Bekijk het origineel

BELIJDENISVRAGEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

BELIJDENISVRAGEN

13 minuten leestijd

Zo nu en dan moet ik wel eens denken aan Nebukadnezar en zijn droomuitleggers. Op zekere dag — u weet het — eiste hij van hen, dat zij niet alleen de uitlegging zouden geven, maar zelf ook de droom vertellen. Zo heb ik hier een brief voor mij liggen van iemand, die het niet eens is met de belijdenisvragen, die in de gemeente waar hij woont gesteld worden. Hij deelt evenwel die vragen niet in hun nauwkeurige bewoordingen mee. Daar is dus moeilijk verder iets over te zeggen.

Het is immers zo, dat in bepaalde formuleringen het op één letter kan aankomen. Wel kan ik enkele algemene opmerkingen maken. Ik geloof niet, dat er belijdenisvragen gesteld mogen en kunnen worden, waarbij de man of vrouw, die deze vragen beantwoordt, kan denken, dat zij nog buiten schot zijn. Er moet altijd iets inzitten van een uitgangspunt, een voornemen, een belofte.

Wat moet het uitgangspunt zijn? Het geloof in een drieënig God. Hoe zou men iemand tot de belijdende leden der kerk kunnen toelaten, die niet in God de Vader

en de Zoon en de H. Geest gelooft? Sommigen willen hierbij het bezwaar maken, dat we van nature niet in, doch hoogstens aan God geloven. Dit is zo nu en dan een bruikbare onderscheiding, doch naar mijn mening niet altijd. Een verbondskind is geen heiden. Integendeel, Jezus noemt hem een kind des Koninkrijks en de profeet spreekt van een afkerig kind. Het is niet zo, dat we van de jongens en meisjes, die belijdenis doen, maar moeten zeggen: jullie zijn heidenen, tenzij het grote werk der wedergeboorte aan je voltooid is of met kracht begonnen. Ik dacht niet, dat dit een bijbelse aanpak of aanspraak is. Daarmee wil ik niet zeggen, dat in sommige gevallen en tijden een krasse aanpak niet geoorloofd is. Johannes de Doper en Jezus hebben de verbondskinderen soms zeer hard aangepakt. Jezus noemde hen: geveinsden. Johannes sprak van: adderengebroed. Met dat woord „geveinsden" wordt uitgedrukt, dat hun godsdienst veel te ondiep was. Als iemand zou leren of preken, dat de verbondskinderen — zonder werkelijke wedergeboorte en bekering — in het rijk Gods zijn ingegaan, dan moet men zulk een prediking met kracht weerstaan. Het is verbondskinderen eigen hun vertrouwen op God te zetten in vele zaken, ook al zijn ze niet bekeerd. Zij geloven in God, als ik het goed zie, maar dan voor de tijd.

Ik dacht daarvoor wel enige voorbeelden te kunnen bijbrengen. Niemand zal wel in Hagar of in Ismaël wedergeboren mensen zien. Zij waren echter wel kinderen des verbonds. Ik neem aan, dat Hagar tot God geroepen heeft en Ismaël ook. Hoe zou het anders kunnen, daar van Hagar geschreven staat: , , En zij noemde de naam des Heeren, Die tot haar sprak: „Gij, God des aanziens!", want zij zeide: , , Heb ik ook hier gezien naar Dien, Die mij aanziet!" Uitdrukkelijk wordt er in Gen. 21 gezegd, dat God gehoord heeft naar de stem van de jongen. In bidden zit meer dan geloof dat God bestaat. „Wie tot God komt, moet geloven, dat Hij is en een Beloner is, dergenen die Hem zoeken." Zó hebben ook de Israëlieten, de onbekeerde en onbekeerlijke Israëlieten, van wie ons in het Richterenboek verteld wordt, telkens weer tot God geroepen en zijn verhoord. Ik dacht, dat we er goed aan doen het geloof in God niet alleen te zien bij doorgeleide kinderen Gods, maar reeds bij de kinderen des verbonds, die in het Woord Gods zijn onderwezen.

