Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Old Settlers en hun nederzettingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Old Settlers en hun nederzettingen

11 minuten leestijd Arcering uitzetten

In september jongstleden was het 150 jaar geleden, dat de eersten van een nieuwe golf settlers wegtogen naar Amerika. Voor velen waren de jaren rond 1845 een tijd van aardappelziekte, cholera en armoede. Daarbij speelde de geloofsvervolging een belangrijke rol. Het waren dan ook overwegend vervolgde afgescheidenen, voor wie het in Nederland teveel werd. Droeve omstandigheden noopten hen tot zo'n wanhopige uittocht. Amerika was immers het land van de onbegrensde mogelijkheden. Maar werd Michigan, waar een stuk of tien Hollandse dorpen verrezen, ook inderdaad 'het beloofde Canaan'? In dit artikel hopen we een rondgang te maken door de hout-en bladerdorpen, zoals die er waren rond 1850 en daarbij tevens wat 'settlers of the very first days' tegen te komen. 

Iowa en Michigan

Ds. Scholte was één van de eersten. Via Engeland, Boston en New York, ging hij naar Baltimore. Vanuit deze plaats begon de trek naar lowa, waar duizenden hectares onontgonnen prairie wachtten op nieuwkomers. Daar verrees ‘zijn’ Pella.

In september 1846 vertrok ds. Van Raalte met zijn vrouw, vijf kinderen en een dienstbode. Na zeven weken zeilde zijn schip de New Yorkse haven binnen. Daarna ging de stoet noordwaarts, met de stoomboot naar Albany. Vervolgens per trein, via Rochester naar Buffalo. Later kwamen Detroit en Kalamazoo in zicht. Steeds maar verder ging de erbarmelijke tocht. Ten slotte over het woeli­ ge Lake Michigan naar Black Lake, het einde van de reis, waar de Nederlanders aanspoelden op de verlaten stranden. Ze hakten gaten in het bos en gaven hun 'settlements' Nederlandse namen.

Holland

Vijf mannen sleepten zich achter Van Raalte voort door onbegaanbaar bos, bruisende kreken en stinkende moerassen. Woudreuzen, eeuwen oud, honderd voet hoog en twee meter doorsnee, keken op hen neer. Alles even woest; alleen geschikt 'voor het sluw gedierte des wouds'. Op een zeker punt viel ds. Van Raalte op de knieën. Met de handen ten hemel geheven, bad hij dat hier 'de stad Holland' mocht verrijzen. Maar vooral: 'De plaats waar God vrij en onbelemmerd gediend kon worden.' Ds. Van Raalte hield kerk onder de bomen. De natte zomer van 1847 maakte van Holland één groot moeras. Velen werden ziek en stierven. Ds. Van Raalte reisde van hut tot hut,

als dokter en dominee. En als sociaal-en maatschappelijk werker. Tussen de rampen door sloeg boom na boom tegen de vlakte. Zo ontstonden 'clearings', waarop groenten verbouwd werden. Koeien werden gevoerd met gemalen boomtakken en de varkens werden vet van de noten die ze in de bossen vonden. Tot overmaat van ramp gebeurde het, dat beren enkele varkens meesleepten het oerwoud in. In 1849 had Holland 253 hutten, ook wel huizen genoemd.

Vriesland

Deze gemeente ontstond toen ds. Ypma met zijn Friezen de wouden in trok. Twintig gezinnen en dertien alleenstaanden volgden zijn spoor. Onder hen waren Foppe Balder, Ulle de Vries, Douwe Bouma. Ekke Zylstra, Foppe Heemstra, Tiert Heemstra, Jan Fellinga, Wiebe Ploegsma en Jan Brechtjes. Ze vertelden later: 'Onze eerste samenkomsten werden gehouden in Gods natuurlijke kathedraal, met de hemel boven ons, de aarde als vloer, en de eik, ceder, berk en esdoorn als muren, staande schouder aan schouder.' Zes weken na de komst van ds. Ypma, landde een tweede groep immigranten. Onder deze 'Friesians' waren de families Yntema, Van Dam, De Vries, Hoorstra, Bergsma en Vellinga. De eerste jaren waren uitzonderlijk zwaar; drie gezinnen werden weggenomen door de dood. De eerste kerkenraadsleden waren Hessel Yntema. Hendrik Dam, Eke Zylstra en Gerrit de Groot. In het voorjaar van 1848 kwam een groep mensen uit Gelderland, die overwinterd hadden in Buffalo. Op 22 februari 1849 werd het eerste Notulenboek aangelegd door de kerkenraad. Dat jaar telde Vriesland 69 optrekjes, waarin dieren maar evengoed ook mensen woonden.

