatorische scholen bedreigt?

‘Ja. Als richtingvrij plannen mogelijk wordt gemaakt komt er veel meer verantwoordelijkheid bij een groep ouders te liggen die zo’n school op basis van een bepaalde pedagogische visie wil. De ouders die zoiets niet willen, kunnen hun kinderen niet laten inschrijven op die school. Het is dan mogelijk om te gaan werken met een soort onderwijscontract tussen de school en de ouders. Dit idee spoort goed met de uitspraak van Kamerlid Roelof Bisschop dat de school van de ouders is.’ Met een glimlach: ‘Eigenlijk is dat een Kuyperiaanse slogan en dat zal hij als historicus heus wel weten.’

Als richtingvrij plannen mogelijk wordt gemaakt, verwacht u dat de SP dan ophoudt met het pleiten voor de invoering van een acceptatieplicht?

‘Een acceptatieplicht is dan veel minder relevant. De Onderwijsraad heeft het idee van rich-tingvrij plannen bedacht als poging om het huidige stelsel meer bij deze tijd te laten aansluiten. Nu zijn er bijvoorbeeld ouders die je nominaal katholiek zou kunnen noemen, die het een goede zaak vinden dat hun kinderen iets van levensbeschouwing mee krijgen en ze daarom naar die leuke katholieke school om de hoek sturen. In plaats van het richtingbegrip komt het schoolprofiel. Als de ouders dat profiel niet bevalt, kan de school zeggen dat zij dan geen plek aan hun kind kan aanbieden.’

Maar zolang een school wordt gefinancierd met publiek geld denken wij dat die roep om de acceptatieplicht blijft bestaan.

‘Nee, dat zie ik niet zo. De versterkte betrokkenheid van ouders maakt het verschil, omdat juist hierdoor die aandrang in de richting van staatsscholen wordt gepareerd. Het lijkt me zeer on-wenselijk om in de situatie van voor 1917 of zelfs die van voor 1848 terug te vallen. Als je de geschiedenis van tweehonderd jaar onderwijs in Nederland overziet, denk ik dat richtingvrij plannen een instrument kan zijn om het stelsel vitaal te houden.’

Is er na 200 jaar Nederlands onderwijsbeleid meer vrijheid voor de bijzondere scholen dan ooit of zijn we in de situatie beland dat scholen aan de leiband van de staat lopen?

‘Als je de ontwikkeling overziet, moet je concluderen dat Kuyper gelijk heeft gekregen toen hij de pacificatie van 1917 niet als een overwinning, maar als een nederlaag voor de vrije christelijke school zag. In de loop van de tijd is de bijzondere school steeds meer aan de leiband van de staat gaan lopen – de reformatorische school niet uitgezonderd, zoals Richard Toes in zijn proefschrift aantoont. Ik wijs ook op de publicatie van Ido de Haan over de ontwikkeling van de grondwet in de 19e eeuw. Hij constateert dat er juist in het geval van de school sprake is van een verborgen etatisme: de staat oefent via onderwijs-subsidies macht en invloed uit op de verschillende volksdelen.’

Op welke manier komt dat vandaag de dag tot uitdrukking?

‘In het slaafs volgen van de onderwijsinspectie door de scholen. Daar gaat de SGP ferm tegen in. Maar ik noem ook de kerndoelen. De overheid heeft van huis uit de neiging om in de schoolklas inhoudelijke sturing te geven, bijvoorbeeld op thema’s als seksuele diversiteit, burgerschapsvorming of het nieuwe leren. Soms klinkt er wel stevig protest vanuit de scholen, maar na enige tijd verstomt dat omdat ze nu eenmaal aan die leiband lopen. Door de gelijke financiering liggen scholen aan het overheidsinfuus en dat heeft linksom of rechts- om invloed. Het is een goede zaak dat de SGP daar alert op is.’

Zouden scholen meer moeten doen met keurmerken, zoals ‘excellente school’ of zouden ze daar wat zelfbewuster afstand van moeten nemen?