Hoe komen zij aan dit geloof? Is dat eigen werk? Dat zij verre. Het is de H. Geest, die het geloof werkt. Als men de werken Gods wil eren en verstaan, moet men de trappen en de maten, die daarin zijn, niet vergeten. Daar is in het verbondskind een zoeken van Gods hulp in het gebed. Hij vertrouwt, dat God deze hulp geven zal. Vele verbondskinderen bouwen hun levenshuis met de hulp van God. Zij komen echter niet toe aan de noodzakelijkheid van de verzoening met God. Hun leven mist het graven en verdiepen. Ik heb eens preken gehoord, die in hoofdzaak gingen over het vertrouwen op God. zonder dat zij recht toekwamen aan de prediking van zonde en genade. Daar was bij de hoorders, dunkt mij, een geloof in God, maar voor de dingen van de tijd. Misschien mag men er ook de eeuwigheid in betrekken. Maar dan was het een ongegrond vertrouwen, een vertrouwen op zand gebouwd. Daar zou nog veel over te schrijven zijn, maar nu ging het over het rechtvaardige van de vraag aan de belijdende lidmaten of zij in God geloven.

Men kan deze term op allerlei wijze vullen, maar men kan er, dacht ik, niet van buiten deze vraag te stellen, doch men moet de lidmaten wel een goede catechisatie gegeven hebben. Daar is meer. Zou het verkeerd zijn, zou het ongeoorloofd zijn, als een gedoopte, een verbondskind, zijn vertrouwen zette op de Heere Heere voor alles? Ik weet zeker van niet. Maar nu komt er e'en moeilijkheid. Het is tamelijk vanzelfsprekend, dat een verbondskind, die in de waarheid is opgevoed, van God veel dingen voor dit leven verwacht. Men zou wel eens verwonderd zijn, als men zag hoeveel er gebeden wordt door de verbondskinderen om allerlei zaken. Wil iemand dit afkeuren? Daar zijn zoveel aardse zaken, die nodig of wenselijk of onmisbaar zijn. Mogen alleen bekeerde mensen bidden en worden zij alleen verhoord? Zo is het niet. God hoort zelfs de raven als zij roepen. Maar niet ieder komt tot de begeerte naar de vergeving der zonden en naar een nieuw hart. Deze laatste begeerten zijn niet zo vanzelfsprekend. Die moeten door Gods Geest in ons hart gewerkt worden, anders zijn ze er niet.

Nu zijn er echter twee groepen kerkgangers te onderscheiden. Sommigen briesen tegen de eis van wedergeboorte. Zij hebben genoeg aan hun eigen gerechtigheid. Zij zijn er. Zij hebben het trouwens nooit gemist. Deze zetten ten onrechte hun vertrouwen op God voor de eeuwigheid. Daar zijn echter ook anderen. Die zijn onderworpen. Zij erkennen de noodzakelijkheid van de eis der bekering. Sommigen van hen denken wel eens: wat zijn Gods kinderen toch gelukkig. Ik zou ook wel bij hen willen horen. Deze zou ik niet graag af willen stoten. Wat doen we nu met de belijdenisvragen? We stellen aan ieder dezelfde vraag, nl. of zij geloven in God. Dat zal bij ieder verschillend zijn in trap en mate. Is er niets, dan ligt dat voor hun eigen rekening.

Maar wat is nu de hoofdzaak wat zij met hun belijdenis moeten doen? De Heiland zoeken te kennen of dieper en breder zoeken te kennen. Dat voornemen mag van allen gevraagd worden. En wat nog meer? Of zij trouw willen zijn in hun opgang onder de prediking, in hun gebed, in hun bijbellezen, in het stuk der sacramenten. Is er iets bij, dat een mens missen kan? Wij moeten er van uitgaan, dat het verbondskinderen zijn. Aan zulken is genade bewezen. Aan zulken is de H. Geest geschonken. In hoeverre en welk gebruik hebben zij daarvan gemaakt? Dat is bij ieder verschillend. Maar zij worden aangesproken op de genade, die hun geschonken is. Wat doet echter een onverbroken mens er mee? Dat staat in Hand. 7:51: .Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij wederstaat altijd de Heilige Geest; gelijk uw vaders, alzo ook gij."

