Schilderen zolang het licht is
W. G. van de Hulst jr. tekende zeventig jaar geleden zijn eerste illustraties voor De Standaard
De oudste illustraties van W. G. van de Hulst jr. verschenen zeventig jaar geleden in De Standaard, het lijfblad van de antirevolutionairen. In zijn atelier staat een nog vroeger werkstuk: "Het eerste portretje van m'n ouwe heer. Uit 1928, dat is toch roerend." Daartegenover hangt een van zijn jongste werken, een kolossaal drieluik in rood en zwart. Dood en duivel in het lichaam van drie uitdagende vrouwenfiguren blikken de toeschouwer grijnzend aan. "Sodom en Gomorra".
Ze zitten samen buiten in de zon, de schilder en zijn vrouw. Zij donker met een beetje grijs, hij grijs met een beetje blond. Het theeblad staat tussen hen in. De glazen zijn leeg, in de theepot zit nog een restje. Hij draagt een witte schildersjas, vol met vegen verf -"Ik ben altijd bezig, zeven dagen per week"- en een donkere zonnebril. Die zet hij soms af om met een blik zijn woorden kracht bij te zetten. Zijn ogen lijken nog sterk genoeg.
Op tweede pinksterdag wordt hij 84, de man die zijn loopbaan begon met de Soete Suikerbol-plaatjes. Tientallen jaren maakte hij illustraties bij de boeken die zijn vader schreef, maar met kunst had dat naar zijn eigen gevoel niets van doen. "Toen ik begon te tekenen, spiegelde ik me aan het werk van Jetses, Bottema en, in veel mindere mate, Isings. Maar het verschil tussen mij en die lichtende voorbeelden was dat zij echte illustratoren waren -zoals later Anton Pieck en Rien Poortvliet- en ik niet. Niet dat ik er een hekel aan had. Als m'n ouwe heer een verhaaltje schreef over een zwervende hond, had ik er best aardigheid in om een zo zielig mogelijk hondje te tekenen. Ik schaamde me niet alle laatjes van de trukendoos open te trekken. Maar met mezelf had dat niets te maken.
Toen ik naar de academie ging, tussen 1935 en 1939, had ik het verbeten voornemen een groot kunstschilder te worden. In die tijd kreeg je geen aanmoedigingssubsidies, je werd meteen in het diepe gegooid en je moest je maar zien te redden. Dat is ook goed. Je kwam er dus achter dat je de eerste helft van je leven niet van de kunst bestaan kunt - als je tenminste geen water bij de wijn wilt doen, als je geen schilderijen wilt maken die boven het bankstel moeten passen. Sommige medestudenten gingen parttime lesgeven om brood op de plank te krijgen. Ik tekende plaatjes bij de boekjes die mijn ouwe heer zo nodig moest schrijven. Tot voor veertig jaar heb ik de kost verdiend met illustreren."
Colijn
Zijn eerste opdracht kreeg Willem toen hij veertien was: tekeningen maken bij het vervolgverhaal in De Standaard. "Alle bladen hadden in die tijd een strip voor kinderen, dus De Standaard moest wel volgen - ook al waren er lezers die een strip erg werelds vonden en daarom hun abonnement opzegden. Een of andere degelijke dominee zou het verhaal schrijven, en ik moest de illustraties maken: ze hadden gehoord dat Van de Hulst een zoontje had dat zo leuk plaatjes kon tekenen. Nou, dat viel niet mee. Het verhaal ging over een voorbeeldig gezin, dat op dinsdag aan tafel ging, allerlei wijze lessen kreeg en op vrijdag pas de maaltijd beëindigde. Hoe moet je dat tekenen?
Om mij te redden heeft mijn vader de redactie toen een wat levendiger verhaal aangeboden. Dat is een gouden greep geweest. "Inde Soete Suikerbol". Op een dag stond mijn vader samen met Colijn op het balkon van de tram, en Colijn vertrouwde hem toe: "Eigenlijk heb ik er een hekel aan, maar ik moet u bekennen dat ik -als ik straks in het Torentje zit- eerst moet lezen hoe het met de bakker gaat." Waarop mijn vader zei: "Wist ik het maar!"