Zeeland

Bijna tegelijk met de Friezen, zetten ook de Zeeuwen voet aan wal. Ze waren in april 1847 uit Zeeland vertrokken met drie schepen, elk met een leider: Jannis van de Luijster uit Borssele, Jan Steketee van Nieuwdorp en ds. Van der Meulen uit Goes. Op 27 juni voeren ze Black Lake op.

De ontroering was groot, toen de Zeeuwen vroegen waar 'de stad Holland was'. Ze hoorden dat ze er middenin waren. Er stonden een paar loodsen klaar, waarin inmiddels ds. Ypma met zijn Friezen bivakkeerde. Jannis van de Luijster toog de bossen in om paden uit te hakken en de plaats van Zeeland aan te wijzen. Hij bivakkeerde met z'n makkers in 'het Waterhuisje', een blokhutje aan de Black River. Van Raaltes kerkgangers zaten op omgehakte stammen; de Statenbijbel lag op drie aan elkaargetimmerde plankjes. Aanvankelijk werd kerk gehouden bij Jan Steketee, later bij Jan Wabeke. Na korte tijd vestigden zich in Zeeland ook kerkenraadsleden uit Drenthe en Graafschap, waardoor het aantal ouderlingen klom tot twintig. De stelling: 'Eens ouderling, blijft ouderling', was niet meer haalbaar; een herstemming bracht uitkomst. In 1848 waren er 80 huizen, een jaar later 175.

Graafschap

Zeventig immigranten uit het graafschap Bentheim stichtten een eigen gehucht. Door modderige kreken, langs omgewaaide stammen, kwam de nijvere wandelaar bij de lekke miniatuurhuisjes van Graafschap. Alleen degene die goed merktekens op de bomen lezen kon. kwam in Graafschap, want men onderscheidde in het dikke bos heg noch steg. Na enige tijd kwamen er vierendertig mensen uit Drenthe bij. De jeugd trok uiteindelijk naar elders om wat te verdienen en Engels te leren. Een halfjaar later kwamen ze kijken of vader en moeder vooruitgeploeterd waren, als die tenminste nog leefden. Maanden nadien hadden de ouders rond de hutten een eigen erfje 'geklierd". Toen bleven de jongeren in de kolonie. Ook hier werden velen ten grave gedragen. Een eenvoudige steen vermeldt hun namen. In 1849 werd ds. H.G. Klijn uit Middelburg met succes beroepen. Dat jaar stonden er 50 'log houses' geboekt.

Hellendoorn/Overisel

In een stuk bos ten zuidoosten van Holland groeide een nederzetting, die Hellendoorn genoemd werd. Hier vestigde zich ds. Seine Bolks, die op 18 augustus 1847 uit het vaderland vertrokken was. Via Rotterdam was hij met zijn mensen per stoomboot naar Londen gegaan, waar ze overstapten in een zeilschip naar New York. Vandaar voeren ze met de kanaalboot naar Syracuse, waar ze de winter doorbrachten. Daar deden ongunstige geruchten over Michigan de ronde. Daarom werd ook Wisconsin overwogen als plaats van vestiging. Uiteindelijk werd het toch Michigan. Toen ze daar landden, in juni 1848, kocht ds. Bolks met zijn gouden Willempjes tweeduizend acres land voor twee dollar per acre. Uit dankbaarheid kreeg de dominee een stuk bos van 63 acres cadeau. De eerste settlers waren: Hekman. Eskes, Scholten en Vrieling. Omdat de nieuwe kerk vóór de winter niet klaar was, werd gekerkt in de hutten van Gerrit Immink en Gerrit Fijnewever. Aanvankelijk heette het plaatsje Hellendoorn, later werd de naam Overisel.

