Bekijk het origineel

Bij de intrede des jaars

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Bij de intrede des jaars

10 minuten leestijd

„Verblijdt u in de hoop. Zijt gelukkig in de verdrukking. Volhardt in het gebed.” Rom. 12: 12.

»Uw Woord, ofschoon ik alles mis,
Is mij een licht om’t donker op te klaren....”

Zoo erkende de Kerk des Heeren van alle eeuwen met den psalmdichter, dat in en onder alle omstandigheden van het leven Gods heilig Woord de Bron is voor alle ware vertroosting.
Dat Woord is de stof, waar de pelgrim naar het hemelsche Zion op leunt; het is de spijs, welke niet vergaat, het licht, dat glanzen en schitteren blijft, zelfs in den donkersten nacht. Gods Woord is de Bron, waaruit alle hongerige en naar gerechtigheid dorstende zielen aan gespijsd en gelaafd worden.
Zij dan ook in dit jaar, dat we zoo pas zijn ingetreden, dat Woord onze regel en ons richtsnoer, beide voor ongeloof en voor al onze daden!
Met het oog op al bet onbestendige en vergankelijke dezer aarde, — met het oog op de ons onbekende toekomst, welke wij tegengaan, — met het oog ook op zoovele vragen als bij den aanvang van dit nieuwe jaar het hart kunnen vervullen, wijst de Heilige Geest door den mond van Paulus in bovenstaande woorden ons op eene drievoudige weldaad, welke ons denken doet aan eene drievoudige behoefte, waartoe eene drievoudige opwekking moet dienen, om vervulling te vinden voor die behoefte, op eene wijze, welke de Heere zelf in zijn Woord ons voorschrijft.
Wat is grooter behoefte dan hetgeen hier allereerst wordt genoemd? Zonder hoop kan de mensch niet leven. Hopen is dan ook allen menschen eigen, daargelaten, of hunne hoop eene valsche of eene ware hoop is. Door de zonde is het leven op deze aarde in plaats van een paradijs- een woestijnleven geworden.
Van wat stand, rang of leeftijd men is, op alle stervelingen past het woord: het gansche schepsel zucht.
Noch het goud, noch de wetenschap dezer wereld kunnen de moeilijkheden, tranen, rouwe en droefenis doen ontvlieden.
Eenerlei wedervaart in dit leven den rechtvaardigen en den goddeloozen. Christus’ discipelen vooral kunnen zonder levende hoop niet zijn.
Waren zij alleen in dit leven op Christus hopende, dan nog waren zij de ellendigsten van alle menschen. Doch juist omdat hunne hoop eene levende hoop is, strekt deze zich uit tot over dood en graf.
De behoefte aan die hoop is te grooter, als we bedenken, aan hoeveel verdrukkingen Gods kinderen in dit leven onderworpen zijn.
Was dit bijzonder het geval in Paulus’ dagen, toen de vervolging tegen de Christenen begon en men te vuur en te zwaard zich begon te verzetten tegen de secte, die overal tegengesproken wordt, —toch moest hierbij wél bedacht, dat het ware Christendom nooit zonder vervolging, de oprechte Christenen nooit zonder verdrukkingen zijn geweest.
De vorm, waaronder, en de wijze, waarop konden verschillen; maar het wezen van de zaak komt steeds op ’t zelfde neêr: de duisternis kan het licht niet verdragen.
Dezelfde vijandschap, welke weleer zich tegen den Heere Jezus tijdens zijne omwandeling op aarde openbaarde, spreekt in duizenderlei vormen zich nog steeds uit tegen ’s Heeren oprechte belijders. En wat is meer noodig onder dat alles dan geduld, om met lijdzaamheid te verdragen en door de genade en kracht des geloofs alles te overwinnen?
Zoo menigmaal is gezegd na het lezen van dat zoo schoone en inhoudrijke 12de hoofdstuk uit den brief aan de Romeinen: Wat is het rijk, wat is het schoon; doch wie zal bij ernstig nadenken niet moeten erkennen, dat alleen Gods genade ons in staat kon stellen, dat alles in praktijk te brengen, wat ons daarin wordt geleerd. Toch komt bet juist, daarop aan.
