Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Bij de kansel van: Scherpenisse

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bij de kansel van: Scherpenisse

19 minuten leestijd

Er zullen niet veel lezers van Oude Paden zijn die onbekend zijn met de trilogie Simon Gieke, de ketter van Scherpenisse. Dit boek van MEVAHOR (pseudoniem voor MEester VAn HOudt uit Rijssen, die afkomstig was van het eiland Tholen) dat enkele jaren geleden herschreven is door C. van Rijswijk -oud onderwijzer aan de Groen van Prinstererschool te Scherpenisse- is geschreven op basis van enige archiefstukken daterend rondom het jaar 1566 waaruit blijkt dat de pastoor en de koster van de aan Maria gewijde kerk te Scherpenisse de leer der Reformatie mochten omhelzen. Twaalf jaar later mocht de prominente plaats die het altaar innam verwisseld worden door de kansel. Een kansel die uit 1616 dateert en samen met de kerk een rijke geschiedenis heeft en ook een heel roerige.

De Dorpskerk van Scherpenisse, zoals deze heden mede het dorpsgezicht bepaalt, is slechts het restant van een imposante basiliek waarvan de geschiedenis teruggaat tot het eerste gedeelte van de vijftiende eeuw. Sedert het midden van de achttiende eeuw heeft de kerk de huidige gedaante gekregen, zijnde een middenschip met zijbeuken en daartegenaan genesteld een dikke korte toren. De twee transepten en het koor zijn vanwege bouwvalligheid in 1753 gesloopt. Het restant was groot genoeg om de kerkgangers van het dorp te bevatten. Jammer genoeg heeft men de fundamenten van het afgebroken gedeelte niet in takt gelaten zoals bijvoorbeeld wel het geval is bij de kerk van Goedereede.

Scherpenisse is het oudste dorp van het eiland Tholen. Aanvankelijk was het een eilandje, net als de omliggende gemeenten Stavenisse, Sint Maartensdijk en Poortvliet. Het eilandje bestond uit de twee dorpskernen Scherpenisse en Westkerke. Later is door inpoldering het eiland Tholen in huidige gedaante ontstaan. Op het eiland Tholen was Scherpenisse de eerst bewoonde plaats. Al vroeg was hier een kerkelijke gemeente, want in een oorkonde van 1203 wordt ene Baldewinus genoemd als geestelijke van ‘Scarpenesse’ zoals het toen heette. Zeer waarschijnlijk was er toen ook een kerkje of kapel. Daarvan ontbreken echter de nadere gegevens.

De bouwgeschiedenis van de huidige kerk begint in de eerste helft van de vijftiende eeuw. Er ligt in de kerk een grafsteen met het jaartal 1441. Aanvankelijk was het een kerkschip zonder zijbeuken. In 1462 vond de verlenging plaats met een koor en werd daartoe een stuk land gekocht om dat te verwezenlijken. Zo werd het langzamerhand met de uitbreiding van zijbeuken en -transepten tot een indrukwekkende kruiskerk. De kerk in volle luister is te zien op een gravure uit de 17e eeuw in de Cronijk van Zeeland van M. Smallegange.

In 1538 is het dorp, dat destijds rondom de kerk gebouwd was, geheel verbrand. Er is toen een nieuw dorp opgebouwd tussen de kerk aan de Lage Markt en de haven aan de Hoge Markt. Die haven is kort na 1953 overigens gedempt zodat er geen schip meer vanuit de Oosterschelde Scherpenisse aan kan doen. Dit is de verklaring waarom de kerk niet in het midden maar aan de rand van het dorp staat.

De toren is nooit tot de oorspronkelijk bedoelde hoogte gekomen. Bij de bouw ervan zakte hij mogelijk reeds scheef zoals thans duidelijk te zien is. In 1562 lezen we in het oudste rekeningenboek van de kerk dat men de toren nog trachtte te ‘rechten’. De toren bestaat uit een onderbouw met een houten klokkenverdieping. Een plan bij de restauratie van de kerk in 1974 om de toren zes meter hoger te maken heeft geen vervolg gekregen.

Het oudste voorwerp van de kerk is de torenklok. Er moeten er vroeger drie hebben gehangen. De zwaarste klok hangt er nog. Deze klok dateert van 1484 en is gegoten door de Mechelse klokkengieter Symoen Waghevens. Deze is aan de klokkenvordering gedurende de Tweede Wereldoorlog ontkomen. Deze klok heeft dus oudtijds mensen naar de mis geroepen en doet het thans om de dorpelingen onder de verkondiging van Gods Woord te nodigen.

Hoewel in 1907 pas een orgel in de kerk kwam -als laatste van alle oude kerken op het eiland Tholen- heeft er voor de reformatie reeds een orgel in de kerk gestaan. Mogelijk zelfs twee. Al in 1554 wordt in oude rekeningen van het uitbetalen van een organist gesproken in de persoon van Cornelis Joostzone van Muijden, terwijl koster Marinus Anthonissen -wiens grafsteen in de kerk nog te zien is- als orgelblazer werd genoemd. Dat duidt wel op een zekere welstand van het dorp Scherpenisse in die dagen.

De kerk was aan Maria gewijd en bezat meerdere altaren. In ieder geval was er een ter ere van Sint Anna. In het oudste rekeningenboek van de kerk dat begint bij het jaar 1554 worden we ruimschoots geïnformeerd over het wel en wee van de toenmalig Rooms-katholieke kerk. Zo lezen we dat in 1554 uitbetalingen werden gedaan aan de pastoor en twee kapelanen. In 1556 wordt vermeld dat drie ellen fluweel gekocht waren als altaarkleed, terwijl in 1571 gesproken wordt van het betalen van misbrood en in 1572 van de reparatie van het ‘sacramantshuisken’, een kast waarin de geconsacreerde ouwels werden bewaard die bij de viering van de mis overgebleven waren.

Omstreeks 1565 kwam pastoor Jan Versteech naar Scherpenisse. Hij werd ingewonnen voor de ‘nije leer’ evenals zijn rechterhand, de plaatselijke schoolmeester, Jasper Erasmusz. van Vliet. In 1567 legde hij zijn ambt neer als priester. In plaats daarvan zette hij zich in om op het hele eiland Tholen de hervormde leer te verbreiden, samen met de eerder genoemde schoolmeester. Ze hadden zelfs een kerkenraad gevormd en huurden in Sint Maartensdijk een schuur ten behoeve van de ‘nyeue predikatie’. Hij ging ook in Poortvliet voor en hield een preek op het kerkhof voor de kerkdeuren, maar ook wel op andere plekken. In Tholen preekte hij in een schuur buiten de stad. We kunnen zelfs stellen dat hij zowel in Poortvliet als in Tholen een gemeente institueerde met een eigen kerkenraad. Na de komst van Alva en de aanvang van de tachtigjarige oorlog in 1568 vluchtte hij echter naar elders omdat het niet meer veilig voor hem was op het eiland. Velen vluchtten met hem. Uiteindelijk werd hij door de beruchte Raad van beroerten op 10 november 1568 verbannen, tezamen met drie van zijn kerkenraadsleden. Hij was daarmee vogelvrij. Of hij ooit nog terug is geweest meldt de historie niet. Die vermeldt wel van het feit dat zijn trouwe medewerker, Jaspar Erasmusz. van Vliet op 13 januari 1569 gevangen werd genomen en overleed in de gevangenis te Zierikzee.

De jaren na Versteechs vertrek, toen de Spanjaarden heer en meester waren op Tholen, bleef de kerk in Rooms-katholieke handen. Nadat in 1577 het eiland Tholen zich achter de prins van Oranje verklaarde en de Spaanse dwingelandij van zich afschudde kwam de kerk in protestantse handen. Dat werd ook in het beheer van de kerk duidelijk zichtbaar, tot op de huidige dag. Twee altaarstenen -die gekenmerkt worden door een vijftal uitgehouwen kruisjes die de wonden van de Zaligmaker voorstellen- werden gebruikt als plaveisel van de kerkvloer en als grafsteen. Het voetstuk van de doopvont werd tot drager van de kansel herbruikt. Muurschilderingen met bijbehorende teksten aan de muren en wijdingskruizen die op de pilaren te zien waren werden onder gekalkt. Toch ligt achter in de kerk nog steeds een zerk die aan deze Rooms-katholieke periode herinnert. Het is er een die het jaartal 1521 draagt, het jaar van de rijksdag te Worms. ‘Bidt voor sijne siele’ staat er op het randschrift. Het onschriftuurlijke gebed voor de overledenen, zoals de Rooms-katholieke kerk dat heden ten dage nog kent.

De eerste voorganger die na de reformatie predikant werd in Scherpenisse was Johannes Florianus (1522-1585). Hij diende deze gemeente samen met Sint Maartensdijk. Florianus -zijn naam was eigenlijk Bloemaerd- was van Zuid- Nederlandse komaf, zoals ook het geval was met de predikanten die hem opvolgden in de rest van de zestiende en begin van de zeventiende eeuw.

Johannes Florianus diende slechts kort Scherpenisse. De jaren 1578 en 1579 heeft hij niet vol gemaakt toen hij naar Oost-Friesland vertrok. Deze Florianus, die aanvankelijk rector was van een Latijnse school in Antwerpen, heeft zich als kenner van talen op diverse wijzen verdienstelijk gemaakt. Niet alleen voor de kerk, maar ook voor de wetenschap. Zo vertaalde hij werken van Ovidius vanuit het Latijn in het Nederlands en een aardrijkskundige beschrijving over Arabië vanuit het Latijn in het Italiaans. De bekende fabel Reynaert de Vos, die een parodie is op de Roomse geestelijkheid en destijds op de index van verboden boeken stond, vertaalde hij vanuit het Vlaams in het Frans, terwijl hij ook in 1582 vanuit Antwerpen een vertaling van Calvijns commentaar op het evangelie naar de beschrijving van Johannes en de Handelingen der apostelen persklaar maakte. Op de synode van Middelburg vroeg men hem in 1581 een vertaling vanuit het Frans in het Nederlands te realiseren van Calvijns preken over Job. Omdat hij volgens het martelarenboek vele boeken uit het Latijn en het Frans vertaalde in het Nederlands die “dienden tot onderwijs en troost voor allen die de zaligheid van harte liefhebben en tot wederlegging van alle dwalingen des pausdoms” moest hij in 1560 vluchten. Hij vertrok toen naar Oost-Friesland en werd daar docent aan Latijnse scholen. Daarnaast maakte hij zich evenals Petrus Plancius verdienstelijk als cartograaf. Beroemd is Florianus’ tekening van het gebied rondom de Dollard onder de titel “Frisia Orientalis descriptio”. Op die tekening geeft hij aan waar in zijn dagen aan zoutwinning werd gedaan. Primair was zijn roeping echter zielzorger te zijn. Hij werd dan ook predikant en stond als zodanig enige tijd in Scherpenisse. Later is hij teruggekeerd naar de Zuidelijke Nederlanden en diende de gemeente Brussel. Toen in 1585 deze stad zich aan Parma overgaf, daar men anders de hongerdood had moeten sterven, kregen de predikanten gelegenheid om onder geleide naar Bergen op Zoom te vertrekken. Ondanks die toezegging werd hij onderweg naar Bergen op Zoom bij Lier gevangen genomen en veroordeeld tot de verdrinkingsdood in Beveren, niet ver bij Antwerpen vandaan. Bij de veroordeling zei Florianus: ‘Gijlieden verdoemt mij als een ketter, maar God Die een rechtvaardig Rechter is, zal daarover te Zijner tijd oordelen’. Toen men hem bij een onreine put bracht om verdronken te worden zei hij: ‘Die zijn ziel vindt zal dezelve verliezen, en die zijn ziel zal verloren hebben om Mijnentwil zal dezelve vinden’. In het martelarenboek lezen we vervolgens: ‘Toen hij bij de put nederknielde om zijn ziel in de handen des Heeren door het gebed aan te bevelen, werd hem een zak over het hoofd gesmeten en nadat die was toegebonden, werd hij in de put geworpen waar nauwelijks zoveel water in was, dat hij daarin bedekt kon liggen. Toen zij zagen dat hij zich nog lang bewoog, doorstaken zij hem eindelijk met een spies en aldus ontsliep hij in de Heere’. Hij liet zijn vrouw en acht kinderen na, van wie Jacobus predikant werd in Zuidland.

In de periode dat Isaäc van Heynsbergen Scherpenisse diende (1609-1619) werd in 1616 Nicolaas Joossen opdracht gegeven een nieuwe kansel te maken voor de kerk. Die kansel rust ook op het voetstuk van de doopvont. Waarschijnlijk omdat men deze niet als doopvont wilde hergebruiken vanwege de herinnering aan de Roomse rituelen die bij de doop werden gehouden. Vaak werd een doopvont gebruikt als voerbak voor de beesten of als ‘kerkspraak’ buiten de kerk vanwaar men de marktberichten e.d. bekendmaakte na de kerkdienst. Een doopvont als onderstel van een preekstoel was ook een mogelijkheid. Van Heynsbergen was onverdacht rechtzinnig en vertrok in 1619 naar Gouda om daar opvolger te worden van maar liefst drie predikanten die eerder vanwege remonstrantse gevoelens waren ontheven.

De eerste predikant die na van Heynsbergen de gloednieuwe preekstoel beklom was Carolus de Maet (1597-1651). Dat was van 1620 tot 1629. Hij was een veelzijdig man die aanvankelijk in Leiden wiskunde en medicijnen studeerde, maar daarna de theologische studie ging volgen. Hij vertrok daarom naar Franeker omdat hij met de arminiaanse geest die in Leiden heerste niet uit de voeten kon. Hij is bekend geworden vanwege zijn arbeid aan de Statenvertaling die in 1637 gereed kwam. Hij was reviseur van het Nieuwe Testament. Het prachtige tiengebodenbord dat de kerk siert bevat overigens niet de tekst van de Statenvertaling. Dat kan ook niet want het bord dateert van 1581. Opmerkelijk aan dit bord dat tussen twee pilaren hangt is dat het aan twee zijden beschreven is. Aan de ene kant staat de wet zoals die te lezen is in Exodus 20, aan de andere kant staan de tien geboden zoals die in het Nieuwe Testament worden uitgelegd.

Carolus de Maet diende na Scherpenisse Middelburg en werd vervolgens hoogleraar aan de theologische faculteit te Utrecht, waar hij samen met o.a. de bekende Voetius werkzaam was. Hij doceerde voornamelijk in de exegese van het Nieuwe Testament. Hoewel De Maet gerekend wordt tot de pleitbezorgers van de Nadere Reformatie, blijkt dat dit in Scherpenisse niet echt aansloeg. Dat blijkt uit wat er op de vergadering van 12 september 1622 werd besloten. We lezen dan in de notulen ‘Is geresolveert datmen voortaen des sondachs na den middag voor het avontmael de voorbereijdinge sal houden dewijle de ervartentheden leert dats andersins de kercke op sulcke gelegentheden van weijnige gefrequenteert wert’. We moeten concluderen uit deze opmerking dat er voor een weekdienst waarin normaliter voorbereiding op het Heilig Avondmaal was nauwelijks belangstelling was en men daarom dit op zondag deed. Of het ook zo was dat er holle weekdiensten waren en daartegenover een volle avondmaalstafel vermeldt de historie niet.

In de periode van ds. Adriaen Munninx, die Scherpenisse diende van 1645 tot 1655, raakte de kerk, die toen nog compleet was, steeds meer in verval. Interessant is de opmerking die in het rekeningenboek van 1654 te lezen valt. ‘Betaelt aan Jan Schram over sijn gedaen diensten over den jaere 1654 ingaende den 16 juni 1654 te weten van glaesen soo te stoffen als te vernieuwen tot verscheyden reysen en dat door last van de heer drossaert schout en schepenen op het versoek van onsen predikant munninx ter oorsaek dan de mussen de overhant met schreeuwen in kercke mochte benomen werden die seer hinderlyck waren om te hooren prediken’. De predikant kon zich in de grote kerk met hoge zoldering en grote akoestiek zonder geluidsinstallatie niet meer verstaanbaar maken vanwege de vele mussen die door de kerkramen in en uit vlogen.

Deed ds. Munninx zijn beklag over kapotte ramen waardoor de mussen kwamen om het spreken onmogelijk te maken, Matthias Janssen (predikant te Scherpenisse van 1751 tot 1771) klaagde over vallend gesteente. Bevreesd dat het klankbord op den duur geen verweer bood werd toen het koor en de zijtransepten afgebroken. De opening die daardoor ontstond is toen dichtgemetseld terwijl de kansel tegen die nieuwe muur werd geplaats. We schrijven dan 1753.

Het jaar 1834 waarin in vele gemeenten de afscheiding plaatsvond, heeft deze in Scherpenisse nauwelijks een rol gespeeld. Toch heeft een van de belangrijkste figuren van de afscheiding zijn jeugd in Scherpenisse doorgebracht. Ik bedoel ds. A.C. van Raalte die vanwege de moeilijke omstandigheden waaronder de afgescheidenen moesten leven naar Amerika emigreerde. Albertus van Raalte was zijn vader, die in Scherpenisse stond van 1825 tot 1828. Zeventien kinderen kreeg hij met zijn vrouw, waarvan er vijf de volwassen leeftijd bereikten. Albertus Cornelis was daar een van en heeft in de pastorie zijn vijftiende en zestiende verjaardag meegemaakt. Bij het terugblikken op die tijd schreef hij: ‘Bij een terugblik op mijzelven moet ik belijden, dat mijn jeugdig leven zeer doelloos was’. Dat veranderde pas in 1832 bij het uitbreken van de cholera toen hij in Leiden studeerde. J.A. Wormser die het leven van A.C. van Raalte heeft beschreven, geeft van diens vader, de predikant van Scherpenisse, getuigenis ‘dat hij een innig godvrezend man was die er echter niet aan denken zou om in enig opzicht aan hogere kerkbesturen of reglementen gehoorzaamheid te weigeren dan in het alleruiterste geval, dat zich naar zijn mening wel nooit zou voordoen.’

Onder van Raalte’s opvolger, ds. S.M. de Bruijn, die in 1828 vanuit Oud-Alblas naar Scherpenisse kwam en er bleef tot aan zijn dood in 1847, zijn er enkelen geweest die zich van de hervormde kerk afscheidden. Dat waren Cornelia van As-Kievit, een 56-jarige weduwe en een jongeman, Marinus Pape genaamd. Er zijn geen aanwijzingen dat dit met de prediking van ds. De Bruijn had te maken. Wel bracht de prediking van ds. A.F. Gerlach van Sint Philipsland opschudding toen hij in Scherpenisse voorging. Van hem is bekend dat hij in ‘Flipland’ de prediking van Pieter van Dijke hielp verstoren door buiten op de viool te spelen, omringd door baldadige jeugd. Toen ds. Gerlach vanwege de ziekte van ds. De Bruijn in Scherpenisse kwam preken en vervolgens zijn zieke collega in de pastorie opzocht kreeg hij de wind van voren van Marinus Kot. Omdat Marinus Kot, die in 1833 en 1834 diaken was geweest, onlangs verkozen was tot ouderling, schreef de huisarts naar aanleiding daarvan een bezwaarschrift tegen de verkiezing van Kot, waarin we de volgende passage lezen: ‘De gronden voor dit zijn leedwezen berusten bij den ondergeteekenden op de onwaardige, berispelijke, liefdeloze, ja onchristelijke handelswijze op zondag den 27en dezer, door meergenoemden M. Kot aan den dag gelegd; als hebbende zich op dien dag na het eindigen van den openbaren godsdienst, begeven naar de woning van onzen Predikant, den Weleerw. Heer S.M. de Bruin, die door een bedenkelijke ziekte aan zijne legerstede gebonden in zeer kommervolle omstandigheden verkeerde, en heeft hij in zeer hevigen drift ontstoken en in diens tegenwoordigheid, op eene booze liefdelooze en onchristelijke wijze, jegens de gepredikt hebbende Leeraar, den wel Eerw. Heer Gerlach van St. Philipsland uitgevaren, denzelven op eene meesterachtigen toon, met opgeheven vuist slaande op de tafel, verwijtingen doende over zijne gehoudene leerrede, tot groote ontsteltenis niet alleen van den Predikant, maar ook en vooral van den ouden, zieken en zwakken Heer de Bruin, wiens toestand, onder zoodanigen handelswijze natuurlijk geleden heeft; eene handelswijze die ieder weldenkend mensch ten hoogsten moet verfoeien en die zoo geheel en al aandruischt tegen de goede zeden en de leer van onzen Christelijke godsdienst; zoodat het te voorzien is (daar die persoon nog geenszins als ouderling der gemeente bevestigd zijnde en nu zich reeds zulke handelingen durvende veroorloven) dat hij eenmaal in zijn opzienersampt bevestigd zijnde, zijnen geestelijken hoogmoed en heersch-zugt zoo ver zal stijven, dat daaruit niet anders dan scheuringen, ergerlijke verdeeldheden en wat niet al onder de leden des Kerkenraads in de gemeente ontstaan zullen.

Het is op grond van dit alles, en ook omdat M. Kot meergemeld, zich steeds betoont door het niet opzoeken en zingen der Evangelische gezangen geen voorstander te zijn onzer kerkelijke wetten en verordeningen, dat de ondergeteekende met allen aandrang verzoekt, dat de benoeming van M. Kot tot ouderling dezer gemeente zal worden vernietigd; dienende deze tot eene opentlijke protestatie tegen deszelfs bevestiging alszoodanig.’

Ondanks deze bezwaren is de bevestiging van ouderling Kot toch doorgegaan.

Na het overlijden van ds. De Bruijn werd Scherpenisse van 1848 tot 1859 gediend door een drietal onverdacht gereformeerde predikanten, te weten H.J.H. Gutteling, S. Hogerzeil en H. van Strien. Simon Hogerzeil die naast Scherpenisse o.a. Doornspijk, Nieuwe-Tonge en Wijk bij Heusden diende was niet alleen een bevindelijk gereformeerd predikant, maar tevens een ijveraar om de oude kerk, hoe vervallen ook, niet los te laten. In zijn boekje ‘Rondborstige verklaring waarom ik mij niet afscheide van de gevestigde hervormde kerk’ schreef hij: ‘ik blijf derhalve bij de gevestigde Hervormde Kerk, opdat ik bij mijne dierbare Gemeenten blijve; en aan mijn verpligting kan voldoen, welke door Jezus mij als bedienaar des Evangeliums is opgelegd. Ik blijf, omdat Jezus mij gesteld heeft, om van de waarheid getuigenis te geven en velen het hooren van die getuigenis tot bevordering van hunne zaligheid nog zeer noodig hebben. - Ja, ik blijf, omdat ik nog vrij en ongehinderd die getuigenis, de Gereformeerde leer mag verkondigen en handhaven, en geene banden heb, welke mij hierin drukken; en ik nu veel nuttiger ben voor mijne Gemeenten, dan wanneer ik ware afgescheiden’.