Groningen

Groningen was kenbaar aan de zaagmolen van Jan Rabbers. een bouwsel dat nogal met storingen kampte. Nadat betere materialen voorhanden waren, werd de molen omgebouwd tot korenmolen. Groningen werd een aanzienlijke plaats, die bij uitzondering niet agrarisch was. Later kwamen er een flourmolen en een pelmolen bij. Jan Rabbers, die de motor was van deze nederzetting, wilde dat de openbare weg tussen Holland en Zeeland door Groningen zou lopen en bouwde op zijn eigen kosten een gammel bruggetje over de rivier, dat wegspoelde toen het water kwam. Jan Boer was de eerste schoolmeester van Groningen, die les gaf onder een afdak van een schuurtje. Ouderling Niemeijer las op zondag de oude schrijvers, ook toen er nog geen kerkelijke gemeente was. In de herfst van 1848 of iets later, werd Groningen opgeschrikt door de komst van ds. Budding, die op toernee was door Amerika en nu kris kras door de kolonie zwierf. Budding werd beroepen, maar bedankte omdat hij vond dat er niet genoeg voor hem gebeden was. Even leek het erop dat Groningen de stad Holland zou overvleugelen, maar in 1849 waren daar toch nog maar 30 huisjes.

Borculo

Deze plaats kent een vrijwel identieke geschiedenis; een verhaal van bossen, bomen, boomstammen en planken. Een herdenkingsboek zegt: 'There were woods everywhere when the first settlers (some of who-

me came from Borculo, Gelderland) came to this low swampy place." De eerste settlers in deze moerassige streek waren de heren Kuiers, Lamer, Klunderman en Moeke. Geert Moeke bewees Borculo grote diensten, door er een (hout)zaagmolen neer te zetten. De eerste kerkdiensten werden gehouden bij Klunderman in huis, waarbij ds. Van der Meulen als consulent optrad. Wat later werd een schooltje geleend als kerkruimte. Als leider van de gemeente trad de begaafde settler B. de Haan op.

Drenthe

In het voorjaar van 1848 ontstond deze 'driedelige' nederzetting in een stuk vruchtbaar bos, tien mijl ten oosten van Holland. De geschiedschrijver vertelt: 'Those from Staphorst settled to the west; those from the province of Drenthe to the east; and the "Flakkenaars" from Zuid Holland to the north." In het prille begin was gekozen voor de naam Drenthe. Na enige tijd was Jan Hulst niet meer tevreden met deze aanduiding en daarom spijkerde hij een plankje aan een boom met de tekst:

‘Hier begint Staphorst." Wat later werd het bordje eraf gesloopt en kwam Drenthe weer terug. Onder de eerste stichters waren de families Opbolt, Wiggers, Nijenhuis, Riddering en Lubbers. In 1848 stichtte men een kerkelijke gemeente, na eerst gekerkt te hebben in Vriesland.

Datzelfde jaar nog werd een eigen kerkje gebouwd, terwijl ds. Ypma de gemeente met raad en daad bleef bijstaan. Pas vele jaren erna kwam ds. Roelof Smit tot Drenthe over.

Noord Holland

In 1848 wezen de Indianen ds. Van Raalte op 'zeer goed land" zes mijlen ten noordoosten van Holland. Jan van Tongeren liet zich dat geen tweemaal zeggen. Het eerste huis dat er gebouwd werd, was voor Jan Kramer, het tweede voor Van Tongeren. In de zomer van 1850 kwamen er een paar gezinnen bij. De eerste kerkdienst werd geleid door ds. Van Raalte. Hij sprak over de bede: 'Uw Koninkrijk kome' en begon zijn preek met te zeggen: 'Vrienden, gijlieden zijt hier begonnen in een nieuw settlement. Ik zou van 's Heerenwege wel wenschen dat gij geen boom durfdet neerhouwen voor en aleer gij God gevraagd hadt om de komst van Zijn rijk." Het eerste Avondmaal werd bediend door ds. Ypma. De kerkenraadsleden werden bevestigd door ds. Van der Meulen. De eerste overledene werd met een ossenwagen naar Holland gebracht, om daar begraven te worden. Die tijd was ook nog sprake van een nederzetting die aangeduid werd als South Holland.

