Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Hervormde evangelisatieverenigingen in Nederland (1855-1951)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Hervormde evangelisatieverenigingen in Nederland (1855-1951)

25 minuten leestijd Arcering uitzetten

Inleiding

In het Documentatieblad voor de Nederlandse Kerkgeschiedenis na 1800 van december 2005, dat ‘Het Réveil in het verenigingsleven 1830-1870’1 als thema heeft, is een bijdrage opgenomen van Annemarie Houkes over de ‘Vereeniging ter Verbreiding der Waarheid 1847-1870’2. Houkes besluit deze verhandeling met de volgende opmerkelijke woorden:

Wat ten slotte opvalt aan het optreden van de Verbreiding was dat middengroepen via de vereniging een stem kregen. In de vereniging met alles daaromheen was een zelfbewuste geloofsgemeenschap actief. Iets dergelijks gebeurde rondom evangelisatielokalen die na 1850 overal in Nederland werden opgericht. Deze groepen orthodoxe protestanten claimden als het ware hun eigen deel in de (religieuze) openbaarheid van hun woonomgeving en werden daarmee zichtbaar voor vriend en vijand. Bewust van hun positie, zouden deze gelovigen van zich laten horen. Het waren groepen die het heft in eigen hand namen, zichzelf organiseerden en waar men na 1870 niet langer omheen kon.3

Een dergelijk slotwoord maakt nieuwsgierig, want wat gebeurde er nu precies in het Nederland van na 1850 rondom en in lokalen waar blijkbaar geëvangeliseerd werd? Andere vragen die het citaat doet opkomen zijn: in welke plaatsen of gebieden van ons land waren zulke groepen actief? Welke mensen maakten deel uit van die groepen orthodoxe protestanten die het heft in eigen handen namen? Met welk doel verzamelden deze mensen zich en waarom juist in een vereniging? Was dat altijd op basis van een orthodoxe grondslag? Gedurende welke periode heeft dit alles zich afgespeeld? En wat is er aan literatuur beschikbaar over dergelijke verenigingen? Ter wille van een heldere afbakening beperk ik mij in dit artikel in principe tot die in evangelisatielokalen verenigde groepen van orthodoxe protestanten die zich rekenden tot het verband van de Nederlandse Hervormde Kerk.

Evangelisatieverenigingen: een lacune binnen de kerkgeschiedenis?

Na 1870 kon men niet langer om deze groepen heen, zo wordt door Houkes gesteld. Maar waaruit blijkt dit? In ieder geval niet uit de kerkhistorische handboeken die sinds 1850 zijn geschreven. Slechts sporadisch wordt daarin gerept over orthodoxe groepen die zich hadden verenigd in wat evangelisatieverenigingen zijn gaan heten. Zulke verenigingen zijn er bovenlokaal geweest, maar vooral plaatselijk bestonden ze talrijk. De leden ervan vonden in een evangelisatielokaal, een houten of stenen gebouwtje en soms een kapel4, een plek om hun godsdienstoefeningen te houden of andere samenkomsten te beleggen. Wel is daar het promotieonderzoek dat door G.J. Mink over ‘evangelisten in de tweede helft van de negentiende eeuw’ is verricht. Hij beschrijft daarin een vijftal bovenlokale evangelisatieverenigingen met daaraan verbonden evangelisten. Ook wordt in een bijlage via kaartjes zichtbaar gemaakt waar in Nederland gedurende de periode van 1855-1890 deze bovenplaatselijke verenigingen eigen evangelisatieposten hadden gevestigd.5 Kort daarna verscheen van de hand van de toenmalige theologische student J.M. Peschar een doctoraalscriptie naar aanleiding van zijn zoektocht naar evangelisaties in de zuidoosthoek van Drenthe.6 Naast deze werken zijn er de populaire uitgaven van plaatselijke (kerk)historici over evangelisatieverenigingen in eigen dorp of stad. Deze vertellen over de lokale ontstaansgeschiedenis, de ontwikkeling van een dergelijke vereniging en in een enkel geval ook over het einde ervan.7 Voor het overige blijkt dat over de vereniging van mensen rondom een evangelisatielokaal – een fenomeen dat veelal kortweg met het wellicht verwarrende begrip ‘evangelisatie’ (meervoud: ‘evangelisaties’) wordt aangeduid8 – door kerkhistorici niet veel wordt geschreven. Wanneer erover gerept wordt, blijft het veelal bij een enkele zijdelingse opmerking.

