Ter verklaring van Jeremia 1 : 8—10. (Vervolg.)
Gaan wij nu tot de tweede vraag over, die wij te beantwoorden hebben naar het woord des Heeren tot Jeremia (Vs. 9). De vraag is: Wat doet de Heere aan Zijn volk en aan Zijne Profeten in hunne vreeze? Zeer veel! Hij sterkt hen in- en uitwendig; inwendig met Zijn Woord en Geest, uitwendig met Zijne macht en majesteit. De belofte is het, die hen staande houdt; is der ziel een woord ontgaan, met een ander geeft de Heere haar troost, en zoo geneest Hij de verbrijzelde beenderen, verkwikt de ziel, dat zij uitroept: Loof den Heere, mijne ziel! en al wat binnen in mij is, Zijnen heiligen Naam (Ps. 103 : 1 vv.); en wederom: Gij zult mij het pad des levens bekend maken: verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht, liefelijkheden zijn in Uwe Rechterhand, eeuwiglijk. (Ps. 16 : 11.) Op gelijke wijze heeft dit ook de Profeet ervaren; het is hem gegaan naar het woord: als ik wandel in het midden der benauwdheid, maakt Gij mij levend. (Ps. 138 : 7 v.v.) Des Heeren kinderen staan niet altoos zoo in de ruimte; dat hebben wij in Jeremia gezien, daar vandaan in het Woord Gods ook zoo vele klachten door Zijne heiligen uitgesproken. Zij dragen de heerlijkheid des Heeren in aarden vaten (2 Cor. 4 : 7 ) , daarom zijn zij zoo dikwijls ledig; er is niets dan dorheid des doods of droefheid, als de Heere Zijnen Geest inhoudt. Uit Z i j n e volheid ontvangen zij genade voor genade. (Joh. 1 : 16.) Maar hoe doet dan de Heere met Zijne kinderen? Hoe deed Hij met Jeremia? En de Heere sta/i Zijne hand uit. Wat eene genade, dat de Heere naar zulk een arm en onrein schepsel nog de hand uitsteekt en Zich met den zondaar zoo bemoeit! Is hij dat waard? Lees eens Ezech. 16, en grijp daarbij in uwen boezem, en gij zult het weten, of gij het waard zijt, dat de Heere nog Zijne hand naar u uitsteekt. Met den Profeet sprak de Heere als een man met zijnen vriend, gelijk Hij ook met Zijnen knecht Mozes gesproken heeft. De Heere heeft dat aan Hem werkelijk gedaan, door Zijnen Geest, het was niet denkbeeldig! En zoo is het immers nog; de Heere steekt Zijne hand uit naar u, den moedelooze en versaagde, de vijanden der ziel wijken en — gij zijt gered. Hij spreekt niet als een mensch: Ik zal het doen! maar Hij doet, wat Hij zegt, Hij houdt, wat Hij belooft; zeggen en doen is bij Hem één. Dat moogt gij ervaren, indien uwe oogen op Hem zijn.
Toen de Heere de hand uitstak, wat deed Hij? Hij roerde mijnen mond aan. Nu zal Jeremia toch niet meer gezegd hebben, dat hij jong en onbekwaam was, om des Heeren Woord te spreken ? Dat wras immers voor hem een teeken , dat de Heere met hem was en hem mond en wijsheid gaf. gelijk de Heere dit later ook aan Zijne discipelen beloofd heeft. (Luk. 21 : 15.) Dat aanroeren des monds drong door de ziel, nu was hij machtig in den Heere! Yan zichzelven is de mensch onbekwaam, om des Heeren Woord te spreken, hij verstaat het niet, en kan het niet verstaan, het is hem eene dwaasheid. (1 Cor. 2 : 14.) Des Heeren Geest opent de lippen, verwekt honger naar genade, en voedt en laaft de ziel. Dood is de mensch van nature, in misdaden en zonden, levend maakt hem de Geest des Heeren. (Efez. 2.) Ook Jesaja werd op deze wijze gesterkt. (Jes. 6 : 6 , 7 . ) Een Seraf vloog toe, nam eene gloeiende kool van het altaar en raakte zijne lippen aan , die onrein waren, om liet heilige te spreken. Hij nam die kool van het brandofferaltaar; want is de Heere Christus niet de verzoening onzer zonden? (Joh. 1 : 29; 2 Cor. 5 : 21.) Zoo heeft de Heere in de dagen Zijns vlcesches de oogen deiblinden aangeraakt (Matth. 9 : 29); ook den melaatsche raakte Hij aan. Volgens de Wet was het niet geoorloofd, om eenen onreine aan te raken, maar is Hij, onze Heere, niet de Wetgever?
Hij heeft de Wet tot eere gebracht, de zonden Zijns volks heeft Hij gedragen, Zijne gerechtigheid geschonken. (Jesaja 53.)