In het gereformeerde zondagsschoolblad Jachin waren ze minder te spreken over de boekjes van mijn vader. Ze waren niet christelijk genoeg. "Matig aanbevolen", dat is het beste wat er ooit over gezegd werd. Vooral over zijn kinderbijbel kreeg hij de wind van voren. In die tijd kón je als bovenmeester helemaal geen kinderbijbel schrijven. Er was maar één Bijbel, de rest bleef namaak. Nu is dat helemaal verschoven. Als je nu een christelijk boekje moet hebben, neem je iets van Van de Hulst."
De boeken die Van de Hulst jr. zelf schreef, hebben een ander karakter. "Mijn boeken zijn zo werelds als wat. Met de brave verhaaltjes van m'n vader hebben ze weinig te maken. Toch ben ik de kern niet kwijt, ik leef met een gevoel dat er meer is dan dat wereldse. De lui die ostentatief afstand nemen van hun achtergrond, of ze nu uit Oegstgeest komen of uit Maassluis, hebben het in zekere zin makkelijk. Ze zeggen gewoon: Er is toch niks hogers, kappen ermee. Maar ik heb het gevoel, de zekere hoop dat er wél wat is, al loop ik daar niet mee te koop. Dat zeg ik toch voorzichtig genoeg, niet?"
Metrostation
Hij staat op voor een rondgang door het huis dat hij zelf ontworpen heeft. "Ik mag je eerst wel waarschuwen voor "Sodom en Gomorra"." Hij neemt zijn zonnebril af en kijkt hoe dat overkomt. "Sommige mensen schrikken als ze hier komen, ze verwachten de brave tekenaar van de Soete Suikerbol-plaatjes en ze vinden de schilder van de Amsterdamse Wallen."
Binnen is het groot en licht, een enorme tentoonstellingsruimte waarbij de woonkamer aan de ene en het atelier aan de andere kant van het huis bijna in het niet vallen. Beelden en schilderijen overal, en dan geen bescheiden doekjes maar werken van enorm formaat. De indrukwekkende schilderijenreeks "Metro" heeft hier de enig juiste opstelling gekregen. Acht metershoge doeken hangen roerloos om de toeschouwer heen, die zich binnengezogen voelt in de wereld van kille perrons en stille figuren, van horizontale en verticale lijnen waaromheen licht en donker een mysterieus spel spelen. De mensen op het metrostation wachten in stilte, zonder elkaar aan te kijken, zonder te communiceren. Waarop? "De trein kán niet eens komen, want er liggen geen rails. Er is alleen maar een zwart gat."
Somber zijn de schilderijen van Van de Hulst vaker, maar niet wrang. Er is veel eenzaamheid, maar ook veel licht en ruimte, rust, een verstilde sfeer. Dikwijls schemeren de omtrekken van figuren en landschappen weg in de mist, of ligt er een sluier over in brons gegoten lichamen. Tientallen, misschien wel honderden werken zijn er te bewonderen. Of hij ze ook verkoopt? "Jazeker, vooral in het buitenland. In Nederland heb ik niet zo'n goede naam, de Soete Suikerbol-plaatjes blijven me hier achtervolgen. Maar ik heb ook veel in Frankrijk gewerkt, en ik heb allerlei exposities in het buitenland gehad. Pas kreeg ik nog een tentoonstelling in New York aangeboden, en in Los Angeles."
Zwerven
Al heel jong wist Van de Hulst dat hij kunstenaar wilde worden. Zijn ouders hebben dat nooit tegengehouden. "M'n vader zei: Je moet je maar redden. In de tijd dat ik naar de academie ging, werd ik als jonge knul voor de leeuwen gegooid. Het leven kwam op me af. Ik woonde op een kamer aan de Oudezijdsvoorburgwal, tegenover de Oude Kerk, en onder mijn raam zaten drie hoertjes op de stoep - dat ging toen nog zo, nu zitten ze achter het raam. Als ik ziek was, kwamen ze me om strijd een kopje soep brengen."