In de thematische behandeling van de geschiedenis van de Nederlandse Hervormde Kerk sinds 1795 door A.J. Rasker9 (1906-2000) is zelfs nergens een verwijzing naar bedoeld fenomeen te bespeuren. Ditzelfde geldt voor Meijerings beschrijving van Het Nederlands christendom in de twintigste eeuw.10 Ook in het Handboek Nederlandse Kerkgeschiedenis11 komt het begrip ‘evangelisatie’ niet uitdrukkelijk voor. Wel wordt daar melding gemaakt van initiatieven die orthodoxe hervormden ontwikkelden op het gebied van de ‘inwendige zending’, een begrip dat nauw verwant blijkt te zijn aan ons onderwerp.12

De Utrechtse kerkhistoricus O.J. de Jong13 wijst in verband met de opkomst van het modernisme in de Nederlandse Hervormde Kerk sinds 1850 wel op het ontstaan van daartegen opponerende groepen waaraan evangelisten verbonden waren. Verder maakt hij melding van geestverwante bewegingen als het ‘leger des heils’14. Daarbij gaat het volgens De Jong om ‘denkbeelden van over de Noordzee’15. Over een binnenlandse beweging die te maken heeft met ‘evangelisatie in verenigingsvorm’ rept hij in verband met de oprichting van de Gereformeerde Bond tot verbreiding en verdediging der waarheid in de Nederlands(ch)e Hervormde (Gereformeerde) Kerk16. Dan ook valt het begrip ‘evangelisaties’. Later komt dit onderwerp bij De Jong nog een tweede keer, maar dan minder expliciet, aan bod. Dit gebeurt wanneer hij de nieuwe kerkorde van de Nederlandse Hervormde Kerk uit 1951 ter sprake brengt. Deze kerkorde, zo stelt hij daar, ‘wilde niet rekenen met het bestaan van richtingen en dus ook niet met de aanwezigheid van kerkhoudende minderheden in een plaatselijke gemeente.’17

Ook elders komen dergelijke kerkhoudende minderheden ter sprake, zoals bij J.D.Th. Wassenaar18. D. Bos19 spreekt evenwel van een alternatieve kerkvoorziening wanneer hij in een ‘verklarende woordenlijst’ op een van de laatste bladzijden het begrip evangelisatie definieert. Eerst geeft hij daarvan de volgende omschrijving: ‘aanduiding van 1. werkzaamheden ter verbreiding van het christelijk geloof in eigen land (in plaats van overzee)’ waaraan hij toevoegt ‘vgl. ‘inwendige zending’. Vervolgens laat hij op deze eerste definitie nog een tweede volgen, die voor ons onderzoek en begrip belangrijk is: ‘2. alternatieve kerkvoorziening (vaak onder leiding van een evangelist) meestal voor orthodoxen in overwegend vrijzinnige hervormde gemeenten.’ Maar zowel bij Wassenaar als bij Bos blijft het begrip ‘evangelisaties’ marginaal, bij de laatste zelfs letterlijk.

In het handzame boekje van Karel Blei, waarin deze schrijft over de geschiedenis en identiteit van de Nederlandse Hervormde Kerk, komen de evangelisatieverenigingen twee keer aan de orde, namelijk als illustratie van de daar heersende richtingenstrijd. De eerste keer ten tijde van de Tweede Wereldoorlog als het gaat om pogingen van de werkgroep ‘Kerk en Gemeenteopbouw’ om evangelisaties en kerkelijke gemeenten met elkaar in gesprek te brengen. De tweede maal als blijkt dat in de naoorlogse periode ondanks vele integratiesuccessen toch weer nieuwe rechtzinnige richtingsevangelisaties ontstaan.20

Ten slotte moet gewezen worden op het boek Christelijke Vaderlanders21 dat in 2009 is verschenen en waarin Houkes de orthodoxe landgenoten in het Nederland van na 1850 behandelt. In 1855 werd bij Wet het recht op verenigingen en vergaderingen van kracht. Daarvan maakte de orthodoxie dankbaar gebruik om evangelisatieverenigingen op te richten. Houkes merkt op dat deze verenigingen in eerste instantie vooral lokaal gericht waren.

Samenvattend kan gesteld worden dat de synonieme begrippen ‘evangelisatieverenigingen’ en ‘evangelisaties’ onder geschiedschrijvers van kerkhistorische thema’s en handboeken wel bekend zijn, maar dat een diepgaand onderzoek naar de praktische invulling ervan en ook de landelijke verspreiding nog niet verricht is. We stuiten hier wellicht op een lacune in de beschrijving van de Nederlandse kerkgeschiedenis van de negentiende en twintigste eeuw.

Stand van zaken

Wanneer er cijfermatig gekeken wordt, blijken evangelisatieverenigingen echter niet eens zo marginaal te zijn. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bestonden volgens het Rapport “Evangelisatiën in en in verband met de Nederlandsche Hervormde Kerk” in die kerk 332 evangelisaties ‘met een uitgesproken Ned. Herv. karakter’.22 Naar Mackaay rapporteert ging het hierbij om 190 algemeen-orthodoxe, 60 hervormd-gereformeerde en 82 vrijzinnige evangelisaties. In deze evangelisaties vond ongeveer 12% van de hervormde kerkleden een ‘geestelijk tehuis’.23 Niet allemaal waren ze dus orthodox. De 82 als vrijzinnig aangeduide evangelisaties zullen waarschijnlijk kerkhoudende afdelingen zijn geweest van de landelijke ‘Vereeniging voor Vrijzinnig Hervormden’. Wel weer orthodox waren de zestig evangelisaties, die sinds 1935 uitgingen van de ‘Nederlandse Hervormde Bond voor Inwendige Zending op gereformeerden grondslag in Nederland.’24

