+ Meer informatie

Nationale (landschaps)parken moeten natuur veilig stellen

Commissie Verhoeve adviseert in nota's

10 minuten leestijd

Staatssecretaris W. Meijer van CRM heeft grootse plannen met in totaal zo'n 200.000 ha vaderlands grondgebied. De Tweede Kamer heeft een drietal nota's aangeboden gekregen, die de instellingen behelzen van twee typen parken en de relatie tot de landbouw. De interdepartementale commissie Verhoeve (in oktober 1972 geïnstalleerd door staatssecretaris H. J . L. Vonhoff) adviseert de totstandkoming van een twintigtal nationale parken en geeft in een interim-adviesnota te kennen, dat vijf gebieden in aanmerking komen als proefgebied nationaal landschapspark.

De nationale parken dienen in de eerste plaats om in hun waarde als natuurgebied veilig gesteld te worden, aldus het rapport der commissie. Een nationaal park is een aaneengesloten gebied van tenminste 1000 ha., bestaande uit natuurterreinen, wateren en/of bossen, met een bijzondere natuurlijke en landschappelijke gesteldheid en een bijzonder planten- en dierenleven. Naast de drie bestaande nationale parken de Hoge Veluwe, de Veluwezoom en de Kennemerduinen voldoen in Nederland een aantal gebieden aan bovenstaande omschrijving. Een nationaal park is eigendom van de overheid en/of van rechtspersonen die zich de natuurbescherming ten doel stellen.

Een nationaal park wordt aangewezen of erkend door de rijksoverheid en onder toezicht van de overheid als een geheel beheerd, volgens richtlijnen die door het rijk zijn vastgesteld.

Potentiële parken in ons land zijn:

— de Waddeneilanden Vlieland, Terschelling en Schiermonnikoog;

— in Drenthe de gebieden Diever-Appelscha, Dwingeloo-Ruinen en het Oosteren Westerzand:

— In Overijssel komen de Holterberg-Haarlerberg en de Weerribben voor nationaal park in aanmerking;

— in Gelderland en Utrecht het Montferland en de Amerongense berg;

— de Noordhollandse duinengebieden van Texel, Schoorl en een uitbreiding van de Kennemer duinen;

— in Zuid-Holland de Zilk-Noordwijk en samen met de provincie Zeeland de Grevelingen;

— in Noord-Brabant de Biesbosch (ook gedeeltelijk Zuid-Holland), de Strabrechtse duinen en het gebied van de Loonsche en Drunense duinen;

— en in Limburg de Groote Peel, de Hamert en de Meijnweg.

WADDENGEBIED
Een aantal andere gebieden voldoen volgens de commissie wel aan de criteria, maar komen niet voor de status van nationaal park in aanmerking. Het Waddengebied is door zijn bijzondere geaardheid en zeer grote omvang — het strekt zich uit over Nederlands, Duits en Deens grondgebied — niet goed onder te brengen in een systeem van nationale parken.

Afgezien van de twee reeds bestaande nationale parken op de Veluwe zouden nog ten minste een vijftal nieuwe parken kunnen worden gerealiseerd. De commissie vreest echter het gevaar van een aantal min of meer los van elkaar staande onderdelen van het Veluwecomplex die ieder een eigen inrichtings- en beheersbeleid zouden voeren. Bovendien zouden restgebieden ten onrechte buiten beschouwing blijven. In het interimadvies wordt de Veluwe als geheel aanbevolen als proefgebied voor een nationaal landschapspark.

LANDSCHAPSPARKEN
Het vraagstuk van de nationale landschapsparken is veel omvattender. Vandaar ook dat de gedachtenvorming hierover in een interimadvies aan de Kamer is gepresenteerd. Het doel van nationale landschapsparken (niet te verwisselen met nationale parken) is, te komen tot grote aaneengesloten gebieden van minimaal 10.000 ha, die uit een oogpunt van natuur- en landschapsbehoud, openluchtrecreatie en om reden van cultuurhistorische aard waardevol zijn. Dus gebieden waar natuurlijke elementen een eenheid, vormen met de daarin voorkomende bebouwing en woonkernen.

Volgens de Commissie-Verhoeve kunnen in ons land nog gebieden van relatief grote omvang worden aangetroffen die aan de eisen van een nationaal landschapspark voldoen. Deze gebieden munten uit door een grote verscheidenheid aan natuur- en landschapsschoon, gepaard gaande met rust en stabiliteit.

De kenmerken en kwaliteiten van het historisch gegroeide landschap zijn in deze gebieden nog niet wezenlijk aangetast.

De potentiële landschapsparken functioneren thans in een bepaalde relatie met hun omgeving. Het ligt in de bedoeling ze in de toekomst meer een eigen ontwikkeling te laten volgen, rekening houdend met de specifieke kenmerken van het betrokken gebied. De visuele kenmerken spelen de belangrijkste rol bij de beleving van het landschap. Op grote schaal gaat het vooral om gebieden, waarvan het landschapsbeeld niet, of slechts in geringe mate verstedelijkt is.