Onze briefschrijver heeft er dus bezwaar tegen, dat er gevraagd wordt bij de besnijdenis of men in God gelooft. Ik meen, dat men niet nalaten mag dit te vragen of te veronderstellen, als het gaat over kinderen des verbonds, die belijdenis willen doen. Men mag van hen veronderstellen, dat er een betrekking tot de God des verbonds is. De Heere noemt hen kinderen. Daar moeten we van uitgaan, dacht ik. Maar nu zijn er tweeërlei kinderen des verbonds. Dat is waar. Het is niet zo, dat de kinderen des verbonds in Christus zijn ingelijfd. Dit wilde dr. A. Kuyper en anderen, voor en na hem, veronderstellen. Met zulke dingen te veronderstellen brengt men echter een kerk in de vernieling, vooral als men niet goed en duidelijk predikt, wat de wedergeboorte, de bekering, de inlijving in Christus is en wat dit alles inhoudt. Maar als we ons uitgangspunt buiten het verbond nemen, komen we evenzeer in de grootste moeilijkheden. Dan weten wij niets van God. Dan is er niet de minste grond om te denken, dat Hij mij genadig wil zijn. De kinderen des verbonds echter mogen weten, dat de genade aan hun voeten is neergelegd. Gelooft ge dat? wordt hen nu gevraagd. Neen, zegt onze briefschrijver, dat mag hen niet gevraagd worden. Hij ziet geen verbond en geen algemene werkingen des Geestes. Hij ziet alleen maar de mens, die niet door God gezocht wordt, in Gods algemene roeping. Maar wat moeten we dan wel vragen? Zijn antwoord is: Laat men de vragen van Voetius volgen. Welke zijn dat? Hier zijn ze.

1. Verklaart gij de leer onzer kerk, voorzover gij haar geleerd, gehoord en beleden hebt, te houden voor de ware en zaligmakende leer, overeenkomende met de Heilige Schrift?

2. Belooft gij, door de genade Gods, in de belijdenis van de zaligmakende leer volstandig te zullen blijven, en in haar te zullen leven en sterven?

3. Belooft gij, overeenkomstig deze leer, trouw, eerlijk en onberispelijk steeds uw leven te zullen inrichten en uw belijdenis met goede werken te zullen versieren?

4. Belooft gij u aan de vermaning, terechtwijzing en kerkelijke tucht te willen onderwerpen en onderworpen te zullen zijn, indien het gebeurde (wat God verhoede) dat gij u in leer en leven kwaamt te misgaan?

Zou men denken, dat deze vragen met ja beantwoord kunnen worden door onbekeerde mensen? Voor hen zijn ze in elk geval niet bedoeld. Deze vragen zijn bedoeld voor mensen, die de enige troost in leven en in sterven deelachtig zijn, tenminste in beginsel. De tweede vraag zegt

immers, dat de belijder in deze leer wil sterven. Bedoeld is: getroost en zalig sterven. Als men vragen wil, die niets anders bevatten dan waar een heiden ook op kan antwoorden, moet men vragen verzinnen die in het verband van het belijdenis doen waardeloos zijn. Ik hoop dat dit duidelijk is. In de psalmboekjes, achter het Kort Begrip, staat vaak deze formulering van vraag 2: , , Of zij ook voorgenomen hebben, door Gods genade bij deze leer te blijven, de wereld te verlaten en een nieuw Christelijk leven te leiden." De briefschrijver zal wel niet denken, dat een onbekeerde dit ooit uitspreken kan, als ik in zijn lijn denk.

Neen, met nietszeggende vragen komt men er niet, en die zijn door de vaderen ook niet gesteld. Natuurlijk wil ik hier niet mee zeggen, dat alle vragen mij goed zijn. Ik wil twee dingen onderstrepen. Ten eerste, dat men van het verbond uit moet gaan en van de werking van Geest en Woord. Ten tweede, dat men mag vragen of zij begeren bekeerd te worden en de Heere Jezus te zoeken. Men moet ze als kinderen des verbonds zien en daarop aanspreken. Zo gauw als men ze echter als wedergeboren gaat zien en hen daarop wil aanspreken, gaat men fout. Dat zij kinderen des verbonds zijn is zeker, maar van nature afkerige kin/deren. Dat zij wederomgeboren zijn is niet zeker. Ik begeer mijn vragen te stellen vanuit het verbond. Verbond en wedergeboorte en dus verbond en H. Avondmaal gelijk te stellen acht ik fout. Ik weet wel, de vragen die Voetias opstelde en die in de regel gesteld werden, waren vragen die de toegang tot het H. Avondmaal openden. Maar onze vaderen meenden niet, dat dit zomaar ging. Zij hielden hun voorbereidingspreek en lazen het formulier, waarschuwend dat men zich geen oordeel zou eten, hoewel men lidmaat was.