De cijfers in het genoemde rapport vormen echter een momentopname. Wie de moeite neemt om de uitgaven van de Nederlands(ch)e Staatscourant over de periode 1855-1951 na te pluizen op evangeliserende verenigingen komt tot een beduidend hoger aantal. In de Nederlands(ch)e Staatscourant werden de statuten gepubliceerd van die verenigingen die bij de koning(in) goedkeuring op de verenigingsreglementen hadden aangevraagd.25 Daaronder waren sinds de daartoe geboden mogelijkheid in 1855 talrijke verenigingen die zich bewogen op het gebied van de Inwendige Zending en dus ook verenigingen die zich toelegden op evangelisatie. Wat dit laatste concreet betekende zal nader onderzoek duidelijk moeten maken.

De bedoelde navorsing maakt wel duidelijk dat de naamgeving van dergelijke verenigingen zeer divers is. Er kan sprake zijn van een ‘Vereniging voor In- en Uitwendige Zending’ of een ‘Vereniging voor de behartiging van de Christelijke belangen’, maar ook kortweg van een ‘Evangelisatievereniging’. Alleen al van de laatstgenoemde verenigingen, die het begrip ‘evangelisatie’ in de naam hadden opgenomen én na vermelding in de Staatscourant over koninklijk goedgekeurde statuten beschikten, hebben er in ons land gedurende kortere of langere tijd 246 plaatselijk bestaan. Dat aantal komt vrijwel overeen met het totaal aantal algemeen-orthodoxe en hervormd-gereformeerde evangelisaties die in het genoemde rapport van Mackaay zijn geteld.

Voor een overkoepelende organisatie als de ‘Bond voor Evangelisatiën in en ten bate van de Nederlands(ch)e Hervormde Kerk’ maakte het verschil in benaming niet uit. Elke vereniging die kon instemmen met haar doelstelling, namelijk ‘een toezicht uit te oefenen op de vrije Evangelisatiën, die in en ten bate van de Nederlandsche Hervormde Kerk optreden, dat zij inderdaad aan den bloei dier Kerk geen afbreuk doen, maar dien bevorderen’26, was welkom. Dat blijkt uit de lijst van ‘Bonds-Evangelisatiën’ zoals die in de Maandbode van december 1915 is gepubliceerd.27

Sommige van deze verenigingen was een kort leven beschoren. De evangelisatie te Nieuw-Weerdinge werd in 1900 opgericht. In november anno 1911 kon de vereniging ontbonden worden omdat door haar werkzaamheden ondertussen een zelfstandige hervormde gemeente tot stand was gekomen.28 Andere verenigingen bestaan ‘tot op de huidige dag’. Een voorbeeld van dat laatste is de sinds 1906 werkzame vereniging ‘Noord-Jeruël’ te Houtigehage op de toenmalige ‘arme Friesche heide’. Aan deze evangelisatie werd overigens pas sinds 1931 het adjectivum ‘hervormd’ toegevoegd. ‘Noord-Jeruël’ is ontstaan in een gebied waar bewoners op ruime loopafstand woonden van dorpen met een kerkelijke gemeente als Rottevalle en Surhuisterveen. Daar woonden zij bijna letterlijk in een kerkelijk niemandsland, maar ook op sociale afstand van de dorpsbewoners. Deze toestand bleef bestaan totdat ds. J.A. Visscher (1876-1943) van Rottevalle zich het lot van de ‘heidsjers’ aantrok en er een lokaal liet plaatsen waar godsdienstoefeningen onder leiding van een evangelist gehouden konden worden. Zodoende ontstond hier midden op een heideveld een ‘evangelisatie’, maar ook op afstand van omringende plaatselijke kerkelijke gemeentes. Zulke verenigingen, wel aangeduid met de term ‘afstandsevangelisaties’, kwamen meer voor in de nauwelijks ontgonnen veengebieden van Friesland, Drenthe, Groningen en sommige streken van Overijssel. Volgens M.C.T. van Lennep (1884-1956), vermoedelijk van 1944-1955 directeur van de ‘Centraal Bond voor Inwendige Zending en christelijke philantropische instellingen’, moeten de meeste evangelisatievereni-gingen echter beschouwd worden als ‘richtingsevangelisaties’. Dat waren verenigingen waarvan de leden meestal kozen voor een andere, meer rechtzinnige theologische richting dan in de plaatselijke kerkelijke gemeente gangbaar was.29

Het gaat bij evangelisatieverenigingen van beide types veelal om een ‘vrij’ model. Dat wil zeggen dat ze zijn opgericht door een groep mensen die zich, door voor de verenigingsvorm te kiezen, relatief (want niet volstrekt) onafhankelijk opstelde ten opzichte van zowel de landelijke kerk als ook de plaatselijke kerkelijke gemeente. Daar hadden ze klaarblijkelijk zo hun redenen voor. Interessant is natuurlijk te achterhalen wat die motiverende redenen waren. De geformuleerde doelstellingen in de statuten zouden ons dat helder kunnen maken. Maar dat blijkt niet altijd het geval. Zo wordt in de reglementen van de lokale vereniging in het Friese Burgum nergens gesproken over de dreigende aansluiting van orthodox hervormde gemeenteleden bij de plaatselijke gereformeerde kerk. Externe bronnen aangaande deze evangelisatievereniging spreken daarvan echter wel.30 Voor de zoektocht naar de motieven voor de oprichting van een evangelisatie zullen dus ook de archieven van de naburige kerkelijke gemeenten een bijdrage kunnen leveren.

Hoewel er ook ‘gereformeerde’ evangelisaties hebben bestaan, die vrijwel steeds uitgingen van een classis van de Gereformeerde Kerken in Nederland, beschouwden verreweg de meeste verenigingen zich als ‘hervormd’. Die positiebepaling werd duidelijk door bijvoorbeeld als naam te kiezen voor ‘Nederlandsch Hervormde Evangelisatie-vereeniging’31. Het hervormde karakter kon door de vereniging ook aangegeven worden door via de grondslag te stellen dat men zich baseerde op de belijdenisgeschriften van de Nederlandse Hervormde Kerk. Veel andere evangelisaties gaven hun verbondenheid met die kerk aan door op aandringen van de eerder genoemde ‘Bond voor Evangelisatiën …’ in de statuten als doelstelling op te nemen: ‘mede te arbeiden aan den bloei van de Ned. Hervormde Kerk.’

In een enkele situatie ging een evangelisatievereniging zelfs rechtstreeks uit van een hervormde gemeente. Zo heeft de ‘Nederduitsche Hervormde Gemeente te Rotterdam’ sinds het laatste decennium van de negentiende eeuw in verschillende van haar wijken een ‘Vereeniging tot Evangelisatie’ gekend. Dat was ondermeer het geval in de wijken A, C, H, I, K, M (later wijk 14), N en P. Volgens het tweede artikel van de statuten van de ‘Vereeniging tot Evangelisatie in wijk A der Nederduitsche Hervormde Gemeente te Rotterdam’32 moest men predikant, ouderling, diaken of wijkbroeder bij de plaatselijke hervormde gemeente zijn ‘en als zoodanig aan voormeld wijk verbonden’ om lid van de vereniging te kunnen worden.

De rol van de Nederlandse Hervormde Kerk is voor het voortbestaan van veel evangelisaties tijdens de Tweede Wereldoorlog van beslissende betekenis geweest. Sinds begin 1942 moest op verordening van de Duitse bezetter op elk publiek toegankelijk gebouw een bordje met de tekst ‘Verboden voor Joden’ worden aangebracht. Dat was slechts met uitzondering van de kerken. Dit betekende dat ook op de lokaliteiten, waar leden van evangelisatieverenigingen hun samenkomsten hielden, zo’n bordje moest worden geplaatst. De hervormde synode adviseerde daarop aan kerkenraden in plaatsen waar een evangelisatie actief was die vereniging via een speciale samengestelde kerkenraadscommissie onder de kerkelijke vlag te brengen. De beoogde commissie moest dan bestaan uit enkele leden van de kerkenraad en de leden van het bestuur van de evangelisatievereniging. Door deze toen noodzakelijke samenwerking hebben verschillende verenigingen en kerkelijke gemeentes elkaar korter of langer na 1945 gevonden en konden de bestaande scheidsmuren worden geslecht.

Dat vinden van elkaar werd verder bevorderd door de werkzaamheden van de in 1940 door de synode van de Nederlandse hervormde kerk in het leven groepen commissie ‘Kerkelijk Overleg’.33 De werkgroep ‘kerk en gemeenteopbouw’, die onder andere door deze commissie was ingesteld, riep beide groepen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog op tot het zogenaamde ‘kerkelijk gesprek’.34 In de meeste gevallen leidden ook deze contacten – zij het soms na jaren van moeizame onderhandelingen – tot incorporatie van de evangelisatie in de plaatselijke gemeente. Het paste bij het nieuwe elan waarmee de Nederlandse Hervormde Kerk met de invoering van de nieuwe kerkorde in 1951 was doortrokken. Een reden om dat jaartal als afsluiting van de onderzoeksperiode aan te houden.35

De statuten van evangelisatieverenigingen, vermeld in de Nederlands(ch)e Staatscourant, bevatten ook plaatsaanduidingen. Met behulp daarvan kan de spreiding van lokale evangelisaties gedurende het tijdvak 1855-1951 over ons land in beeld worden gebracht. Onderstaande lijst geeft per provincie een overzicht van de eerder aangeduide 246 plaatselijke verenigingen. Deze verenigingen voldoen aan drie voorwaarden: a. op de statuten is Koninklijke goedkeuring verkregen, b. in de verenigingsnaam is het begrip ‘evangelisatie’ opgenomen en c. in de statuten is op enigerlei wijze aangegeven dat de vereniging zich als ‘hervormd’ beschouwt of dat mag om andere redenen aangenomen worden:

Drenthe 38 Noord-Holland 26

Friesland 48 Overijssel 17

Gelderland 30 Utrecht 9

Groningen 33 Zuid-Holland 37

Noord-Brabant 4 Zeeland 4

Het kaartje toont ons de spreiding van deze plaatselijke verenigingen over Nederland. Het laat zien dat in de drie noordelijke provincies Groningen, Friesland en Drenthe de concentratie van evangelisaties tamelijk groot was. In de eerste provincie kwamen evangeliserende verenigingen vooral voor in het zuidoostelijk deel, dus in de zogenaamde veenkoloniale streek. De 48 evangelisaties in Friesland zijn, met uitzondering van het zuidwestelijk deel, redelijk over de provincie verspreid. In Drenthe bevond ongeveer de helft van de 38 verenigingen zich gegroepeerd rondom Emmen. De provincies Overijssel en Gelderland laten een concentratie zien in de buurt van de IJssel en even ten zuiden van het Twentekanaal. Opvallend is ook de bundeling van plaatselijke hervormde evangelisaties in de omgeving van de stad Rotterdam. Zoals vermeld behoorden daartoe ook acht die uitgingen van de ‘Nederduitsche Hervormde Gemeente te Rotterdam’. In de drie zuidelijke provincies is het aantal kerkhoudende minderheden in de vorm van een evangelisatie beperkt tot een achttal: zowel Zeeland als Noord-Brabant tellen er vier. De provincie Limburg kende er gedurende de periode 1865-1951 geen enkele.

Naast een overzicht naar plaats kan aan de hand van statutaire oprichtingsdata over het tijdvak 1865-1951 ook een chronologisch overzicht worden opgemaakt. Ook hier geldt dat het gaat om Koninklijk goedgekeurde, plaatselijke hervormde verenigingen die het begrip ‘evangelisatie’ in de naam hebben opgenomen.

Na een beginperiode van zo’n 20 jaar (1865-1886) met gemiddeld twee gestichte evangelisaties per jaar, volgt er een tijdvak van ruim een halve eeuw (1889-1939) dat als bloeitijd kan worden beschouwd. Tijdens deze periode werden 194 verenigingen opgericht, wat een gemiddelde van vier per jaar betekent. In deze periode vielen de twee topjaren 1894 en 1921 met respectievelijk tien en negen in het leven geroepen kerkhoudende minderheden. Na deze bloeiperiode volgt er tot en met 1951 nog een korte tijd van twaalf jaar waarin per jaar nog slechts een enkele vereniging werd opgericht.

Vragen en werkhypothesen

In de vorige paragraaf is een voorlopig en globaal beeld geschetst van evangelisatieverenigingen in ons land. Dat was vooral aan de hand van secundaire bronnen. Ondertussen resten nog veel vragen. Is er bijvoorbeeld een verklaring voor de bundeling van evangelisaties in het veenkoloniale gebied van de provincie Groningen, de concentratie van dergelijke verenigingen rond IJssel en Twentekanaal of in de buurt van de stad Rotterdam? Welke rol speelden factoren als tijd, omstandigheden, personen of theologische inzichten hierbij?

Een interessante vraag op theologisch terrein betreft die naar de verschillen tussen de diverse evangelisaties onderling, maar ook tussen zo’n kerkhoudende minderheid en de plaatselijke gemeente. Valt er bijvoorbeeld een verwantschap te constateren met de verschillende richtingen zoals die sinds 1830 in de Nederlandse Hervormde Kerk aanwezig waren? Nu al wordt er door Van Lennep op gewezen dat er ethische, confessionele en ook zogenaamde bondsevangelisaties hebben bestaan.36 Hoe moet het min of meer rechtzinnige of orthodoxe karakter van deze groepen worden verstaan?

En hoe zit het met het gesignaleerde hervormde karakter? De meeste evangelisaties zagen zich als ‘hervormd’. Vaak waren de leden via geboorte, doop of belijdenis lid van de Nederlandse Hervormde Kerk. Maar waarom kozen ze niet voor aansluiting bij een ander en aan de grondslag van de vereniging verwant kerkgenootschap? Waarom wensten de leden zich hervormd te blijven noemen? Hoe stond het met hun rechten en ook de plichten ten opzichte van de Nederlandse Hervormde Kerk? Op welke wijze ging die landelijke kerk om met deze afgezonderde groepen? Hoe reageerde een plaatselijke gemeente op een dergelijke groep in de eigen gelederen? En wat waren de financiële gevolgen van de keuze die werd gemaakt?

Hoe was het gesteld op het organisatorische gebied? Waren er ook onderlinge verbanden met andere evangelisaties op landelijk en/of streekniveau? In het boek Nederlandse religiegeschiedenis wordt wel een opsomming gegeven van niet-kerkelijke organisaties die actief waren op het gebied van de Inwendige Zending, maar deze lijst is helaas niet compleet.37 Vooral streekgebonden en provinciale verenigingen blijken te ontbreken. Maar ook plaatselijk: hoe waren evangelisaties ingericht? Het onderzoek naar de vereniging ‘Uw Koninkrijk Kome’ te Burgum maakt duidelijk dat vanaf de oprichtingsdatum er binnen deze vereniging sprake was van ‘hulpverenigingen’ zoals een zondagsschool, een jongelingsvereniging, een jonge dochtersvereniging, maar ook van een knapenvereniging en kleine meisjesvereniging.38 Waren ook hier landelijke of streekgebonden verbanden?

Wat is de betekenis van evangelisaties geweest op sociaal-maatschappelijk gebied? Wat was de politieke opstelling? Evangelisatiemensen stemden en bloc christelijk-historisch, aldus de bekende Friese kerkhistoricus J.J. Kalma39 (1907-1991). Maar is deze stelling wel juist? Of gold deze zienswijze alleen de leden van de evangelisatievereniging te Bolsward? En wat was de positie van de vrouw in het geheel? Voor zover bekend is er slechts één keer sprake van een vrouw die als evangelist optreedt, maar dan vooral ten behoeve van de jeugd. Het betreft Suzanne Maria van Woensel Kooy, die van 1915-1934 werkzaam was voor de ‘Vereeniging tot Evangelisatie’ te Bussum40 en tevens deel uitmaakte van het bestuur. Maar hoe is het (de) andere vrouwen vergaan? Mochten zij toetreden als volwaardige leden van de vereniging of werden ze slechts gekend als ‘vrouw van ….’ zoals dat het geval was te Burgum?41 Het onderzoek naar de plaatselijke vereniging daar heeft overigens geen noemenswaardige feiten opgeleverd over de betrokkenheid van leden bij het maatschappelijke leven in dit Friese dorp.

Ten slotte is het de vraag of we met het fenomeen ‘evangelisaties’ te maken hebben met een typisch protestants én Nederlands verschijnsel. Dat laatste blijkt niet het geval te zijn. Ook naast de Evangelisch Lutherse Kerk in Duitsland hebben groepen bestaan die te interpreteren zijn als evangelisatieverenigingen. Maar ook hier geldt dat nadere bestudering nodig zal zijn om te achterhalen in hoeverre deze vergelijking opgaat.

Die bestudering zal verricht worden aan de hand van ondermeer de volgende werkhypothesen:

– een evangelisatie is de manifestatie van een groep gelovigen, die zich rondom een lokaal of kapel in een vereniging verenigde en daar het christelijk geloof op orthodoxe wijze beleefde. Soms was dit op afstand van naburige kerkelijke gemeenten, meestal echter in de directe omgeving van een vrijzinnige hervormde gemeenschap;

– evangelisaties waren voor leden van de Nederlandse Hervormde Kerk een instrument om eerst rond 1900 in landelijk onontgonnen gebieden en later vanwege afwijkende theologische opvattingen tot gemeentestichting te komen;

– gedurende de onderzoeksperiode 1855-1951 raakte het karakter van kerkhoudende minderheden als evangelisaties steeds meer naar binnen gericht. Daarbij werd via ‘hulpverenigingen’ binnen de verenigingen sterk geappelleerd aan een onderlinge cohesie. Deze cohesie kon pas doorbroken worden door ontwikkelingen binnen en buiten de Nederlandse Hervormde Kerk rond de Tweede Wereldoorlog;

– evangelisatieverenigingen hebben sinds de opkomst ervan in de tweede helft van de achttiende eeuw een ontwikkeling doorgemaakt waarbij, zoals de namen van de verenigingen en ook de grondslagen en doelstellingen in de statuten laten zien, de in de Nederlandse Hervormde Kerk heersende richtingenstrijd ook onder deze verenigingen een rol is gaan spelen;

– predikanten van rechtzinnige richting hadden kort na 1900 in ondermeer classicale evangelisatieverenigingen een middel om orthodoxe leden van de Nederlandse Hervormde Kerk via plaatselijke posten in overwegend vrijzinnige plaatsen en streken voor die landelijke kerk te behouden.

Uitgangspunt voor de toetsing van deze werkhypothesen zullen de statuten van de evangelisatieverenigingen zijn zoals die in de Nederlands(ch)e Staatscourant zijn opgenomen. Aan de hand van vestigingsplaatsen en oprichtingsjaren kunnen overzichten naar plaats en tijd worden gemaakt. De grondslagen en doelstellingen zijn ondermeer van belang wanneer het gaat om de theologische richtingen van evangelisaties of om de reden(en) van de oprichting ervan te achterhalen. De artikelen over de middelen vertellen veel over de werkzaamheden binnen de evangelisaties en die over de leden en bestuursleden over de organisatie. Daarnaast zullen de archieven van plaatselijke verenigingen, maar ook die van overkoepelende organisaties en naburige gemeenten ongetwijfeld een eigen licht werpen op de werkhypothesen en resterende vragen. Verder zijn er de jubileumpublicaties van de evangelisaties die vaak informatie bevatten over de situatie en de reden(en) van het ontstaan, maar ook over de dagelijkse gang van zaken. Over dat laatste en over hun persoonlijke ervaringen kunnen ook de nog sporadisch in leven zijnde (voormalige) leden van evangelisatieverenigingen vertellen. Ten slotte verschaffen kranten en bladen als de Maandbode van den Bond voor Evangelisatiën in en ten bate van de Ned. Herv. Kerk de nodige informatie, vooral waar het gaat om directe feiten.

Afsluiting en voorlopige conclusie

Tot nu toe heeft slechts G.J. Mink onderzoek verricht naar evangelisatieverenigingen in ons land. Bij hem ging het om een vijftal bovenplaatselijke verenigingen met daaraan verbonden evangelisten gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw. Verder bestaat er een doctoraalscriptie over evangelisaties in de Drentse zuidoosthoek en is er een enkel onderzoek gedaan naar een lokale evangelisatie. Uiteraard zijn er ook de jubileumpublicaties van de evangelisaties zelf. Voor het overige wordt er in kerkhistorische literatuur slechts zelden naar dergelijke kerkhoudende minderheden verwezen. Hebben we met het fenomeen ‘evangelisatieverenigingen’ inderdaad te maken met een lacune in de kerkgeschiedenis? Dat zou de conclusie kunnen zijn, want het onderzoek naar dit fenomeen is verre van volledig.

Desondanks kan er ondertussen een voorlopige stand van zaken worden opgemaakt. Dat kan door gebruik te maken van gegevens die vermeld worden in secundaire bronnen en met behulp van statuten van evangelisatieverenigingen die in de Nederlands(ch)e Staatscourant werden gepubliceerd. Maar dat blijkt niet genoeg te zijn om de vele resterende vragen op afdoende wijze te beantwoorden. De conclusie moet zijn dat daarvoor diepgaand onderzoek van de eerder omschreven bronnen noodzakelijk is. En dat voor een periode van bijna een eeuw, namelijk van 1855 tot 1951. In het eerste jaar werd bij Wet het recht op vereniging en vergadering van kracht. In het laatste jaar kwam de nieuwe hervormde kerkorde tot stand. Het daarmee verbonden nieuw elan bracht korter of langer daarna veel evangelisaties en plaatselijke gemeenten tot elkaar. Voor de periode 1855-1951 is echter vooral gekozen omdat in dit tijdvak het begin, de bloeitijd en de beginnende neergang valt van hervormde evangelisatieverenigingen in Nederland.


Teije T. Osinga studeerde na de hbo-opleiding godsdienstonderwijzer te Leeuwarden af aan de Rijksuniversiteit Groningen (theologie) en is nu gemeentepredikant van de pkn-gemeente Oudemirdum-Nijemirdum-Sondel. Hij werkt aan een onderzoek naar hervormde evangelisatieverenigingen in ons land tussen 1855-1951.

1 J. Vree e.a., ‘Het Réveil in het verenigingsleven 1830-1870’ in: Documentatieblad voor de Nederlandse Kerkgeschiedenis na 1800 (DNK), december 2005.

2 A. Houkes, ‘Réveil van het volk. De Vereeniging ter Verbreiding der Waarheid 1847-1870’ in: DNK, december 2005, p. 68-86.

3 A. Houkes, a.w., p. 86.

4 Zie voor het onderscheid J.M. Peschar, Een zoektocht naar de evangelisaties in Zuidoost-Drente, Almelo 1996 [doctoraalscriptie], p. 75.

5 G.J. Mink, Op het tweede plan. Evangelisten in de tweede helft van de negentiende eeuw, Leiden 1995, p. 261-269. Zie voor kritische noten op dit onderzoek F. Verkade, Dr. Mink bracht werkers uit vorige eeuw in kaart: Evangelisten van groot belang voor de kerk, www.verkade.nu/dominees.nl/publicaties.

6 J.M. Peschar, a.w.

7 Voorbeelden hiervan zijn Jaap Spanninga, Evangelisatie 1894-1994, Ter Apel 1994, J. Erdtsieck, Elim, de geschiedenis van een evangelisatievereniging in Zwolle van 1904-1964, Zwolle 1996 en Evert van der Poll, Spieghel in beeld. De Hervormde Spiegelkerk in Bussum en zijn voorgeschiedenis 1915-1990, Bussum 1990.

8 Zie ondermeer bij J.H. Brouwer (hoofdred.), Encyclopedie van Friesland, Amsterdam/Brussel 1958, p. 284 en ook J.R. Wolfensberger, ‘De kerk in Friesland’ in: S.F.H.J. Berkelbach van der Sprenkel, N. Stufkens en H.C. Touw (samenst.), Kerke-werk. Beschrijvingen van den arbeid der hervormde kerk in stad en land, Nijkerk z.j., p. 47.

9 A.J. Rasker, De Nederlandse Hervormde Kerk vanaf 1795. Geschiedenis, theologische ontwikkelingen en de verhouding tot haar zusterkerken in de negentiende en twintigste eeuw, Kampen 1986-3.