Willem verdiende de kost met illustreren, met prijskaartjes ontwerpen voor een broodjeswinkel en reclames schilderen voor een bioscoop. Na zijn studie, in 1939, kocht hij een tjalk waarin hij kon wonen én waarmee hij kon varen. "In mijn ontwikkeling voel ik me de tegenpool van mijn vader. Hij is zijn leven lang bovenmeester gebleven, op dezelfde school waar hij als jochie al lezen leerde. Ik heb een veel turbulenter leven achter de rug. Jarenlang heb ik met mijn schip een zwervend bestaan geleid. Dat moest een keer aflopen. Toen ik mijn vrouw had leren kennen en onze oudste dochter geboren moest worden, zijn we in een echt mensenhuis gaan wonen."
Dat betekende niet dat de horizon zijn aantrekkingskracht verloren had. Ook in de jaren die volgden zwierf Van de Hulst dikwijls met zijn uitgebouwde bestelauto naar het zuiden, om zijn indrukken van het Franse en Spaanse leven vast te leggen. "Vorige week was ik in Parijs, daar zag ik een oud dametje met aandacht de etalage van een bruidswinkel bekijken. Kijk, dat levert dan zoiets op."
Het schilderij dat hij aanwijst is voornamelijk grijs met zwart en wit, schokkend en ontroerend tegelijk. Het laat een oude vrouw zien, met knokige armen en benen. Het magere, vervallen lichaam past niet meer in de weelderige bruidsjapon die ze met uitgestrekte armen voor zich houdt, opgedolven uit de kist waarin hij jarenlang bewaard is gebleven - een geestverschijning uit het verleden.
Dat is misschien wel het opvallendste aan het werk van Van de Hulst: hij legt dikwijls het verval, de triestheid en troosteloosheid van het bestaan vast, maar uit zijn schilderijen en verhalen spreekt tegelijkertijd een soort ontferming, compassie met de eenzame figuren die hij vol aandacht observeert.
Eerlijk
Zijn atelier is ruim en overzichtelijk, met uitzicht over de groene weilanden van het verstilde plaatsje Nieuwersluis. Er hangen vroege tekeningen en illustraties, er liggen boeken, maar de meeste aandacht trekt het drieluik dat een hele wand beslaat: drie levensgrote vrouwenfiguren in zwart en rood, uitdagend van houding, maar met gezichten die doen denken aan een doodshoofd of een duivel. "Ik zit hier niet om schilderijtjes voor de verkoop te produceren. Alles wat ik maak moet wáár zijn, al is het soms afstotelijk waar."
Dat doet denken aan zijn verhaal "Artiste peintre", waarin een oude kunstenaar met een veel jongere vakbroeder praat: "Hoe ik schilder? Eerlijk, zo eerlijk mogelijk (...) Geen trucs om indruk te maken op je publiek en op de recensenten. Geen semi-diepzinnigheid in je uitbeelding. Geen rookgordijn trekken door virtuositeit in je techniek. Geen angst hebben om niet modern en eigentijds te lijken. Een goed schilderij is van alle tijden. Geen zorg om de vraag, hoe vind ik erkenning? Zal ik het wel 'maken'?"
Trees
Met schrijven begon Van de Hulst al even vroeg als met tekenen. "Ik heb ergens nog een schoolschrift met opstellen, tekeningen erbij. Ik kreeg altijd een hoog cijfer, voor de inhoud dan. Voor het schrijven had ik nooit meer dan een 4 of een 5. Mijn eerste kinderboeken verschenen net na de oorlog, daarna kwamen er romans en korte verhalen. Komend najaar verschijnt er een nieuwe verhalenbundel van me bij uitgeverij De Prom. Dat is de enige manier van schrijven die me nog boeit. Als je twee- of driehonderd bladzijden tot je beschikking hebt ben je wel een oen als er niet ergens in staat wat je bedoelt. Maar bij een kort verhaal moet het meteen raak zijn, trefzeker."
