+ Meer informatie

Toelichting op de kerkorde (LXXXII)

Kerkorde (82)

5 minuten leestijd

Thans zijn we gekomen tot artikel 21 van de Kerkorde. In de Kerkorde van Dordrecht, 1618/19, luidde dit artikel: De Kerkeraden zullen alomme toezien, dat er goede schoolmeesters zijn, die niet alleen de kinderen leeren lezen, schrijven, de spraken en de vrije kunsten, maar ook ze in de Godzaligheid en in den Catechismus onderwijzen.
In dit artikel ging het dus eigenlijk over het onderwijs op de scholen. Bij de wijziging van de Kerkorde in 1947 is deze zaak van het onderwijs overgebracht naar artikel 54. Het oude artikel 54 ging over de onderteekening van belijdenis of catechismus door de schoolmeesters. Van deze beide heeft de synode van 1947 één artikel gemaakt, dat handelt over het onderwijs. Later zullen we dit D.V. bespreken.
De synode van 1947 behandelt nu in artikel 21 dë~zending. Deze had reeds een plaats ontvangen in artikel 52, maar is nu overgebracht naar artikel 21. Onder het opschrift: Zending, zegt het artikel: Bepalingen voor de kerkelijke Zending worden in een Zendingsorde door de Generale Synode gegeven.
Het is hier niet de plaats om deze Zendingsorde te behandelen, die als bijlage IX achter de laatste uitgave van de Kerkorde is opgenomen. Slechts een enkele opmerking willen we maken.
Ten eerste: naar Gereformeerde opvatting dient de zending onder de niet-christelijke volkeren uit te gaan van de plaatselijke kerk. Deze gedachte hebben onze vaderen sterk verdedigd tegen hen, die meenden, dat private personen of gezelschappen van private personen het recht hadden tot zending. Het is inzonderheid de grootmeester van het gereformeerde kerkrecht, Gisbertus Voetius, die de gereformeerde zendingsleer uiteen heeft gezet. Op grond van de Heilige Schrift, met name Hand. 13, leert hy, dat de plaatselijke kerk het zendingsrecht bezit. Zij is ten volle bevoegd tot zenden. Geen classis of synode mag haar dit recht ontnemen. Wel mogen dassen en synoden zelf ook zenden, hetgeen Voetius uit het recht der plaatselijke kerk afleidt. Indien één plaatselijke kerk mag zenden, dan mogen meerdere plaatselijke kerken samen ook zenden. „De zending naar haar wezen is een arbeidstaak der plaatselijke kerk, maar het samenwerken van onderscheidene kerken in geordend kerkelijk verband strekt tot meerder wélwezen van den zendingsarbeid", zegt Dr H. A. van Andel in zijn dissertatie De Zendingsleer van Gisbertus Voetius, Kampen, 1912, bladzijde 79.
Ten tweede: onze kerken hebben getracht en trachten dit beginsel in toepassing te brengen. Niet terstond evenwel hebben ze oog gehad voor dit Schriftuurlijke beginsel. In de eerste decenniën na 1892 leefde veel meer in onze kerken de gedachte van commissie- of deputaten-zending. Maar langzamerhand hebben onze kerken veel meer oog gekregen voor het beginsel, dat de zending van de plaatselijke kerk moet uitgaan en niet van een college van deputaten. Toen onze kerken dan ook zoo ver waren, dat zij metterdaad den arbeid der zending ter hand konden nemen, is een plaatselijke kerk als zendende kerk opgetreden. Dit was, zooals we allen weten, Hilversum, vanwaar Ds A. Bikker in 1927 werd uitgezonden. Natuurlijk kon de gemeente Hilversum dit niet alleen bekostigen. Daarom hebben al onze kerken mede haar schouders onder dit werk gezet door verreweg het grootste gedeelte der kosten voor haar rekening te nemen. Toen later Hoogeveen en nog weer later Rotterdam-Centrum ook als zendende kerken optraden is dit zelfde beginsel toegepast.
Bij artikel 21 staat in de nieuwe uitgave van de Kerkorde nog een bepaling van de generale synode van 1981 afgedrukt, nl. deze: de Pinkstercollecte zal geheel worden bestemd voor de Zending. Voor zoo ver we weten wordt deze synodale bepaling door nagenoeg al onze kerken nageleefd. Vroeger was meermalen de wenschelijkheid uitgesproken, maar in 1931 werd het een gebiedend voorschrift. De generale zendingskas, waaruit de zendende kerken gesteund worden en andere uitgaven moeten worden bestreden, kan de inkomsten van de Pinkstercollecte niet missen. Mochten er hier en daar nog kerkeraden zijn, die deze Pinkstercollecte voor de zending niet houden, of de Pinkstercollecte slechts gedeeltelijk voor de zending bestemmen, dan worden ze by dezen weer herinnerd aan het voorschrift der synode en dringend opgewekt om zich niet aan deze-verplichting te onttrekken.
Nog één bepaling bij artikel 21 vraagt onze aandacht. Er staat namelijk: Kerkelijke Evangelisatie-arbeid moet geschieden in overeenstemming met de door haar gegeven Evangelisatie-orde.
De belangstellende lezer kan deze Evangelisatie-orde als bijlage X vinden achter de nieuwe Kerkorde.
De kerken staan op het standpunt, en terecht, dat ook de georganiseerde evangelisatie-arbeid van de plaatselijke kerk moet uitgaan, zie artikel 2 van de Evangelisatie-orde. Hier wordt dus dezelfde lijn gevolgd als bij de zending. Ook dit beginsel is hoe langs zoo meer duidelijk geworden voor onze kerken en krijgt hier en daar steeds meer een concreten vorm, al zijn nog lang niet alle plaatselijke kerken zich in dezen haar roeping bewust. Het is hier niet de plaats verder op de Evangelisatie-orde in te gaan.
Tenslotte nog deze opmerking, dat de bepaling aangaande deze Evangelisatie-orde eigenlijk een deel had moeten zijn van het artikel der Kerkorde en niet maar als een bepaling bij dit artikel der Kerkorde had moeten zijn opgenomen. Blijkbaar is dit de synode van Utrecht ontgaan.

A. (Apeldoorn) H.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.