Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Om de vastheid van de belofte

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Om de vastheid van de belofte

Ds. Wilschut: Woelderink kon verbond en verkiezing niet in één perspectief zien

10 minuten leestijd

Gods beloftewoord in Christus is zeker en onvoorwaardelijk, maar dient wel in de weg van geloof en bekering toegeëigend te worden. Dat was de grondovertuiging van de hervormd-gereformeerde theoloog dr. J. G. Woelderink. Hij heeft veel stof doen opwaaien vanwege zijn strijd tegen het doperse subjectivisme, dat het verbond uitholde tot iets uitwendigs en de beloften beperkte tot de uitverkorenen. Woelderink: typisch een verbondstheoloog, die aan het einde van zijn leven moeite kreeg met de Dordtse leer van de eeuwige besluiten.

Woelderink is geen gereformeerd theoloog "in engere zin", zo concludeert ds. H. J. C. C. J. Wilschut. De gereformeerd vrijgemaakte predikant uit Assen promoveert volgende week op de theologie van Woelderink (1886-1956), met name op diens visie op verbond en verkiezing. "Woelderink is wel als gereformeerd theoloog herkenbaar. Hij blijft voluit reformatorisch op het punt van het verbond en de belofte. Al is daar wel sprake van een versmalling in die zin dat bij Woelderink alle nadruk valt op het Woord-karakter van het heil en wat je in de belofte hebt, waardoor de volkomen vervulling van de belofte in de toekomst wat onderbelicht blijft."

Breed panorama

Een breed panorama ontvouwt zich in de ruim 700 bladzijden tellende studie die ds. Wilschut wijdt aan Woelderinks theologie. Wie wil weten hoe in de twintigste eeuw nagedacht en gestreden is over verbond, belofte en doop, over bevinding en rechtvaardigmaking, die kan niet om dit boek heen. Theologische discussies hierover hebben zelfs geleid tot kerkelijke uitspraken, zowel in de Gereformeerde Gemeenten (1931) als in de Gereformeerde Kerken (1942).

"Woelderink heeft in zijn strijd tegen de doperse geestesstroming in de reformatorische kerken de waarde van het verbond onder ogen gebracht. Geloof is voor hem een zich richten op de beloften van Christus, die in de doop zijn verzegeld. Dus niet het speuren naar tekenen van verkiezing alvórens te kunnen geloven. Hij keerde zich tegen het scholastieke substantiedenken dat genade en geloof als een ingestorte hebbelijkheid (levenskiem) beschouwde in plaats van de zekerheid in het Woord buiten ons te zoeken.

Zijn strijd tegen het onderscheid tussen wezen en bediening van het verbond, tegen de scheiding van een inwendige en een uitwendige roeping, riep veel verzet op bij voorgangers zoals I. Kievit, H. Visscher, A. de Redelijkheid en G. H. Kersten. Woelderink was voor hen een vijand van de ware bevinding. Woelderink sloeg aan het einde van zijn leven door en zag achter de Dordtse leer van de verkiezing de onbewogen God van decreten opdoemen, een verborgen, dubbele God, in plaats van de levende God Die uit liefde het verlorene zoekt. Hij schroomde ook niet om zijns inziens scholastieke gedachtegangen in de belijdenisgeschriften te kritiseren."

Wat bewoog Woelderink om vooral tegen het subjectivisme te strijden?

"Hij zag dat dit de mens terugwierp op zichzelf. Zijn intentie was dat de mens weer houvast zou krijgen aan Gods beloften. Woelderink ontdekte in het subjectivisme ook een stuk rationalisme, het redeneren over bevindingen en ervaringen, zonder zich te wenden tot de belovende God en te leven uit Zijn genadeverbond. Woelderink beschouwde de heilsbelofte als onvoorwaardelijk gegeven, zonder voorwaarde vooraf, ook zonder de voorwaarde van een voorafgaand werk van de Heilige Geest in het hart. In de weg van geloof en bekering ontvangt de zondaar de belofte. Wij spreken dan over "de aan de belofte verbonden voorwaarde". Maar in feite is het geen voorwaarde. Geloof is voor Woelderink geen voorwaarde, anders is genade geen genade meer."

Drieverbondenleer

"Wie een voorwaarde voor de belofte inbouwt, heeft een voorwaarde in de mens gelegd. Daar komt het remonstrantse idee naar voren dat je eerst iets in de mens moet hebben voordat je de belofte kunt toe-eigenen. Het heil van God is gegeven in de belofte, maar daarop moet wel een aannemen volgen. Zodra je het "geven" definieert als "metterdaad geven", zou je alle gedoopten als zalig moeten beschouwen. Dat is in strijd met de gereformeerde verbondsbeschouwing. Woelderink heeft achter- af te weinig ingezien dat de objecti- verende manier van spreken over het verbond het werk van de Heilige Geest op de achtergrond lijkt te plaatsen, hoewel dat niet zijn bedoeling was."

