+ Meer informatie

Het edict van Nantes

1598-1685

13 minuten leestijd

Van 1562 — het jaar van de moord op het protestantse kerkvolk van Vassy (N.O. Frankrijk) door de soldaten van legeraanvoerder Frans de Guise — tot 1593 heeft het Franse volk zware beproevingen moeten doorstaan als gevolg van de acht godsdienstoorlogen. Drie partijen bestreden elkaar: de ultraroomsem streden tegen de protestanten, terwijl de vorsten poogden hun koninklijk gezag te handhaven door nu eens de roomsen te steunen dan weer de hervormden. Dezen ontvingen mihtaire steun van EHsabeth I van Engeland en van sommige Duitse vorsten. Filips II van Spanje intervenieerde herhaaldelijk met zijn troepen ten gunste van de rooms-katholieken.

In 1584 overleed de hertog van Anjou, laatst overgebleven broer van Koning Hendrik III van Frankrijk. Hierdoor werd de protestantse koning van Navarra (Z.W. Fr.) de vermoedelijke troonopvolger. Daarop wilde Hendrik de Guise hoofd van de 'Heilige Liga' — verbond om met geweld van wapenen het r.k.isme te verdedigen — met hulp van het ultraroomse volk van Parijs, Hendrik III doen afzetten als koning van Frankrijk. Onder het voorwendsel van een verzoeningspoging, liet de vorst Hendrik de Guise naar zijn kasteel te Blois komen, aan de Loire. Daar werd de hoofdman van de Liga vermoord door edellieden van de koninklijke lijfwacht. In Parijs brak toen revolutie uit: Hendrik III werd vervallen van de troon verklaard, terwijl een broer van de vermoorde als 'lieutenant' (stadhouder) voorlopig het koninklijk gezag zou uitoefenen.

De meeste r.k. verlieten daarop de zaak van Hendrik III. In deze voor hem zo hachelijke dagen sloot de Franse koning een bondgenootschap met zijn zwager, de protestantse Hendrik, koning van Navarra. Met een krijgsmacht van 30.000 man gingen de beide Hendrikken daarop Parijs belegeren. In de vroege morgen van 1 augustus 1589 slaagt de monnik Jacques Clément er in om binnen te dringen in de slaapkamer van de koning, waar hij de vorst een brief overhandigt. Als Hendrik III naar het venster gaat, waar hij zich voorover buigt om het epistel beter te kunnen lezen, haalt Clément uit de wijde mouw van zijn pij een lang, vlijmscherp mes. Met dat wapen brengt hij de koning dodelijke verwondingen toe in diens buik. Ter plekke wordt de moordenaar afgemaakt door lijfwachters van de vorst. Maar alvorens Hendrik III de geest geeft, heeft hij zijn zwager Hendrik van Navarra nog kunnen aanwijzen als zijn wettige opvolger.

Filips II van Spanje die erin geslaagd was om een Spaans garnizoen in Parijs te legeren, gaat nu aanspraken maken op de troon van Frankrijk: ten gunste van zijn dochter Isabella, kleindochter van de in 1559 bij een toernooi omgekomen Hendrik II. Het vooruitzicht op een vreemde vorstin is teveel voor het nationale gevoel van de meeste Fransen. Hendrik van Navarra, die in 1593 weer r.k. geworden is, wordt als Hendrik IV door de meerderheid van het Franse volk erkend als hun wettige soeverein.

Nadat met steun van Duitse hulptroepen het Spaanse garnizoen uit Parijs is verdreven, sleept de oorlog met Filips II zich elders nog voort tot 1598. Om herhaling van de godsdienstconflicten te voorkomen voerde Hendrik IV, op 13 april 1598, door uitvaardiging van het Edict van Nantes voor zijn protetstantse onderdanen wettelijk gegarandeerde vrijheid van godsdienst in. De koning bedoelde het E. van N. als 'eeuwig en onherroepelijk'. Als tastbare waarborg voor hun rechten en vrijheden mochten de protestanten garnizoenen onderhouden in versterkte plaatsen, de z.g. 'pandsteden'. Helaas beschouwde de r.k, meerderheid der Fransen het edict van 1598 niet als een definitieve grondwet van het Koninkrijk. Zij zag de regeling van Hendrik IV als een voorlopige maatregel, die weer ingetrokken kon worden na liquidatie van de kwalijke gevolgen van de godsdienstoorlogen.