In Hem is ons leven, en anders hebben wij het leven niet, want God de Yader heeft van uit den hemel gezegd: hoort Hem! — Jeremia wist dat ook wel, daaruit laat zich zijn gansche toestand verklaren, maar hoe zal hij moed grijpen om daarvan te getuigen bij het gevoel zijner onreinheid en onbekwaamheid? De Heere roerde zijnen mond aan. En wat bovendien? De Heere zeide tot mij. De Heere, dat is Hij, Die eens tot Mozes gezegd heeft: Ik zal zijn, Die Ik zijn zal (Exod. 3), een trouwe God tot in eeuwigheid, Hij laat niet varen de werken Zijner handen. Hij zegt: Komt herwaarts pij allen, die vermoeid en belast zijt, Ik zal u rust geven; en wederom: O, alle gij dorstigen! komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk. (Jes. 55.) Hij is een trouwe Koning voor Zijn arm volk, ook voor Zijnen Jeremia. Het is den Heere niet genoeg, dat Hij des Profeten mond aanraakt, maar zoo genadig en goed is Hij, dat Hij hem nog een bijzonder woord geeft. De Heere is enkel goedheid, waar Hij Zijn aangezicht in genade eenen zondaar toekeert, grimmigheid is bij Hem niet. Ga in Zijn Woord, beproef en waag het met dat Woord, en gij zult er de bevestiging van vinden!
Wat zegt nu de Heere tot Jeremia? Zie, Ik geef Mijne woorden in uwen mond. Zie! spreekt de Heere. Ook dat kleine woordje in den mond des Heeren is voor Zijn kind van groote beteekenis. Zie wat er geschiedt, let er wel op; vergeet het toch niet en vrees niet meer, want Ik ben met u. Ik geef Mijne woorden in uwren mond. En nog veel gewichtiger is dat tweede kleine woordje: „Ik" Ik, de Heere.
O, hoeveel troost en kracht is hierin niet gelegen voor allen, die hun eigen „ik", dat geringe en nietige ding, dat zich zoo verheft en zoo vermetel kan aanstellen voor den Heere en voor menschen, onder des Heeren „Ik" hebben leeren buigen en zichzelven voor niets achten! Ik Zelf, de Heere alleen, ben het, Die u grijpt, en gij zult door Mijnen Geest spreken, en Deze zal u in alle waarheid leiden. Mijne, niet uwe, woorden zullen uit uwen mond voortgaan; gelijk de Heere Jesus ook zegt: Gij zijt het niet, die spreekt, maar de Geest Mijns Vaders zal u geven te spreken. En nu, was de Profeet zich daarvan bewust, wist hij dat voor zichzelven, dat hij des Heeren Woord sprak, toen hij tot het volk sprak? Zeer zeker wist hij dat, hij was daarvan verzekerd door den Geest des Heeren. Het heet bij den Apostel: De Geest geeft getuigenis aan onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn, — en dat wordt ervaren door Profeten en Profetessen, door allen, die des Heeren dienstknechten en dienstmaagden zijn; en de oude Profeten wristen, dat zij een bijzonder bevel van God den Heere verkregen hadden. (1 Petr. 1 : 1 1 v.v. en 2 Petr. 1 : 19—21.) Doch alleen door het geloof weet men, dat het Woord der Schrift des Heeren eigen Woord is. Indien het niet alzoo ware, waarom zou het Woord der Schrift zoo dikwijls verdraaid en verworpen worden? waarom zouden de wijzen dezer wereld aan hetzelve hun verstand beproeven? waarom zou het als eene fabel verklaard of in menschenwoord en in Gods Woord gescheiden worden, gelijk dit de veelgeroemde verlichting onzer eeuw doet? Het waren des Heeren woorden de woorden der Profeten, en die ze aangenomen hebben, hebben ze als des Heeren Woord aangenomen en — zijn zalig geworden. (Kom. 1 : 16.) Zoo staat ook van de discipelen des Heeren geschreven. Op het Pinksterfeest kwam de belofte des Vaders, de Heilige Geest, op hen, en — zij begonnen te spreken met andere talen. Maar hoe? zooals de Geest hun gaf uit te spreken! Zij zeiven hadden het Woord niet in hunne macht, maar de Geest had hen in Zijne macht, en zij spraken door dien Geest. Wat zij spraken en hoe zij spraken, het was alles des Geestes, Die op hen rustte. En staat gij in des Heeren Woord, zoo zijt gij des Heeren met lichaam en ziel, Zijne kinderen, die Hij verlost en Zich ten eigendom gemaakt heeft. (Catech. Vr. en Antw. 34.) Het ontbreekt u u aan geen heil; zoo genadig is Hij, dat Hij in al uwe behoeften voorziet, u sterkt, troost en bekwraam maakt tot Zijn werk. (Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 29 september 1889
Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 29 september 1889
Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's