Ds. Wilschut gaat uitvoerig in op de polemiek rond de twee- of drieverbondenleer. Een vereenzelviging van de vrederaad en het genadeverbond leidt volgens hem tot identificatie van verbond en verkiezing. "De gedachte van Christus als het hoofd van het genadeverbond, waarbij de beloften uitsluitend voor de uitverkorenen gelden, is met de beste wil niet in de Heidelbergse Catechismus of de Nederlandse Geloofsbelijdenis te vinden. Daarin ben ik het met Woelderink eens. Woelderink stelt dat er één verbond en één roeping is, alleen heeft dit een tweeërlei effect bij de mens. Maar je mag niet vanuit het effect de werkelijkheid van de roeping ondermijnen."

Dat is ook niet de lijn van Calvijn geweest, denkt ds. Wilschut. "Graafland heeft ten onrechte gesteld dat bij Calvijn het verbond onder de verborgen invloed van de dubbele predestinatie staat. Als je dat zegt, maak je een stap die Calvijn niet maakt. Calvijn stelt niet dat de beloften alleen maar de uitverkorenen gelden. Dat ze alleen bij hén effect zullen hebben, dat zal waar zijn. Maar al zou de mens niets geloven, dan doet dat de integriteit van de belofte en de sacramenten niet teniet. Daarom vind ik het beroep van Woelderink op Calvijn terecht. De grondintentie van Calvijn is dat je houvast hebt in Gods belofte en verbond, een houvast die in de doop is verzegeld."

Vindt u de kritiek van Woelderink op de synode-uitspraken van de Gereformeerde Gemeenten in 1931 terecht?

"Ik vind die persoonlijk terecht. Wie het verbond onder de beheersing van de verkiezing stelt, die verplicht zich ook bij de verkiezing te beginnen en niet bij de beloften. Dat leidt niet tot beloften-, maar tot kenmerkenprediking. Ik zie hierin ook een overeenkomst met de leeruitspraken van de Gereformeerde Kerken in 1942. Ook daar werd vastgelegd dat het verbond onder beheersing van de verkiezing staat. In beide gevallen staat het denken van Comrie op de achtergrond. De kerken hebben daaruit echter twee geheel verschillende conclusies getrokken. Iemand heeft eens gezegd: Als Kuyper in de wieg kijkt, dan zegt hij: Ik houd het kind voor wedergeboren totdat het tegendeel blijkt. Kersten zegt echter: Ik houd hem voor verworpen, totdat het tegendeel blijkt. Beiden hebben wedergeboorte en geloof uit elkaar gehaald en beschouwden wat in de tijd gebeurt als niet meer dan een projectie van wat eeuwig besloten is."

Twee stromingen

Dat de beloften uitsluitend bestemd zijn voor de uitverkorenen, is een gedachte die oude wortels heeft, erkent ds. Wilschut. "Het betreft een denken vanuit de verkiezing, waarin de invloed van Beza op de voorgrond treedt, meer dan die van Calvijn en Bullinger. Ook blijkt uit dit denken een bezorgdheid in de Nederlandse situatie van de volkskerk. Maar de gedachtegang versmalt en polariseert steeds meer. Mijn bezwaar tegen 1931 en 1942 is dat in beide gevallen een stuk theologie verheven wordt tot kerkelijk belijden. Juist de opgelegde binding in 1942 forceerde de breuk en leidde tot de Vrijmaking. Rond 1931 kwam geen directe breuk, maar een stuk evenwicht in de prediking verdween wel."

Woelderink had te maken met een voor- en onderwerpelijke stroming binnen de Gereformeerde Bond. "Hij kreeg een stuk ruimte binnen de bond. Ds. Van Grieken hield hem de handen boven het hoofd en schreef juichende artikelen over Woelderinks boek over het doopsformulier. Er was spanning tussen de Waarheidsvriend en het Gereformeerd Weekblad. Visscher heeft de zaken erg op scherp gezet en dat had onmiskenbaar zijn invloed. De verhouding met Kievit was erg slecht. Ook Kievit beriep zich op Calvijn, zodat calvijnberoep tegenover calvijnberoep stond, maar men bereikte elkaar niet. Kievit en Kersten vielen Woelderink ook in zijn geestelijke staat aan. Vooral de kritiek van Visscher was beneden peil. Woelderink kon wel scherp zijn, maar viel zijn opponenten vrijwel nooit persoonlijk aan."

Was de kritiek van Woelderink op Dordt ook niet veel te scherp?

