Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Mondige leerlingen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Mondige leerlingen

3 minuten leestijd Arcering uitzetten

Zijn leerlingen mondig of moeten ze het worden? De beantwoording van deze vraag zal afhangen van het feit of we mondigheid zien als opvoedingsdoel of als gegeven, als feit. Zo stelt de bekende en invloedrijke pedagoog Langeveld dat het de taak van de opvoeder is het (onmondige) kind te helpen mondig te worden. Mondigheid als opvoedingsdoel dus. Daarbij staat mondigheid gelijk aan, wat hij noemt, "zelfverantwoordelijke zelfbepaling", wat het kenmerk van volwassenheid is. Het betekent dat de volwassene staat voor wat hij is en doet, en dat hij dat ook wil. In het licht hiervan is spreken over mondige leerlingen een tegenstelling. Leerlingen zijn immers per definitie (nog) onmondig, onvolwassen.

Als we het hebben over mondige leerlingen, bedoelen we meestal leerlingen die hun mond weten te roeren, hun mening en wensen weten te formuleren, hun rechten weten op te eisen, altijd een weerwoord hebben of een 'grote mond' hebben. We hebben het dan over mondigheid als vaardigheid en als gegeven: leerlingen zijn tegenwoordig mondig.

De vraag rijst of we in ons spreken over mondige leerlingen mondigheid als opvoedingsdoel niet te veel zijn vergeten. In een recent artikel in het magazine "Pedagogiek in Praktijk" stelt de Utrechtse pedagoog Weijers dat met het eenzijdig benadrukken van mondigheid als vaardigheid, er een taboe lijkt te ontstaan op het benadrukken van intellectuele en morele zelfstandigheid als opvoedingsdoel. Hij stelt dat als we ons realiseren dat het "mondige kind" een tegenstelling is, en als we leerlingen willen blijven opvoeden tot intellectuele en morele zelfsturing, de opvoeding dan niet zonder meer mee kan gaan met de trend de leerling te zien als mondige consument. Onze opvoeding zal een duidelijk tegenwicht moeten bieden, al zal dat niet altijd gemakkelijk zijn.

Er zijn volgens Weijers enkele recente beleidsontwikkelingen die het eerder moeilijker dan makkelijker maken om binnen de school pedagogisch op te treden. Een daarvan is de invoering van het studiehuis in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs. Hierbij is volgens hem de zelfstandige (mondige) leerling geen doel, maar uitgangspunt. Een uitdagende stelling, lijkt me, waarover ook binnen het reformatorisch onderwijs best eens nagedacht mag worden.

Los van het studiehuisconcept is het goed ons te realiseren dat de school een belangrijke pedagogische taak heeft en dat we daarom onze leerlingen in bescherming moeten nemen tegen al te vergaande verantwoordelijkheden en een al te grote zelfstandigheid. Leerlingen zijn geen "volwassenen in zakformaat" die in alle opzichten zelf verantwoordelijk gehouden kunnen worden. Hen moet juist verantwoordelijkheid geléérd worden. Dat geldt ook voor hun eigen leerproces. Het gevaar is niet denkbeeldig dat we hen in bepaalde opzichten overschatten en daardoor wellicht overbelasten, met als mogelijk gevolg overspanning.

De pedagoog Perquin spreekt over een tweetal opvoedingsbelemmeringen op weg naar de volwassenheid. De ene is overbezorgdheid (onderschatting) en de ander overhaasting (overschatting). Wat dat laatste betreft, benadrukt hij dat alles wat de moeite waard is te bestaan, langzaam is gegroeid. Geduld hebben is daarom een belangrijk pedagogisch principe. Ook 15- en 16-jarigen moeten nog veel leren. Zij zijn veelal nog verre van "mondig" en hebben de leiding van volwassen leerkrachten vaak nog hard nodig om tot zelfstandigheid te komen. Die leiding mogen wij hen daarom niet onthouden. Wie hen te veel aan hun lot overlaat, doet hen tekort, verwaarloost zijn of haar pedagogische taak en ondergraaft de betekenis van de school als opvoedingsinstituut.

Drs. C. W. Schimmel, docent pedagogiek aan het Hoornbeeck College in Amersfoort

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 maart 2004

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

Mondige leerlingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 maart 2004

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

PDF Bekijken