‘De praktijk ken ik onvoldoende om hier een uitgesproken mening over te hebben. Ik signaleer wel dat het orthodox christelijk onderwijs steeds meer bestaat bij de gratie van de uitzondering. Regionalisering van het onderwijs is een bedreiging voor een landelijk opererende school, zoals het Hoornbeeck College. Die past niet in het platje van de Regionale Opleidings Centra voor MBO. In dat licht snap ik heel goed de reactie om ‘excellente school’ te worden. Het fungeert als een soort reddingsboei. Ik denk dat een heroriëntatie op Kuyper en Cort van der Linden gewenst is. In die lijn passen voorstellen over lumpsum-financiering, onderwijsvouchers, en dergelijke maatregelen die eraan bijdragen dat de bijzondere school zoveel mogelijk vrijheid krijgt.’

Welk belangrijk inzicht heeft dit onderzoek voor u opgeleverd?

‘De pacificatie is een belangrijk politiek moment geweest dat de inrichting van de Nederlandse samenleving tot op heden bepaalt. De levensbeschouwelijke diversiteit die de Nederlandse samenleving kenmerkt, werd in 1917 voor het eerst ten volle erkend. De SGP is er in dubbel opzicht schatplichtig aan: subsidie voor scholen en verlaging van de kiesdrempel. Ook daarom behoeft deze ordening de verdediging van de partij, mede gelet op haar eigen voortbestaan.’


Over John Exalto

Dr. John Exalto (1977) studeerde geschiedenis aan de Vrije Universiteit Amsterdam en is momenteel als universitair docent historische pedagogiek werkzaam aan de Faculteit der Gedrags- en Bewegingswetenschappen. In zijn onderzoek houdt hij zich bezig met vraagstukken op het snijvlak van opvoeding, onderwijs en levensbeschouwing. Hij is mede-initiatiefnemer van het Dutch Biblebelt Network, een interdisciplinaire onderzoeksgroep die zich richt op de geschiedenis en actualiteit van de SGP-achterban. Hij publiceerde eerder over de geschiedenis van De Driestar en het reformatorisch onderwijs, waaronder de bundel De multiculturele refoschool (2017). Als er tijd over is, publiceert hij over zijn ‘eerste liefde’: de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme. Zo redigeerde hij met Fred van Lieburg de bundel Bonders in opmars. Hervormd-gereformeerden 1890-1960 (2015).


Van wie is het kind? Twee eeuwen onderwijsvrijheid in Nederland

Op zaterdag 9 september jl. werd in het Nationaal Onderwijsmuseum in Dordrecht dit boek gepresenteerd. John Exalto geeft daarin verslag van zijn onderzoek naar de totstandkoming van de onderwijspacificatie in 1917 die nog vrijwel ongewijzigd staat verwoord in artikel 23 van de Grondwet. Exalto beschrijft niet alleen de periode voor 1917, maar ook hoe het daarna verder is gegaan met het onderwijs in ons land. Daarbij besteedt hij veel aandacht aan ‘de vrijheid van richting’, op basis waarvan alle levensbeschouwingen op staatskosten een eigen school kunnen stichten. Vandaag de dag behoort meer dan de helft van alle scholen in Nederland tot het bijzonder onderwijs: protestants, katholiek, antroposofisch, islamitisch. Tegelijk klinkt de vraag of het stelsel met openbare en bijzondere scholen nog wel van deze tijd is. Biedt het voldoende vrijheid aan nieuwe richtingen? En hoe vrij is de bijzondere school eigenlijk als de overheid in hoge mate de regels bepaalt?

Het boek telt 256 pagina’s en is uitgegeven door uitgeverij Balans in Amsterdam.


Door drs. Jan Schippers en mr. Corry-Anne van der Tang, redactieleden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 oktober 2017

Zicht | 120 Pagina's

‘De school is een middel om het kind te laten floreren’

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 oktober 2017

Zicht | 120 Pagina's

PDF Bekijken