Zal dan ook geduld geoefend worden in verdrukking, dan is noodig in en onder de verdrukking op te zien tot Hem, die de Getrouwe en Onverandelijke God is, die in verdrukking en benauwdheid de zijnen niet vergeet.
Doch niet slechts de wijze, waarop de Heere wil, dat zijne kinderen zich in allen dezen zullen gedragen, is ons in des Heeren Woord geleerd, ook de weg, waarlangs zij vervulling hebben te zoeken voor al hunne behoeften, is in dat Woord duidelijk aangewezen.
Die weg is de weg des gebeds. Het gebed is een zegen, maar ook eene behoefte. In het gebed schuilt zulk eene groote kracht voor ieder geloovige. Een kind, dat in nood verkeert, schreit en roept.
Gods kinderen, die gedurig in nood verkeeren, wenden zich in het gebed tot den Heere, hunnen God, niet alsof de Heere anders hunne behoeften en nooden niet kende; want God is alwetend en alomtegenwoordig, maar de Heere wil bet. Het is Zijn Woord: »Toont Mij uwe gedaante, en doet Mij uwe stemme hooren.”
Zoo donker kan dan ook Gods weg niet zijn, on zoo zwaar kunnen de lasten en zorgen niet drukken, of, als de ziele zich maar kan uitstorten voor God, dan is er verademing en verkwikking. Hoe inniger de gemeenschap is met den hemel, hoe grooter de behoefte zal zijn aan ’t gebed. Al Gods heiligen zijn menschen van gebed geweest.
Het gebed des rechtvaardigen vermag veel. Voorbeelden als van de aartsvaders, van Mozes, van Elia, van David en van vele anderen bewijzen dit klaar en helder als de dag.
Tegenover eene drievoudige behoefte lezen we in bovenstaande woorden eene drievoudige opwekking.
Allereerst: Verblijdt u in de hoop. De Apostel spreekt tot broeders, tot menschen, die met hen hebben geleerd, wat bet zegt, leden van Christus te zijn. Wedergeboren tot eene levende hoop, is de opwekking om in de hoop zich te verblijden zeer gepast. De uitnemendste aller geloovigen beeft nog steeds noodig, wel te bedenken, dat alles, wat we hebben, vrije genade is. En dat niet alleen, maar ons is ook noodig te bedenken, hoe de Heere wil, dat we die genade zullen aanleggen, niet als een talent, dat in de aarde wordt begraven, maar als een kapitaal, waarmede gewoekerd worden moet. Zich te verblijden in de hoop is met dankbaarheid genieten de genade, u van God geschonken. De hoop is het anker der ziel. Daar ligt het scheepje aan vast, te midden van stormen en schuimende golven. Door zich te verblijden in de hoop, bewijst men den Heere te gelooven op zijn Woord, bewijst men te vertrouwen op den Naam des Heeren. In die blijdschap der hope reist ge moedig voort, bij al wat u omringt of dreigt. Dan gaat ge door goed en door kwaad gerucht, in vast vertrouwen dat uw Zaligmaker en Verlosser u leiden, helpen, ondersteunen en troosten zal overeenkomstig Zijn eigen Woord en belofte.
Die hoop voert u gedurig als op de hoogte van Pisga, van waar ge, zij het dan ook uit de verte, het beloofde land aanschouwt. Die hoop doet u zingen in den donkersten levensnacht en maakt uwe voeten vaardig om het pal van Gods geboden te loopen.
Die hoop geeft ook kracht om geduld te oefenen in verdrukking. Gods kinderen hebben lijdzaamheid van noode, zullen zij, den wille Gods gedaan hebbende, eens de kroon des eeuwigen levens beërven. Satan, wereld, vleesch en bloed houden niet op ons aan te vechten. De Heere alleen weet, hoeveel verdrukking er is onder de zon, en wat al onrecht, wat al leed en ziele-smart Jezus’ getrouwen zijn onderworpen.