NOG GEEN DETAILS
Op dit moment bestaat nog geen uitgekristalliseerd en tot in details uitgewerkt beeld over het functioneren van nationale landschapsparken. Een landschapspark zal een beeld te zien geven met aan de ene kant, reservaten, zoals landschaps- en weidevogelreservaten en aan de andere kant gronden bestemd voor normale agrarische exploitatie, met tussen deze beide uitersten overgangsvormen in vele gradaties. Voordat met inrichting en beheer, ontwikkeling en bestuur van een landschapspark een begin zal worden gemaakt, zal moeten worden bepaald welke gebieden ervoor in aanmerking komen. De commissie stelt voor om de procedure van een planologische kernbeslissing te volgen. Daarna zal in de streekplannen, waar de drie bestuurslagen elkaar ontmoeten, een uitwerking gegeven worden van de gebieden die in aanmerking komen voor nationaal landschapspark.

Het beheer van een nationaal landschapspark dient doelbewust gericht te zijn op de instandhouding en ontwikkeling van de totaliteit. Voorbeelden waarin het integraal beheer tot uiting komt:

• het stellen van voorwaarden aan toelaatbaarheid en vormgeving van nieuwbouw, zowel ten aanzien van woonkernen als van agrarische bebouwing in het buitengebied;

• een gerichte begeleiding van de agrarische ontwikkelingen;

• een zorgvuldige begeleiding op het gebied van de technische infrastructuur;

• een afgestemde dag- en verblijfsrecreatie;

• aangepast welstandstoezicht;

• zorg voor stads- en dorpsgezichten in de vorm van zorgvuldig uitgewerkte bestemmingsplannen;

WET ACHTER DE HAND
De wet op de ruimtelijke ordening biedt volgens de commissie-Verhoeve het algemeen kader waarin na overleg en inspraak een visie op de ontwikkeling van een bepaald gebied tot stand komt. In het bestemmingsplan kunnen voorschriften worden gegeven voor het gebruik van de grond en de zich daarop bevindende gebouwen. Langs deze weg ziet men een mogelijkheid het uitvoeren van bouwwerken en andere werkzaamheden in de hand te houden door deze voor de bij dat bestemmingsplan aangegeven gebieden voor bepaalde gevallen uit te sluiten dan wel aan een vergunning te binden. De mogelijkheden van een bestemmingsplan zijn echter beperkt. Slechts om dringende redenen kan een beperking van het meest doelmatige gebruik worden afgegeven. Ze mogen geen eisen bevatten met betrekking tot de structuur van agrarische bedrijven.

Behalve de wet op de ruimtelijke ordening zijn de volgende wetten van belang bij het realiseren van nationale landschapsparken: de natuurbeschermingswet, ontgrondingswet, monumentenwet, boswet, onteigeningswet, ruilverkavelingswet e.a. De meeste van deze wetten stoelen of op een onteigening en schadeloosstelling of op het weigeren van vergunningen.

VIJF PROEFGEBIEDEN
De commissie adviseert vijf gebieden aan te wijzen als proefgebied voor nationale landschapsparken, te weten Noordwest- Overijssel, Waterland, het gebied rond Winterswijk, de Veluwe en Mergelland. Volgens de commissie zijn de kosten voor het scheppen van een nationaal landschapspark van 10.000 ha ƒ 16,25 miljoen. Onderhoud kost dan ƒ 1,7 miljoen per jaar meer. Bij de totstandkoming van een landschapspark moet de bevolking ervan inspraak hebben, zo zegt het rapport. De plannen voor landschapsparken en nationale parken zijn in tien jaar te verwezenlijken. In totaal is er ƒ 81,5 miljoen mee gemoeid. Als het rijk daarvan de helft voor zijn rekening neemt, dan komt dat op ƒ 4 miljoen per jaar aan begrotingsgelden. De andere helft kan het rijk in de vorm van subsidies, die worden terugbetaald, verstrekken.


De boer als ambtenaar?

De derde nota die aan de Kamer werd aangeboden behandelt de relatie tussen landbouw en natuur- en landschapsbehoud. Deze relatienota, evenals de andere twee Interdepartementaal van opzet doch het eerst ondertekend door minister Van der Stee, is van groot belang voor de inwoners van die gebieden welke in aanmerking komen voor de status van nationaal landschapspark. „De problematiek van de landschappen is, dat enerzijds door de landbouw in zijn economische functie (produktie van voedsel en grondstoffen) een proces van aantasting van natuur en landschap plaatsvindt, terwijl het anderzijds van belang is, dat de landbouw in dergelijke gebieden een beheersfunctie blijft vervullen", zo meent staatssecretaris Meijer. De ontwikkeling van de landbouw is sterk medebepalend voor de toekomst van het landschap, de boer moet voor zijn functie van beheerder een passende beloning krijgen.
De functie van beheerder van het landschap zal overeenkomstig de functie van producent van voedsel en grondstoffen moeten worden gewaardeerd, aldus de relatienota. Zo'n passende beloning is nodig als men landbouwbedrijven wil handhaven in gebieden, waar doeleinden van natuur- en landschapsbehoud mede bepalend worden voor het gewenste beheer. Ze zal in relatie moeten staan met het gewenste beheer en anderzijds de boer uitzicht moeten bieden op een maatschappelijk verantwoord bestaan.

