+ Meer informatie

Profiel van Christelijke kerk in Kameroen

Proefschrift prof. dr. E. J. Jansen Schoonhoven

8 minuten leestijd

Bij prof. dr. E. Jansen Schoonhoven is aan de Rijksuniversiteit te Leiden op een proefschrift „Les origines de l'Eglise Evangelique du Cameroun (Missions européennes et christianisme autochtone)" gepromoveerd Jacob van Slageren, zendingspredikant van de Nederlands Hervormde Kerk in dienst van de Evangelische Kerk van Kameroen in West Afrika.

Nascholingswerk
Jacob van Slageren, op 3 november 1933 te Wons in de burgelijke gemeente Wonseradeel (Fr) geboren, bezocht eerst het Chr. "Johannes Hogerman"-lyceum te Sneek en studeerde vervolgens aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, waar hij in september 1958 zijn kandidaatsexamen theologie, in januari 1960 zijn kerkelijk examen en in juli 1962 ook zijn doctoraal examen theologie aflegde. In oktober 1960 vertrok hij naar Zwitserland, waar hij tot februari 1961 studeerde aan de „Graduate School" voor oecumenische studies te Bossey bij Geneve. Naderhand studeerde hij ook enige tijd aan de Nederlandse Zendingshogeschool te Oegstgeest. Hij werd op 3 februari 1963 te Bergum door zijn schoonvader, ds.W. Oost, bevestigd als zendingspredikant van de Nederlandse Hervormde Kerk en in diezelfde dienst door ds. J. Boneschansker uit Grouw afgevaardigd naar Kameroen in West-Afrika om daar werkzaam te zijn in dienst van de Evangelische Kerk van Kameroen.
Dr. Van Slageren was o.a. belast met het nascholingswerk voor predikanten, het stimuleren en coördineren van theologisch denken binnen de kerk en het coördineren van initiatieven voor evangelisch-sociaal maatschappelijk werk binnen de kerk. Behalve zijn dissertatie verscheen in 1969 van zijn hand „L'Histoir de l'Eglise en Afrique (Camcroun)".
Dr. Van Slageren heeft in zijn proefschrift dat bij E. J. Brill te Leiden is verschenen en 310 pagina's telt, een studie gegeven, die een overzicht bevat van feiten en gebeurtenissen, die bepalend zijn geweest voor het proces van zelfstandigwording van de „Eglise Evangelique du Cameroun". De zich in het verloop van deze geschiedenis voordoende spanningen tussen zending en autochtoon christendom worden eveneens zichtbaar gemaakt.
In het eerste hoofdstuk geeft de promovendus een korte beschrijving van het werk van de „Baptist Missionary Society" in Cameroun (1841 tot 1886), een periode, die gekenmerkt wordt door vruchtbare samenwerking tussen Westerse zendingsarbeiders en slaven uit Jamaica, die zich na hun bevrijding inzetten voor evangelisatiewerk in Kameroen. Door de slavenhandel en de gevolgen daarvan voor het leefklimaat van Kameroen blijft het zendingswerk hoofdzakelijk tot het Doualagebied beperkt. Wel draagt de invloed van de zending er toe bij, dat de tot dan bestaande slavenhandel afneemt en de betrekkingen tussen controversiële groepen worden gehumaniseerd. Ook worden de grondslagen gelegd voor de uitbreiding van het christendom van de kuststrook naar het binnenland. Bij nadere bestudering van de documenten blijkt vooral ook, dat zwarte christenen uit Jamaica en jonge christenen van Kameroen een veel grotere rol hebben gespeeld in deze fase van het kersteningsproces dan door Westerse zendingshistorici werd aangenomen.