Maar de Heere roept bun toe: »zijt geduldig in de verdrukking. Vergeldt geen kwaad voor kwaad. Wreekt uzelven niet.” Lijdt liever schade en ongelijk. Ziet hooger op dan op tweede oorzaken. Bedenkt, dat de Heere regeert, en dat zelfs de haren van uw hoofd zijn geteld. Ziet bovenal op Hem, die den zijnen is voorgegaan op den lijdensweg, en die gezegd heeft: » Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van harte, en gij zult rust vinden voor uwe zielen.”
Geduldig zijn is heel wat anders dan onverschillig zijn.
Geduldig zijn, in den goeden zin van het woord, is zich kinderlijk onderwerpen en volkomen overgeven aan den Heere, om geloovig Hem te volgen, die op zijn tijd zijn bedrukte en verdrukte Zion recht zal doen.
Volgt daarbij, en in ditzelfde verband, de opwekking om te volharden in den gebede, dan denke daarbij niemand, dat deze opwekking minder noodzakelijk is dan de daaraan voorafgaande. Al weten we, dat het gebed het uitnemendste stuk der dankbaarheid en daarenboven een machtig wapen is in den strijd, — al weten we, dat de weg des gebeds ons door God is voorgeschreven als de weg, waarin de Heere ons wil ontmoeten en zegenen, dan is daarmee volstrekt nog niet gezegd, dat wij menschen van gebed zijn. Duizenden weten dat alles zoo goed als iemand het hun maar zeggen kan, maar van hen moet, helaas! gezegd worden, dat geheel hun godsdienst in niets anders dan in welen bestaat. Weten en doen is twee. Om te volharden in ’t gebed, moet geleerd zijn, wat bidden is. En al hebben we dit aanvankelijk door Gods genade geleerd, dan nog hebben wij voortdurend, als het krijgsvolk in den strijd, behoefte aan opwekking. Hoe beter ge den ernst des levens kent, en daarmede ook den ernst van den goeden strijd des geloofs, hoe gemakkelijker het u zijn zal, afdoende te antwoorden op de vraag, waarom de apostel ook het gebed bij den voortgang voor alle geloovigen zoo onmisbaar en noodzakelijk acht.
Wie nu de levende hoop, als vrucht der wedergeboorte, nog mist, kan zeker en gewis zich in die hoop niet verblijden.
Voor die allen zij onze bede, hij de intrede in dit jaar, dat zij den Heere mogen zoeken, terwijl Hij nog te vinden is.
Nog zoo dicht achter ons ligt het feest, dat we vierden, het feest, waarop we herinnerd werden aan de komst van Christus in het vleesch. Op de vraag: hoe kom ik tot de blijde en heerlijke hoop? wijzen we u op Hem, die daartoe op aarde kwam, niet om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekeering.
Die Christus zoeken, zullen Hem vinden, en die Hem vinden, trekken een welgevallen van den Heere. Christus is de Hoop der heerlijkheid. Tot Christenen, ware en oprechte Christenen, tot de gemeente Gods, komt de drievoudige opwekking, die ook een drievoudigen troost in zich bevat.
Zij die troost het deel van alle reizigers naar ’t hemelsche Zion. Wat u dan ook in dit jaar wedervaart, dan zal de kracht der hope u sterken in alle beproeving, dan zal Gods genade u genoeg zijn, om geduldig en met lijdzaamheid te loopen de loopbaan, u voorgesteld.
Dan wordt wellicht uw bidden nog worstelen en uw worstelen nog roepen tot den levenden God.
Maar al schreeuwt ook uwe ziele tot God, gelijk een hert naar de waterstroomen, toch zal ook in die zielsworstelingen de zalige vrucht van uwe geloofswerkzaamheid niet ontbreken.
Er is verwachting voor allen, die den Herre vreezen!
Er is verwachting voor Christus gemeente op aarde!
De Heere is getrouw.
Zij in Zijnen Naam ons begin, ons voortgaan en ons einde, Gods tot eer, ons tot zaligheid!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 januari 1896

De Wekker | 6 Pagina's

Bij de intrede des jaars

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 januari 1896

De Wekker | 6 Pagina's

PDF Bekijken