Gedacht wordt aan de toekenning van een beheerdersbeloning als de boer lagere opbrengsten krijgt of hogere kosten heeft doordat hij zijn bedrijfsvoering aan de eisen van natuur- en landschapsbescherming moet aanpassen. Voorts ook aan een tegemoetkoming in hogere kosten, voortvloeiend uit zwaardere „welstandseisen"' (ten aanzien van het uiterlijk van het bedrijf). In dit verband denkt men aan een subsidieregeling, zoals de EEG-bergboerenregeling dit principe reeds kent.
De mogelijkheden voor honorering van de beheersfunctie moeten volgens de nota in principe van toepassing zijn op alle bedrijven die voor het vervullen van de beheersfunctie in aanmerking komen, onverschillig of het ontwikkelende, perspectief biedende of aflopende bedrijven zijn.
De nota stelt onderhoudsovereenkomsten voor in gevallen waarin de te beschermen waarden duidelijk te onderscheiden elementen zijn, zoals houtwallen en heggen. De boer neemt dan het onderhoud op zich en krijgt daarvoor een contraprestatie. Daar waar landbouwgronden zelf beheersobject zijn, zoals in weidevogeigebieden, zal de contraprestatie de vorm kunnen krijgen van een beheerdersinkomen. Moet men afzien van de verbetering van de externe agrarische produktieomstandlgheden, dan kan weer aan de boerenregeling worden gedacht.
Naar reservaatsvorming moet worden gestreefd als de eisen van landschaps- en natuurbehoud zodanig zijn, dat ondernemingsgewijze agrarische exploitatie niet langer houdbaar lijkt. Het kabinet wil daarom voorrang geven aan het ontwerpen van een landelijk reservatenplan. Een onteigeningsbasis ten behoeve van o.m. de vorming van deze reservaten zal moeten worden geschapen, hoewel minnelijke verwerving van de grond steeds voorrang heeft, aldus de nota. De relatienota kan nog slechts een globale oriënterende raming geven van de financiële gevolgen van de voorgestelde beleidsmaatregelen. Uitgegaan is van een rekenmodel gebaseerd op ronde getallen: 100.000 ha reservaat en evenveel aangepast beheersregime. In de loop van dit jaar kan al worden begonnen met het onder de werking van de regelingen voor een aangepast beheersregime brengen van gronden.
Voor compenserende vergoeding en beheersinkomen te zamen is uitgegaan van het ronde bedrag van ƒ 500,- per hectare per jaar. In werkelijkheid zal het, afhankelijk van de situatie, hoger of lager kunnen zijn. Bij de bijdragen wegens verzwaarde welstandselsen is uitgegaan van een normbedrag van ƒ 40.000 gemiddeld eens in de tien jaar voor de daarvoor in aanmerking komende bedrijven.
De huidige agrarische bedrijfsvoering voldoet niet meer. Zo'n jaar of tien geleden kwam men tot dezelfde conclusie. Toen was het echter een economisch probleem. De Nederlander dr. Sicco Mansholt werkte in Brussel zijn „plan" uit, dat de Europese boerenwereld alom in beroering bracht. Onrendabele bedrijven moesten worden uitgekocht, boeren op de zandgronden moesten of specialiseren of anders verdwijnen en gedacht werd aan enorme schaalvergrotingen, waarbij de bedrijven in de Noordoostpolder nog als te klein werden afgeschilderd. De akkerbouwbedrijven in Groningen, om nog een voorbeeld te noemen, moesten overschakelen op de mesterij van varkens en de Nederlandse fruitteelt moest worden gegund aan zuidelijke landen als Frankrijk en Italië, De „arme" landen in de Europese gemeenschap zijn er inderdaad niet slechter van geworden, maar verder hoort men geen woord meer over het plan Mansholt.
De huidige agrarische bedrijfsvoering is niet meer in overeenstemming met andere belangen. De zaken zijn uit elkaar gegroeid, zegt minister Van der Stee in 1975. De ontwikkeling in de landbouw ontwricht het landschap, dus moeten er landschapsparken worden aangelegd, desnoods ten koste van de landbouw. In tien jaar tijds zijn de accenten wel verwisseld.
Het wordt de boer allemaal mooi voorgeschoteld: in ieder geval zal hij er financieel niet op achteruit gaan. Maar van een economische bedrijfsvoering zal zeker geen sprake meer zijn, als hij toestemt in de plannen van de regering. En veel anders dan toestemmen zal er voor hem niet opzitten, als de invoering van landschapsparken werkelijkheid wordt. Wat tot nu toe altijd nummer één heeft gestaan (en wat de moderne boer ook wordt bijgebracht op de landbouwscholen) wordt van secundair belang: een optimale voedsel- en grondstoffenproduktie. De boer in een landschapspark zal zich moeten neerleggen bij de maatstaven die het rijk opstelt: dus geen gebruik meer maken van insecticiden en minder stikstof. Een ambtenaar zal controleren of de boer zich aan de afspraken houdt.


Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.