"Ja. De verkiezing van God is verkiezing in Christus en dat is geen abstracte zaak van onpersoonlijke decreten. De kracht van de Dordtse Leerregels is dat ze naast een uiteenzetting ook pastorale troost wilden geven. Woelderink ziet geen kans de integriteit van de beloften te verbinden met de klassiek-gereformeerde verkiezingsleer. Hij heeft die leer dan ook verkeerd begrepen. Van het begin af kon hij verbond en verkiezing nooit in één perspectief zien. Zijn opvattingen zijn te zeer gestempeld door ervaringen met mensen die vol heils- en geloofsonzekerheid zaten, die het Onze Vader niet durfden te bidden, die het avondmaal meden en zich afvroegen hoe zij houvast konden krijgen aan de beloften zonder aangegrepen te worden door de verborgen verkiezing. Zolang de mens de uitverkiezing als tegenwerping opvoert, krijgt hij nooit houvast in het Woord van God, dan pas na een proces van zelfonderzoek. De Christus der belofte is ook de Christus van de verkiezing. Tot mijn grote verbazing heeft Woelderink dat niet kunnen oppikken. Als hij dat had ingezien, was hij uit de problemen geweest en had hij werkelijk een gelóófsoplossing gevonden."

Had Woelderink zonder deze bevindelijke richting zich misschien anders ontwikkeld?

"Ik denk dat deze ervaring bepalend was voor de richting die hij insloeg. Hij liep tegen een bepaalde stroming aan die hem overigens van huis uit niet bekend was. Het heeft zich toegespitst in een persoonlijk conflict met A. de Redelijkheid. Ik typeer Woelderinks spiritualiteit als die van een bevindelijke dominee. Woelderink verzette zich ook krachtig tegen het objectivisme. Bevinding is voor hem een aspect van de levende omgang met de Heere in Zijn beloftewoord, alleen weigerde Woelderink de bevinding tot dragende grond van de heilszekerheid te maken.

Voor mensen zoals Kievit en Kersten was de verbondsleer van Woelderink remonstrants; er werd gesproken van de plicht tot geloof. Zij misten bij hem het werk van de Geest. Woelderink heeft daarentegen de Geest juist tot inhoud van de belofte gemaakt. Wat mij trof, is dat de kritiek van Kievit op de Dordtse Leerregels I,17 (over de zaligheid van de jonggestorven kinderen die heilig zijn uit kracht van het genadeverbond) nooit tot deining heeft geleid. Kievit durft openlijk te zeggen dat de teksten die de Dordtse Leerregels aanvoeren, niet gelden."

Op welke kerk(en) heeft Woelderink de meeste invloed gehad?

"In de eigen kring van de Gereformeerde Bond blijft de kwestie-Woelderink een zwarte bladzijde. Zijn opvattingen hebben echter wel doorgewerkt en diverse bezwaren tegen een bepaald soort prediking zijn gehonoreerd. Bij de Gereformeerde Gemeenten zal, althans zolang 1931 gehandhaafd blijft, Woelderink persona non grata blijven. Binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken lijkt de verbondsbeschouwing van Jongeleen op die van Woelderink.

Wat de vrijgemaakten betreft, heeft Woelderink een toegevoegde waarde naast K. Schilder, die daar toch de hoofdlijn vormt. Woelderinks afwijking van de verkiezingsleer heeft binnen de vrijgemaakte kerken distantie opgeroepen.

Ik geloof dat Woelderinks visie op verbond en belofte actueel wordt bij de opkomst van een nieuw subjectivisme. De moderne theologie is ervaringstheologie en via de evangelische beweging komt er ook een nieuw subjectivisme op. De kinderdoop komt steeds meer onder druk te staan, vrees ik. Ik zou ervoor willen pleiten de opvattingen van Woelderink serieus te nemen en die niet relateren aan zijn persoon, want dan komt er gauw ruis op de lijn. De verkiezing frustreert het verbond niet en holt het ook niet uit, maar in het verbond komt de stem van God naar je toe. Het gevaar is dat we abstract gaan redeneren over verbond en verkiezing, terwijl het juist zaken zijn die we in de Heere beleven. We hebben met een belo- vend en verkiezend God te maken. Op Hem lopen al onze denkschema's stuk."

Mede n.a.v. "J. G. Woelderink: Om de "vaste grond des geloofs"; de ontwikkeling in zijn theologisch denken, met name ten aanzien van verbond en verkiezing", door H. J. C. C. J. Wilschut; uitg. Groen, Heerenveen, 2000; 704 blz.; 49,50.

Zie ook pag. 23.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 2000

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

Om de vastheid van de belofte

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 2000

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's