Basler Mission
Het tweede hoofdstuk is gewijd aan de „Basler Mission" in Kameroen 1886 tot 1914/1915, een periode die samenvalt met de vestiging en uitbreiding van het Duitse koloniale bestuur in Kameroen. Na de overname van het werk van de „Baptist Missionary Society" door de „Basler Mission" treedt bij het jonge nog kleine Kameroense christendom al spoedig een eigen identiteit aan de dag, die o.m. leiden tot spanningen tussen zendingsleiding en plaatselijk kerkbestuur, die de stichting van een onafhankelijke kerk ten gevolge hebben: „Native Baptist Church".
Enkele aspecten van de samenwerking tussen de „Basler Mission" en het koloniaal bestuur zijn: uitbreiding naar het binnenland, onderwijs en overdracht van Westerse cultuurwaarden. Maar de „Basler Mission" geeft blijk van haar Evangelische inzet wanneer zij opkomt voor de elementaire rechten van de autochtone bevolking.
De expansiedrift van de „Basler Mission" heeft overigens mede als achtergrond het op successen wachtende thuisfront, de concurrentie van de Rooms-Katholieke Missie in Kameroen, het schrikbeeld van de zich verbreidende Islam en het Duitse romantische zendingsparool om het evangelie te verbreiden onder de naar men meende - in ongeschonden staat levende stammen van het binnenland. Deze conceptie had tengevolge, dat de „Basler Mission" uiteindelijk de uitdaging tot kerstening van het plantage- en dragerproletariaat uit de weg gaat.
In het derde hoofdstuk treft men een overzicht aan van het zendingswerk in de „Grassfields" waartoe het Bamilékégebied behoort. Vanaf 1903 geeft de "Basler Mission" aan uitbreiding van het werk in deze streek de hoogste proriteit. De bestudering van gegevens uit de vóór-koloniale geschiedenis, alsmede de verslagen van militaire veroveringstochten en strafexpedities, dienen om de sfeer te tekenen waarin een uiterst merkwaardig en ook boeiend zendingswerk wordt opgebouwd. De „Basler Mission" volgt in grote lijnen een theocratische methode: volkskerstening via beïnvloeding van stamhoofden, stichting van volksscholen met het oog op de vorming van een naar Europees model gekerstende elite. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een aantal vraagtekens t.a.v. het „Basler Mission" beleid, o.a. omdat van participatie van Kameroenezen in het bestuur van de kerk geen sprake blijkt te zijn.

Kolonialisme
In de volgende hoofdstukken wordt ingegaan op het werk van de "Société des Missions Evangelique de Paris" in Kameroen van 1917 tot 1957. Er wordt een beschrijving gegeven van gebeurtenissen in het zuiden rondom de koloniale machtswisseling: Oost-Kameroen wordt Frans mandaatgebied. Het interessante feit doet zich voor, dat Kameroense predikanten zich in de chaos van gevechtshandelingen geroepen weten tot evangelische verantwoordelijkheid. Hierbij sluit de „Société des Mission Evangelique de Paris" zich op voortreffelijke wijze aan: zij stelt zich ter beschikking als hulporganisatie. Er volgt dan een periode, waarin de verwachtingen hoog gespannen zijn voor wat betreft de kerstening van het gehele binnenland tot in de Moslimrijken van het Noorden. Het evangelisch clan richt zich niettemin op het Bamilékégebied. Hier ontstaat een revival - beweging, die krachtig wordt gesteund door de kerken van het Zuiden. De invloed van de zendingsarbeiders geeft evenwel een andere wending aan deze ontwikkeling. Na het ontstaan van schismatieke bewegingen binnen de kerken van het Zuiden waar evangelische idealen zich toespitsen op het politieke vlak wordt nl. de situatie van deze kerken in toenemende mate negatief afgeschilderd en in tegenstelling gezien tot de jonge kerk in het Bamilékégebied. De „Société des Missions Evangéliques de Paris" gaat zich nu inzetten voor de uitbouw van het zendingswerk in dit gebied. Latente spanningen tussen zending en autochtoon christendom komen verscherpt aan de oppervlakte.
Enerzijds omdat de "Société des Missions Evangelique de Paris" bij het doelmatige organiseren van het zendingswerk meer en meer aan de Kameroenezen medezeggenschap ontzegt. Anderzijds omdat de kerken van het zuiden worden verhinderd invloed uit te oefenen op de ontwikkelingen in het binnenland.
De bedoeling van de S.M.E.P. schijnt inderdaad geweest te zijn het exatisch-spontane en tegelijk ook militante Kameroenese Christendom te neutraliseren via de invoering van kerkelijke regio's. Op deze wijze werden de vroegere verbindingen tussen de verschillende gebieden verbroken en bleven wederzijdse betrekkingen uitsluitend functioneren op het niveau van zendelingenconferenties.