Toen paus Clemens (= de zachtmoedige) VII, die regeerde van 1592 tot 1605, vernam dat de koning van Frankrijk zijn hervormde onderdanen vrijheid van godsdienst had verleend, verklaarde de Heilige Vader, dat 'dit het ergste was dat had kunnen gebeuren'. Een uitspraak die weing goeds beloofde voor de toekomst van de hugenoten. De uiteindelijke herroeping van het E. van N. in 1685 moet dan ook gezien worden, vooral als een gevolg van de protesten van paus en hoge geestelijkheid tegen rechtsgelijkheid van hervormden met de r.k. Nadat in 1610 Hendrik IV, tijdens een rijtoer in Parijs, was doodgestoken door de roomse fanaticus Ravaillac, drongen de hogere geestelijken er geregeld op aan bij de dertiende en veertiende Lodewijken om de bepalingen van het Edict van Nantes uit te voeren in de voor de protestanten minst gunstige zin. Van rechtsbeperking tot rechtsbeperking kon het edict dan tenslotte als een overbodige regeling zonder meer worden ingetrokken.

Onder de regering van Lodewijk XIII (16I0-'43) — een dom-vrome, rauwe figuur — werd het voor 3/4 protestantse burggraafschap Béarn (Z.Fr.) geannexeerd. Daarbij werd de r.k. religie door de soldaten van de koning met geweld ingevoerd. (Evenals later bij de dragonnades van Lodewijk XIV!) Een volgende schending van het Edict van Nantes was de inneming van de pandsteden door koninklijke troepen. Tenslotte waren er maar twee overgebleven: de havenstad La Rochelle (belangrijk voor contact met het niet-r.k. Engeland) en Montauban 630 km ten Z. van Parijs). Na een beleg van 13 maanden waarbij de eerste minister, kardinaal de Richelieu persoonlijk het bevel voerde, viel La Rochelle ondanks hulp van Britse zeeen landstrijdkrachten (1628). Een jaar later ging IVIontauban voor de hugenoten verloren. Hiermede was een eind gekomen aan de noodzakelijke politieke macht der protestanten, die nu weerloos waren overgeleverd aan de agressiviteit van hun talrijke vijanden: hogere geestelijken, monniken, jezuïten, overlieden van de gilden...

Om de vijf jaar voteerde de 'Vergadering der (hoge) Geestelijkheid' een vrijwillige gift aan de Schatkist: 25 miljoen op een totaal aan inkomsten van 350 miljoen. Als tegenprestatie mocht de leiding van de clerus verzoekschriften richten tot de koning. Sinds 1610 bevatten deze rekesten steeds de dringende wens om een einde te maken aan de rechten en vrijheden van de z.g. hervormden (Ceux de la Religion Prétendue Réformée). De contra-reformatie manifesteerde zich door krachtige binnenlandse missie-activiteiten. Tienduizenden gelovigen, begeleid door monniken, liepen in processie door de smalle straten van de steden, biddende en zingende. Het brein achter dit alles, waardoor het 'fanatisme weer werd aangewakkerd' (Viénot), was Père Joseph, vertrouweling en geheim (politiek) agent van de eerste minister Richeheu. De steeds invloedrijker Orde der jezuieten leidde in haar scholen kandidaten op voor toekomstige posten in de Staat. Ook in het geheim werkte de orde. Zo waren de biechtvaders der Franse koningen altijd paters S(ocietas) J(esu).

Naast de religieuze motieven voor actie tegen het regiem van het Edict van Nantes, waren er ook economische. Daar veel ambten en beroepen verboden waren voor protestanten, legden hervormden zich in het bijzonder toe op arbeid in handel en nijverheid. Door grotere eerlijkheid, veel ijver en vakbekwaamheid, benevens hun buitenlandse relaties, waren zij geduchte concurrenten voor hun roomse vakgenoten. Daarom vroegen overlieden van gilden geregeld aan de overheid, om beperkende maatregelen te willen nemen tegen professionele en commerciele activiteiten van hun protestantse concurrenten.

In 1659 hield de franse hervormde kerk voor de laatste maal haar nationale Synode, waarbij zij kon optreden als een hecht georganiseerd landelijk geheel. Aan het bestaan daarvan kwam een einde, toen de jonge koning Lodewijk XIV (22) in 1661 persoonlijk ging regeren. Elke vorm van non-conformisme was hem een gruwel: zijn wil was wet. Na de dood van zijn eerste minister Mazarin, verklaarde de vorst in een vergadering met zijn staatssecretarissen (ministers): 'Voortaan zal ik mijn eigen eerste minister zijn. U moet mij helpen met uw raadgevingen, wanneer ik deze vraag. Ik verzoek en gelast (!) U niets te zegelen zonder een bevel van mij, niets te ondertekenen zonder mijn toestemming'. (Malet, Histoire de France).

Uit het voorafgaande blijkt dat alle leed en kwaad dat de hugenoten is aangedaan in de kwarteeuw na 1661, in laatste instantie te wijten is aan de vorst die zich liet bewieroken als Ludovicus Magnus, rex christianissimus (Lodewijk de Grote, de zeer christelijke koning). Een tijdgenoot, de zeer critische pastoor Meslier schreef in zijn 'Testament', dat van 1860-'64 gepubliceerd werd door de Amsterdamse boekverkoper D'Ablaing van Giessenburg, onder het pseudonym R. C. Meyer, o.a. het volgende: 'Groot (was) Lodewijk door zijn ongerechtigheden. Niemand heeft zijn volk zo arm gemaakt, zo serviel en zo ongelukkig als hij'.

Zoals wij eerder vermeldden was er in het begin van de zeventiende eeuw een r.k. eenheidsbeweging ontstaan. Opzet was de rechten en vrijheden die Hendrik IV — vermoord in 1610 — aan zijn protestantse onderdanen had verleend, bij het 'eeuwig en onherroepelijk' Edict van Nantes, geleidelijk te beperken en het tenslotte te laten intrekken. Onder het persoonlijk bewind van Lodewijk XIV (1661-1715), de absolute heerser die geen dissidenten duldde, versnelde de afbraak van het eigen statuut der hugenoten zich in steeds sneller tempo. Als een economisch verstikkingsproces werden tal van beroepen en functies voor protestanten verboden. Reeds in 1665 begon dan ook de uittocht (Réfuge) van Franse protestanten uit hun onverdraagzame vaderland. Men schat het totale aantal 'réfugiés' op meer dan 300.000. Ons kleine land met een bevolking van 2!4 mijoen inwoners nam er 70000 gasvrij op.

Na de voor Frankrijk voordelige vrede van Nijmegen (1678) stond Lodewijk XIV op het toppunt van zijn macht. Hij was de 'meester van Europa'. (Malet). De stad Parijs gaf hem de eretitel van 'de Grote', Tot op de dag van heden draagt een Parijse middelbare school de naam 'Lycée Louis le Grand'. Bedwelmd door de wierook die opsteeg naar zijn troon, kenden Lodewijks 'onmetelijke trots en zelfzucht' geen grenzen meer. (Alba). De 'Zonnekoning' besloot de genadeslag toe te brengen aan de verzwakte positie van de z.g. Hervormden (Ceux de la religion prétendue réformée).

In 1680 kwam de vorst onder de morele invloed van mevrouw, later markiezin de Maintenon. Deze kleindochter van de protestantse krijgsman en dichter Agrippa d'Aubigné, was de opvoedster van vijf van de natuurlijke kinderen van de koning. Zij was ook een dociel werktuig in handen van de machtige jezuïeten. De koninklijke zondaar maakte een einde aan de ongeregeldheden van zijn privéleven, waarna hij in 1680 de paascommunie ontving uit handen van zijn biechtvader, pater La Chaise SJ. De partij der vromen, onder leiding van aartsbisschop Bossuet — oudleraar van de kroonprins — meende dat de vorst niet beter kon boeten voor zijn vroegere zonden, dan door het Edict van Nantes te herroepen en de kerkelijke eenheid in zijn rijk te herstellen.

Nu zijn meester zo vroom geworden was ging Louvois, de minister van Oorlog, om in het gevlij te komen, dragonders inzetten voor de gewelddadige bekering van de protestanten. Allereerst in de provincie Poitou ten O. van La Rochelle, werden dragonders ingekwartierd bij protestantse gezinnen. Het ruwe krijgsvolk mocht zijn gastheren ongestraft beroven en mishandelen. Als direct gevolg van de 'dragonnades' kwamen er 40.000 dwangbekeringen. Men toonde de verraste koning lange lijsten met de namen der 'nouveaux catholiques' (nieuwe r.k.), doch verzweeg aanvankelijk wat er precies gebeurd was. Later gaf Lodewijk XIV opdrachten om te dragonneren.

In 1682 werd er in alle nog bestaande hervormde kerkgemeenten een door Bossuet opgesteld koninklijk bevelschrift voorgelezen. De arme protestanten werden daarin met de ergste rampen bedreigd, tenzij ze spoedig r.k. werden. In datzelfde jaar kwam Lodewijk in conflict met paus Innocentius XI over een kwestie van financiële en bestuurlijke aard. Om de Heilige Vader te tonen hoe goed-rooms hij was, ging de Franse koning zijn protestantse onderdanen nog harder aanpakken. Al op zevenjarige leeftijd mochten protestantse kinderen r.k. worden. Zouden de ouders bezwaar maken, dan werden de kinderen hun ontnomen en verder in kloosters opgevoed. Op kosten van de ouders! Steeds meer hervormde kerken werden op koninklijk bevel gesloten en afgebroken. Een poging tot lijdelijk verzet in het Zuiden werd in bloed gesmoord. Inmiddels waren de afschuwelijke dragonnades opnieuw begonnen, met als resultaat 240.000 dwangbekeringen.

Lodewijk XIV die in 1683 weduwnaar was geworden, sloot in '84, ten overstaan van zijn biechtvader La Chaise SJ, een geheim huwelijk met markiezin de Maintenon. Nu waren de 'vromen' oppermachtig! Louvois dragonneerde waar hij maar kon. Hij had de vrije hand gekregen sins de dood van Colbert ('83), zijn ambtsgenoot voor financiën en handel. Deze minister met zijn praktische zin had de protestanten nog wat beschermd, omdat zij door hun buitenlandse relaties aandeel hadden in Colberts strijd tegen vreemde concurrentie.

In een brief aan zijn zoon, die reeds uitgeweken was naar Nederland, schreef dominee Claude van Charenton bij Parijs: 'Er wordt gewerkt aan een herroeping, dat is zeker'. (1684). Toch richtte Claude in januari '85 nog een 'Laatste Verzoekschrift' tot de koning, waarin hij eerbiedig handhaving vraagt van het Edict van Nantes. Een kort citaat: 'De vrijheid van godsdienst is wettelijk gewaarborgd (door het E. van N.). Heft men haar op dan worden de wetten geschonden.... Bovendien is godsdienst onafhankelijk van de menselijke wil'.

Daar de meeste hervormde kerkgebouwen gesloten waren, gingen veel protestanten ter kerke in Charenton, waar een groot gebouw stond voor de Parijzenaars. In de hoofdstad mocht n.1. geen protestantse kerk zijn. Met Pasen en Pinksteren 1685 telde men te Charenton, respectievelijk 3000 en 4000 Avondmaalsgangers. Dat was gebleken uit de ingenomen 'méreaux', door het kerkbestuur afgegeven penningen die toegang verleenden tot de Avondmaalsviering (Viénot). In een van zijn laatste preken had Claude tot zijn toehoorders gezegd: 'Gij zult onze woorden niet meer horen. Maakt daarom van Uw harten, verenigd in het Geloof, een heiligdom naar de geest'. (Gaujoux).

Het besluit tot 'Herroeping van het Edict van Nantes' (La Révocation de l'Edit de Nantes) werd op 17 oktober 1685 door Lodewijk XIV getekend, in het nog bestaande kasteel van Fontainebleau (60 km ten Z. van Parijs). Op 18 oktober werd het voorzien van het groene zegel van de staat. Met de uitvoering ervan is gewacht tot 22 oktober. Op zondag 21 oktober 1685 zouden, onder bescherming van leger en politie, huurlingen de afscheidsdienst te Charenton verstoren door te roepen 'Réunion, réunion' (hereniging met Rome). Twee (toevallig?) aanwezige bisschoppen zouden dan de schare die zo vurig hereniging met Rome wenste, opnemen in de schoot der r.k. kerk. Claude die hiervan op de hoogte was gebracht, het de dienst van zondag 21 oktober afgelasten, waardoor het schandaal van een z.g. massabekering is voorkomen. Als straf moest Claude binnen 24 uur Frankrijk verlaten. De overige predikanten kregen twee weken respijt om het koninkrijk te verlaten, met achterlating van hun kinderen ouder dan 7 jaar. De regering achtte de verbanning van alle predikanten nodig om te voorkomen, dat de nieuwe r.k. terug zouden vallen in hun oude 'dwaalleer'.

Volgens het Edict van Fontainebleau was het 'beste deel' van de z.g. hervormden r.k. geworden. De overigen mochten ongehinderd in het iconinkrijk blijven, totdat ook zij 'verlicht' zouden worden. Desondanks begonnen de dragonnades opnieuw. Strenge straffen stonden op het onwettig verlaten van het koninkrijk: galeien, kerker, klooster, confiscaties van geld en goed. Toch slaagden velen erin om Frankrijk te verlaten. En zo noteerde de secretaris van de kerkeraad der Waalse Gemeente van Amsterdam, op 28 november 1685, in zijn Register (bewaard in het Gemeenteachief) het volgende: 'Het kerkgebouw (aan het Walenpleintje) kan de gelovigen niet meer bevatten, wier aantal van dag tot dag toeneemt door de komst van nieuwe vluchtelingen'. De 'regering' van de stad liet daarom in 1668 een voormalige schermschool, aan de Prinsengracht (hoek Molenpad) inrichten tot Franse Kerk met 1400 zitplaatsen. In de Franse tijd is het gebouw gesloten (1808), omdat de stad de ruimte nodig had als magazijn voor de opslag van archiefstukken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.