Hij pakt een boek, slaat het open en schuift het naar de overkant van de tafel. "Lees het begin van dat verhaal eens voor." De titel staat in hoofdletters boven aan de pagina: "Trees met de blauwe ogen". En inderdaad, de eerste zinnen weten je als lezer meteen te grijpen:
"Ze heette Theresia.
Toen hij haar zag zei hij: 'Voor mij heet je Trees.'
En dat vond ze goed.
Hij zei ook: 'Ik neem je mee naar Holland. In twee dagen tijd kunnen we in Amsterdam zijn.'
En ze ging mee."
De schrijver luistert aandachtig, knikt dan naar de deuropening. "Daar staat ze, Trees. Zie je haar?" Ze is precies zoals hij beschreven heeft: een lange jurk, een bosje rozen tegen de borst gedrukt, een suikerzoet, leeftijdloos gezicht van gips met ogen van glas. "In zo'n verhaal vermeng je fantasie met je eigen beleven. Je vervormt de dingen zodat ze in elkaar grijpen, met elkaar vergroeien."
Kerstfeestgevoel
Een van de verhalen waarin hij duidelijk zijn eigen opvattingen -zij het onder het pseudoniem Gerrit Hulst- verwoordt, is "Het Kerstfeestgevoel". Daarin beschrijft hij onder meer hoe twee ouderlingen bij de hoofdpersoon op huisbezoek komen en na een teleurstellend gesprek hoofdschuddend vertrekken. "Hoe zouden ze kunnen vermoeden dat het 'zoekplaatje' van God, dat hij met zoveel moeite had ingevuld, voor hém vele malen majestueuzer en ontzagwekkender was dan het wat versleten, stereotiepe 'plaatje' dat zij meenden hem te moeten komen voorhouden."
Zo ziet de schrijver het nog steeds. "Ik ben altijd een beetje recalcitrant geweest, begon al vroeg kritische vragen te stellen. Maar dat wil niet zeggen dat je dan verkeerd terecht zou komen. Natuurlijk wel in de ogen van mijn brave tantes die de wereld door een kokertje bekeken - met aan het eind van dat kokertje de kerk. En ook in de ogen van de ouderlingen die op huisbezoek komen. Dat soort mensen vergeet te léven.
Ik heb veel gezworven, veel meegemaakt. Soms denk ik: dat is toch leuk, dat ik dat allemaal vastgelegd heb. Het is best lekker om oud te worden, ik kan het je aanbevelen, mits je goed op je benen blijft staan. Daar begint het bij mij een beetje aan te ontbreken, ik kan fysiek wel voelen dat ik geen tachtig meer ben. Pas ben ik een tijdje in het ziekenhuis opgenomen geweest, daar heb ik dat schilderij aan overgehouden: lege gangen, een zwart gat aan het eind. Ik dacht: moet ik daar nu op af? Niemand weet wat daarachter is. Maar ze zeggen, als je er echt doorheen gaat, zie je uiteindelijk het licht.
Ik moet ontzettend kiezen: wat wil ik nog maken in de tijd die ik heb? Mijn ogen gaan erg achteruit, ik kan geen boek of krant meer lezen. Schilderen kan ik nog. Mijn zoon -ook een W. G. van de Hulst, hij is fotograaf- zei pas tegen me: "Nu verspil je tenminste geen aandacht meer aan onbelangrijke details, nu gaat het pas echt om de grote lijnen." Daar heeft hij wel gelijk in."
De kleuren zijn veranderd, de middag is voorbij. Deze dag komt er weinig meer van schilderen, denkt Van de Hulst. Maar morgen moet er veel gebeuren. Hij blijft werken zolang het licht is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 28 mei 2001
Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 28 mei 2001
Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's