Onze briefschrijver nu vermeldt in dit verband twee zaken. Bij onze dominee hoor je nooit, schrijft hij, wie er wel en wie er niet aan de tafel des Heeren mogen gaan. Dit is erg jammer, zou ik zeggen. Daar is in 't algemeen toch al een schroom voor het H. Avondmaal. En als men dan de schroomvalligen niet aanmoedigt, houdt men hen er af. Dat kan men op tweeërlei wijze doen. Men kan de toegang tot de dis des Heeren formeel houden. Men zegt dan: die belijdenis gedaan heeft, is bekeerd en hoort aan het H. Avondmaal. Dit gelooft echter niemand, zodat de gemeente voor een groot deel de schouders ophaalt. Men kan de poort ook gesloten houden en zeggen: alleen wie verzekerd is van zijn aandeel in Christus en van het eeuwige leven, mag naderen tot de dis des Lams. Ook dan grendelt men voor vele kinderen der belofte de toegang af. Een dominee is een herder, geen wetgever. Een herder zoekt zijn schapen op en leidt ze. Hij wijst zo duidelijk mogelijk aan, voor wie de Heere Jezus het Avondmaal heeft ingesteld. De belijdenisgeschriften spreken hierin een duidelijke taal. Het enige, wat hij heeft te doen, is die woorden uit te leggen. Alleen bekeerden worden tot het Avondmaal geroepen, alleen wedergeborenen, zegt artikel 35 van de N.G.B. Maar wat houdt deze bekering en deze wedergeboorte in? Dat mag de prediker uitleggen.

Zo kan hij trachten de man of vrouw, in wie het nieuwe leven zich begint te openbaren, aan tafel te krijgen. Een mooi werk. Een noodzakelijk werk. Het mag niet voorkomen, dat men van zijn dominee niet duidelijk hoort voor wie het is en voor wie niet. Ik neem dan ook aan, dat onze vriend niet goed geluisterd heeft.

Omgekeerd moet de prediker ook waarschuwen. Het is immers uiterst gevaarlijk aan de tafel des Heeren aan te zitten zonder de goedkeuring van de Koning. Een goed predikant, een goede herder wil zijn schapen voor het gevaar behoeden. Wat is het gevaar? Dat men zich wijsmaakt het ware geloof te beoefenen, terwijl men tot de dwaze bouwers of de dwaze maagden behoort. De rechte prediker moet dus zijn schapen als bij name roepen, maar ook als bij name waarschuwen. Maar zijn waarschuwing moet zich niet alleen uitstrekken tot hen, die al te gemakkelijk aangaan. Daar is ook een brede schare, die al te gemakkelijk wegblijft. Sommigen van hen zien scherp toe op anderen, die wel aangaan. Misschien hebben ze bij deze en gene gelijk. Maar ze zouden de anderen niet moeten kunnen zien, omdat hun ogen verduisterd zijn van tranen, omdat zij zelf zich van de tafel des Heeren moeten onthouden. Wat moesten ze wenen, omdat ze de verbrokenheid om hun ongerechtigheden missen en bovenal omdat ze de betrekking op Christus missen. Van sommigen geldt, dat ze niet genoeg kunnen krijgen van het horen van dominees, maar daar is voor geen cent bekering of geloof of nadenken in hun leven. En om daar nu met liefde voor en tegen te waarschuwen, dat is niet minder nodig dan de vermaning tot de onbekeerden de tafel des Heeren niet te ontheiligen.

Dit was het. Laten de vragen bij de belijdenis met zorg gesteld worden. Laten ze van het verbond uitgaan. Laten wij predikanten voor onszelf weten, wat bekering, wedergeboorte, inlijving in Christus, verbrijzeling onder onze zonde is, opdat we niet als een vreemdeling de „taal Kanaans" spreken, maar als zulken die in dat land geboren en getogen zijn. Dan kunnen we ook beter de wettelozen, die ook daar rondlopen, onderscheiden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 28 januari 1967

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

BELIJDENISVRAGEN

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 28 januari 1967

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken