Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De troost van passiepoëzie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De troost van passiepoëzie

4 minuten leestijd

"'t En zijn de Joden niet, Heer Jesu, die U cruysten;

Ick ben 't, o Heer, ick ben 't die U dit heb gedaen."

Ze zullen in deze weken weer van vele kansels klinken en in tal van kerkbodes worden geciteerd. De overbekende regels uit het klassieke lijdensgedicht "Hij droech onze smerten" van Jacobus Revius (1586-1658). Ik denk, de absolute topper van onze lijdenspoëzie. Naar mijn gevoel volgt op enige afstand het ontroerende gedicht van Jan Luyken (1649-1712), dat ook als gezang is opgenomen in het Liedboek voor de Kerken:

"Wie hangt er zo deerlijk, geteisterd, geschonden,

Roosverwig, vol striemen en wonden,

Tot smaadheid en schande aan 't kruishout verheven?

Wat heeft Hij, wat heeft Hij misdreven?"

En laten we Isaäc da Costa (1798-1860) niet vergeten, met de klassieke regels die iedereen kent:

"In het kruis zal 'k eeuwig roemen,

En geen wet zal mij verdoemen:

Christus droeg de vloek voor mij."

Merkwaardig overigens. In onze literatuur, die zo rijk is aan kerstpoëzie, zijn lijdensgedichten betrekkelijk schaars. Weliswaar hebben vele middeleeuwse dichters de lijdende Heiland bezongen, maar vaak deden ze dat op een al te realistische en sentimentele wijze. "Zijn heilige vijf wonden rood!" Of Maria werd ten tonele gevoerd om uit te drukken wat er toch wel moest omgaan in een moeder die haar Kind zó zag lijden. Maar de plaatsbekleding, het eigenlijke van het lijden, bleef dikwijls onderbelicht. Men kwam meestal niet verder dan "wenen om de pijn van de lijdende Heere..."

Het element van de plaatsbekleding is wel volop aanwezig in de protestantse lijdenspoëzie van de zeventiende eeuw. Want juist in die tijd blijkt de diepe vernedering van Christus vele dichters te hebben geïnspireerd. Revius en Luyken werden reeds genoemd, daarnaast zijn er Dullaert en Vollenhove. Zelf grijp ik in de lijdensweken nogal eens naar Jeremias de Decker (1609-1666), die in zijn uitvoerige "Goede Vrijdag" de lijdensgang van de Heiland diepgaand en ontroerend heeft bezongen.

De Decker werd geboren in Dordrecht, maar heeft van zijn jeugd af zijn hele leven in Amsterdam doorgebracht. Als vrijgezel bleef hij bij zijn ouders wonen. Evenals zijn vader, met wie hij een sterke band had, verdiende hij zijn brood als makelaar. Van zijn vader had hij ook de liefde voor de geschiedenis en de literatuur geërfd. Hij was een autodidact, die zichzelf onder andere Frans en Latijn leerde en veel werken van de klassieken vertaalde. Hij was persoonlijk bevriend met Rembrandt, die zijn portret schilderde. Geen lidmaat, wel "liefhebber" van de Gereformeerde Kerk en prediking, al was hij tolerant jegens andersdenkenden. Alleen de roomsen mocht hij niet, zeer tot ergernis van de rooms geworden Vondel, zijn tijd- en stadgenoot, die hem -merkwaardig genoeg- niet in het openbaar durfde aan te pakken...

Het gedicht "Goede Vrijdag" bestaat uit negen zangen, waarin de lijdende Christus op de voet wordt gevolgd. Het laatste lied, "Christus verrezen", valt strikt genomen niet onder de titel, maar voor de dichter is de opstanding onlosmakelijk met het sterven verbonden. Hij kon niet eindigen met de dood en de begrafenis, maar nam alvast een voorschot op het feit dat de dood verslonden werd tot overwinning.

Alle zangen hebben een episch-lyrisch karakter: ze beschrijven nauwkeurig de loop der gebeurtenissen, maar de dichter weet zich persoonlijk verbonden met alles wat hij voor zijn ogen ziet. Eigenlijk vat hij zijn bedoeling samen in de twee bekende regels:

"Hoe swaer die smerte was, die U door 't herte ging,

En welk een dood ons moest in 't eeuwig leven leijen."

Telkens wanneer ik "Goede Vrijdag" weer ter hand neem, zie ik de dichter vóór me als iemand die "het Lam volgt, waar het ook heen gaat." Wars van alle fantasie en vrij van gewaagde beeldspraak verzinkt zijn geest in de zee van het lijden, klaagt hij zichzelf aan als medeplichtige, maar put hij ook rijke troost uit het volbrachte werk van de Zaligmaker.

En wie Christus zo zag sterven, leert ook hoe langer hoe meer sterven aan zichzelf. Vandaar kan hij zijn eigen levenseinde rustig onder ogen zien:

"En als ik nu den weg van alle vlees betrede,

Soo laet (dit is mijn bede)

Door dit Uw sterven 't mijn

Geen sterven, maer een weg na 't eeuwig leven zijn."

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 21 maart 2001

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

De troost van passiepoëzie

Bekijk de hele uitgave van woensdag 21 maart 2001

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's