10 E. Meijering, Het Nederlands christendom in de twintigste eeuw, Amsterdam 2007.

11 Herman J. Selderhuis (red.), Handboek Nederlandse Kerkgeschiedenis, Kampen 2006, p. 691.

12 Zie bijvoorbeeld M.C.T. van Lennep, De ontwikkeling der inwendige zending in Nederland, ’s-Gravenhage 1946-2.

13 O.J. de Jong, Nederlandse kerkgeschiedenis, Nijkerk 1978-2, p. 342.

14 O.J. de Jong, a.w., p. 363.

15 O.J. de Jong, a.w., p. 342.

16 O.J. de Jong, a.w., p. 371.

17 O.J. de Jong, a.w., p. 402.

18 J.D.Th. Wassenaar, Noordmans in Friesland. Bijdrage tot de biografie van een kerkvader, Zoetermeer 1999, p. 383vv.

19 D. Bos, In dienst van het Koninkrijk. Beroepsontwikkeling van hervormde predikanten in negentiende-eeuws Nederland, Amsterdam 1999, p. 455.

20 Karel Blei, De Nederlandse Hervormde Kerk. Haar geschiedenis en identiteit, Kampen 2000, p. 129 en 161.

21 A. Houkes, Christelijke Vaderlanders. Godsdienst, burgerschap en de Nederlandse natie (1850-1900), Amsterdam 2009, vooral p. 73-102.

22 J.C.P. Mackaay, Rapport “Evangelisatiën in en in verband met de Nederlandsche Hervormde Kerk”, Utrecht 1944, p. 4 en in opdracht vervaardigd voor de “Hervormde Raad voor de Inwendige Zending”.

23 J.C.P. Mackaay, a.w., p. 6 en 10.

24 Aldus M.C.T. van Lennep, a.w., p. 77. Vergelijk ook J.C.P. Mackaay, a.w., p. 10.

25 Kennelijk vanwege de hoeveelheden aan aanvragen bestaat er sinds 1904 een Bijvoegsel tot de Nederlands(ch)e Staatscourant waarin de statuten van de Koninklijke goedgekeurde verenigingen werden vermeld.

26 Aldus art. 2 van de statuten van deze Bond, die op 13 maart 1893 koninklijk werd goedgekeurd.

27 Zie Maandbode van den Bond voor Evangelisatiën in en ten bate van de Ned. Herv. Kerk, december 1915, p. 13v.

28 Aldus M.A.W. Gerding e.a. (red.), Geschiedenis van Emmen en Zuidoost-Drenthe, Meppel/Amsterdam 1989-2, p. 331v.

29 M.C.T. van Lennep, a.w., p. 77. J. de Jager, Inwendige Zending, deel ii, Utrecht 1932, p. 48 schrijft overigens over een driedeling: gemeentelijke, “Drentsche” en evangelisaties in vrijzinnige gemeenten. J.C.P. Mackaay, a.w., p. 6 spreekt naast 265 richtingsevangelisaties en 67 afstandsevangelisaties ook nog over ‘aanvullings-evangelisaties’.

30 D. van der Burgh en Teije T. Osinga, Vereniging voor Evangelisatie “Uw Koninkrijk Kome” te Burgum, Drachten 2004, p. 19.

31 Zoals de gelijknamige vereniging te Wedde, opgericht op 17 februari 1911.

32 Nederlandsche Staatscourant, 9 december 1891.

33 Zie hiervoor H.C. Touw, Het verzet der hervormde kerk, deel i, ’s-Gravenhage 1946, p. 44vv.

34 Zie missive No. 3743, juni 1942, een uitgave van de Algemeene Synodale Commissie der Nederlandsche Hervormde Kerk.

35 In het Friese Burgum bijvoorbeeld werd in 1951 de ‘Vereeniging voor Evangelisatie “Uw Koninkrijk Kome”’ vanwege de opname van enkele rechtzinnige leden van deze vereniging in de kerkenraad omgezet in de ‘Vereniging van Rechtzinnig Hervormden “Uw Koninkrijk Kome”’. Zie hiervoor D. van der Burgh en Teije T. Osinga, a.w., p. 152.

36 M.C.T. van Lennep, a.w., p. 77.

37 J. van Eijnatten en F. Lieburg, Nederlandse religiegeschiedenis, Hilversum 2006, p. 297-299.

38 D. van der Burgh en Teije T. Osinga, a.w., p. 113-126.

39 J.J. Kalma, Mensen in en om de Martini. Beelden uit Bolswards Kerkgeschiedenis, Bolsward 1980, p. 369.

40 Zie hiervoor www.spiegelvrienden.nl als ook E. van der Poll, Spiegel in beeld. De Hervormde Spieghelkerk in Bussum en zijn voorgeschiedenis 1915-1990, Hilversum 1990, o.a. p. 12-15.

41 D. van der Burgh en Teije T. Osinga, a.w., p. 41.

Dit artikel werd u aangeboden door: Archief en Documentatiecentrum van de Gereformeerde kerken in Nederland

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 december 2009

DNK | 68 Pagina's

Hervormde evangelisatieverenigingen in Nederland (1855-1951)

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 december 2009

DNK | 68 Pagina's