Noordeloos

In de loop van 1848 trok een groepje Groningers door 'de Kolonie van Van Raalte" om er land te zoeken. Ze waren opgegroeid in vette Groningse klei en toen ze 'een kleiberg" ontdekten, riepen ze in koor: 'Hier moeten we grond hebben.' Het gezelschap bestond uit de families Van Dyk, Hulsebos. De Slagter en Bos. De eerste bewoners kerkten zo veel mogelijk in Zeeland, een bosreis van rond de tien kilometer. In 1855 werd een gemeente gesticht door ds. Van der Meulen. Bij deze plechtigheid besloot men de gemeente de naam Noordeloos te geven. Dit gebeurde omdat de settlers van plan waren om ds. Koene van den Bosch uit het Nederlandse Noordeloos te beroepen. Deze dominee nam het beroep ook inderdaad aan. Ds. Van den Bosch werd te Noordeloos bevestigd door ds. Van der Meulen. Een boerenwagen diende als preekstoel en de stilte werd alleen maar verbroken door het schreeuwen van Indianen en het geluid van roofdieren.

Soetermeer

De stichter van dit settlement. Piet Huyser uit Zoetermeer, kwam in augustus 1847 naar Amerika. Na een snelle reis van slechts 21 dagen met de stoomboot, zette hij voet aan wal in New York. Ds. Van Raalte was in zijn tuin aan het werk, toen Huijser op hem kwam aanlopen. Via 'het Waterhuisje' liepen beide vrienden naar Zeeland, waar ds. Van der Meulen hen welkom heette. Deze ging met Huyser op stap en wees hem in noordoostelijke richting 40 akkers aan met bomen die wel 100 voet hoog waren. Daar moest Piet zijn draai zien te vinden. Maar ook hij ondervond wat een settler te wachten stond: de herten aten zijn boekweit op en de coons en stekelvarkens vernielden zijn corn. Op zondag kerkten Huyser en zijn mannen in Zeeland. De naam van het nieuwe dorpje laat zich raden: Soetermeer.

'De colonie' vocht

De 'colonie', die mogelijk nog wel meer kleine settlements telde, vocht keihard voor haar bestaan. Maar de strijd was zwaar. Vochtige zomers brachten malaria, dysenterie en pokken. Kwaadaardige koortsen veranderden mensen in schimmen. Velen waren wanhopig, uitgeput of reeds in de Amerikaanse grond ter ruste gelegd. Inspire­ rende woorden, daden en gebeden van de predikanten hielden de ellendigen nauwelijks op de been. En toch, het Psalmgezang onder de takken en in de hutten, had iets onverklaarbaars. Ze aanvaardden hun lot; gebed, berusting en o"^nvoorstelbaar hard werken overwonnen ten slotte. Boom na boom sneuvelde. Bij de huizen, in de tuinen en in de straten stonden honderden boomstompen van een halve meter hoog, waardoor veel wandelaars in het aardedonker met blauwe schenen thuiskwamen. De 'colonic' begon schuchter te leven, zich uit te breiden en zelfs economisch gezond te worden.

25-jaar settlers

De overblijvers bewerkten het land, groeven waterwegen en bouwden bruggen. Ze trouwden en kregen kinderen. Ze begonnen ruzie te maken over de kerk, de dominee, de kerkorde en wat al niet meer. De eerste predikanten vielen weg en na zo'n twintig jaar worstelen, zette de grote brand van 1871 Michigan in lichterlaaie. Binnen een paar uur had het vuur de houten dorpjes verwoest. Maar de as en verkoolde planken en balken werden opgeruimd. En de bouw begon opnieuw.

Een klein jaar na de brand werd het 25-jarig bestaan van 'de colonie" gevierd. Op 17 september 1872 was er een muziekoptocht langs bestuurders en dominees. Toen schoven de bossen hun gordijnen opzij. Versierde huifkarren met daarop knappe en stralende Amerikaanse 'Holland girls' kwamen tevoorschijn en stalen de show. Daarachter hobbelden de wagens met hun trotse ouders; bruinverbrand, verweerd, doorgroefd, getekend, maar juist daarom: 'The Old Settlers of the very first days.'

Aantekening

Voor deze schets werd hoofdzakelijk gebruikgemaakt van H.S. Lucas: Dutch immigrant memoirs and related writings, deel I en II. Daarnaast werden er plaatselijke herdenkingsuitgaven in verwerkt, die we vorig jaar in de 'settlements' ontvingen.

Dit artikel werd u aangeboden door: Oude Paden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 december 1996

Oude Paden | 40 Pagina's

Old Settlers en hun nederzettingen

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 december 1996

Oude Paden | 40 Pagina's