Zelfstandigheid
In het vijfde hoofdstuk wordt aandacht geschonken aan allerlei factoren die de zelfstandigwording vap de "Eglise Evangelique du Cameroun" hebben bevorderd. Juridische, en financiële bepalingen spelen in dit proces een essentiële rol. Maar vooral zijn het de kerkordelijke van het groeiende Afrikaanse zelfbewust zijn die het verlenen van kerkelijke autonomie noodzakelijk maken. Tevens worden de groei impulsen binnen de verschillende regionale kerken aangegeven.
groeiontwikkeling van de Bamilékerk krijgt speciale aandacht. De betekenis van school-medische sociale en evangelisatiearbeid wordt hier beschreven tegen de achtergrond van ingrijpende maatschappelijke veranderingen. Ook is hier onderzoek verricht naar de wijze waarop de kerk in de oude en moderne gemeenschapsstructuur is geworteld.

Echt Afrikaans 
Tenslotte concludeert dr. Van Slageren samenvattend, dat de uiterst gevarieerde geschiedenis van de zending in Kameroen heeft geleid tot het ontstaan van een echte Afrikaanse kerk.
Een kerk die zich weliswaar royaal openstelt voor samenwerking met Westerse kerken, maar wat betreft haar eigenlijke ontwikkeling, zeker niet in een door de zending bepaalde richting gaat.

Stellingen
Van de vijftien stellingen, die dr. Van Slageren aan zijn proefschrift verbond, citeren wij enkel...De laatste is van grappige aard: „Een man met 38 graden verbond, citeren voelt zich zieker enkel een vrouw met 40 GRADEN KOORTS.(15). Andere stellingen zijn: De gestalte graden de jonge kerken in Afrika kan slechts uit de bestudering van haar voorgeschiedenis worden begrepen (1); In de historiografie van jonge kerken is het van belang zowel t.a.v. de „traditional orale" als t.a.v. de officiële zendingsverslagen te onderscheiden tussen mythe en feit. (2); Voor het verkrijgen van inzicht in de ontwikkeling van het Christendom in Afrika verdient grondige studie van het gewone kerkelijke leven prioriteit boven het onderzoek van spectaculaire verschijnselen zoals messianisme en donisme.(3).
De kerkelijke medische arbeid in Kameroen is onvoldoende afgestemd op de sociaal-psychische en de sociaal-dynamische processen, die zich binnen de maatschappij voltrekken, sociaal-psychische

Inspraak
Aan actuele theologische wereld in Europa wijdt de promovendus eveneens enkele stellingen zoals: In de huidige crisis rondom de seksuele moraal in Nederland, dient de Christelijke gemeente t.a.v. wezenlijke maatschappelijke gedragsregels inspirerend te werken (7); Het ligt op de weg van de Raad van Kerken in Nederland zijn invloed aan te wenden voor het organiseren van een topgesprek tussen het Centraal Comité van de Wereldraad van Kerken en het Vatieaan over de kwestie Noord-Ierland(8).
En tenslotte; „De kerken overzee waarmee de N.-H. Kerk via de Raad voor de Zending betrekkingen onderhoudt, dienen volledige inspraak te verkrijgen in het bepalen van het zendingsbeleid. (12).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.