Het ontstaan van de Gereformeerde Gemeente 150 jaar geleden zal vooral te maken hebben gehad met de onvrede over de prediking of de persoon Pieter Hofman (1860-1867), want na het vertrek van ds. H. van Strien naar Bennekom, werden in het jaar 1860 (!) nog beroepen uitgebracht op ds. C.C. Callenbach te Nijkerk en zelfs op ds. A.P.A. du Cloux te ’s Grevelduin- Capelle, naar wiens preken men tot op de dag van heden teruggrijpt bij leesdiensten in (oud) gereformeerde gemeenten. Ook kan het zijn geweest dat het charisma van Pieter van Dijke, die op Tholen regelmatig voorging, sommige mensen bijzonder aansprak zonder dat er principiële bezwaren waren de plaatselijke kerk te verlaten. Wel is vanuit de kerkenraadsnotulen op te maken dat er in de periode van ds. Geytenbeek (1868- 1875) spanningen waren betreffende diens prediking. Het zal hier inderdaad gegaan zijn om het gemis van een Schriftuurlijk-bevindelijke prediking. Het was opnieuw ouderling Marinus Kot die zijn bezwaren niet onder stoelen of banken hield waarom de predikant hem zelfs censurabel achtte.

Een bekend predikant die Scherpenisse diende van 1892 tot 1898 was dr. P.J. Kromsigt, die later binnen de Confessionele vereniging een prominente plaats innam toen hij in Amsterdam stond. In 1895 promoveerde hij op een dissertatie over John Knox, die hij in de pastorie van Scherpenisse heeft geschreven. In 1917 sprak hij in de Nieuwe kerk te Amsterdam een leerrede uit ter gelegenheid van zijn 25-jarige ambtsjubileum. Hij noemde Scherpenisse de plaats waaraan zijn eerste liefde bleef verpand. In die preek vertelde hij ook hoe hij als zoekende jongeman door het horen zingen van ‘Geef de wereld geef mij Jezus’ door het Leger des Heils zich geheel en al aan die Middelaar mocht toevertrouwen.

Na zijn vertrek zien we dat in het beroepingswerk voortdurend een strijd was tussen hen die een voorwerpelijke- en zij die een onderwerpelijke prediking voorstaan. In 1922 stonden bijvoorbeeld ds. J. Bus uit Ouddorp en ds. W.J. Keller uit Molkwerum op een tweetal. Verreweg de grootste meerderheid van kerkenraad en kiescollege koos voor ds. Keller. Dit was niet naar de zin van diaken Vos. Hij verklaarde dat er wel een heel groot verschil was tussen de prediking van Keller en die van Theodorus van der Groe, welke hij voorstond. Keller die het beroep aannam (en niet verward moet worden met de bekende ds. J. Keller van Sint Maartensdijk) diende Scherpenisse van 1922 tot 1925. In de tweede helft van de twintigste eeuw ontwikkelde de hervormde gemeente zich steeds meer naar de rechterflank van de gereformeerde gezindte. Nadat ds. J. Brons, die aanvankelijk nog een gezang opgaf, de gemeente verliet in verband met zijn vertrek naar Dantumawoude, werd de gemeente gediend door predikanten die verwantschap hadden met de Gereformeerde Bond en de beweging van ‘Het gekrookte riet’. Dat waren sedert 1960 de predikanten P. Alblas, P. Kolijn, A.G. Haring, D.J. Budding, P. van Bergen Bravenboer, J. van der Sleen, J. Lohuis, M. van Kooten en sedert enkele weken opnieuw J. Lohuis.

Toen op 13 juni 1909 ds. J.C.C. Trillaard afscheid nam van de hervormde gemeente Scherpenisse in verband met zijn vertrek naar Aalburg, werd zijn afscheidspreek in druk gebracht. Hij gaf deze als titel mee ‘Een vreemdsoortige akker’. Inderdaad, de hervormde gemeente van Scherpenisse is een vreemdsoortige akker met een grillige geschiedenis. Toch is het een akker waarin het zaad gestrooid mocht worden vanaf de oude kansel. En… niet ongezegend.

Wij bedanken de heer C.M. Kleppe uit Scherpenisse hartelijk voor het beschikbaar stellen van de illustraties bij dit artikel.

Dit artikel werd u aangeboden door: Oude Paden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 2011

Oude Paden | 48 Pagina's

Bij de kansel van: Scherpenisse

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 2011

Oude Paden | 48 Pagina's