KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE SYNODALE WETSVOORSTELLEN (3).
We blijven nog maar even citeeren wat het Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur van de Synodale Wetsvoorstellen zegt. We zullen dan straks ons eigen oordeel wel kenbaar maken.
„En eindelijk" zoo lezen we dan in het Algemeen Weekblad „de hoofdschotel: een Reglement op de samenwerking der gemeenten. (Voorstel VIII). Er komt een Groote-stadsraad voor gemeenten, wier kerken gelegen zijn binnen het terrein van ééne burgerlijke gemeente met meer dan 100.000 inwoners, om tusschen die gemeenten samenwerking te bevorderen. Ongetwijfeld van belang voor een paar steden, b.v. Rotterdam!, waar Rotterdam, Kralingen, Delfshaven, Feijenoord één aaneengegroeide stad zijn" (De schrijver had ook Vreewijk en Charlois kunnen en moeten noemen). „Maar moet daarvoor een nieuw (Reglement voor de geheele Kerk worden ingevoerd ? "
„Vastgekoppeld aan deze nuttige instelling is dan nog een Groote-stedenraad" (wel te onderscheiden dus van de Groote-stadsraad) „voor de behartiging van de geestelijke belangen van de groote gemeenten bedoeld in art. 1. Wij lezen er in de Handelingen (blz. 531) niets verder over dan dat het voorstel werd aangenomen. Of de Synode ook moe was !"
Het Algemeen Weekblad vraagt dan : „Wanneer wij nu niet in staat zijn een dezer nieuwe voorstellen aan te bevelen, zijn wij dan van oordeel, dat er niets moet gebeuren ? — Integendeel! Maar er moet o.i. meer gebeuren dan eenige algemeene reglementsartikelen invoeren. De Commissie voor het Groote-stadsprobleem heeft voortreffelijk werk gedaan. Zij heeft tal van belangrijke onderwerpen voor het welzijn der gemeenten terdege In het oog gevat. En zij zal wel gevoeld hebben, dat men met eenige reglementswijzigingen in deze voornaame kwesties niet klaar komt. Zij heeft de zaak van de „buurtgemeenten" ter nadere beschouwing van de Synode teruggekregen. Zij bestaat nog en blijven in stand."
Maar het Algemeen Weekblad zegt dan verder : „Wat zij reeds onder de aandacht heeft gebracht geve de Synode aanleiding om een ietwat breedvoerig, warm gesteld, broederlijk schrijven te richten tot de Kerkeraden met ten minste 2 predikantsplaatsen, waarin op deze belangen, voor zoover voor de gemeente van waarde, gewezen wordt, en aangespoord wordt, om waar t noodig is, het initiatief tot plaatselijke regelingen te nemen. Zulk een schrijven wordt aan elke gemeente gezonden met een voldoend aantal afdrukken voor elk Kerkeraadslid (de Diakenen sluite men vooral niet uit!) Een levend woord zal meer uitwerken dan eenige doode letters. Er zijn onder predikanten en kerkeraadsleden mannen van toewijding en initiatief."
„En gelijk gezegd: de Commissie voor het Groote-steden probleem, desnoods met den nieuwen naam. Groote-steden-raad blijve in stand, evenals de zoo nuttig werkende Commissies voor de mijnstreek, voor de diaconale armenzorg, voor de betrekkingen met buitenlandsche Kerken, de pas ingestelde Schippersraad. Zij blijve werkzaam en waakzaam, geve advies aan Kerkeraden, aan Besturen en Synode en bezuinige vooral op nieuwe wetsvoorstellen."
Als wij het Algemeen Weekblad goed begrijpen, zou het verstandig zijn om op de a.s. Classicale Vergadering zoo ongeveer bij elk wetsvoorstel „neen" te zeggen. En wij voelen er geweldig voor, om dit advies op te volgen, te meer daar wij niet anders van plan waren ons advies aan de lezers van „De Waarheidsvriend", met name aan predikanten en ouderlingen (en diakenen) in te richten, vóór dat wij het Algemeen Weekblad hadden gezien!
Wij zullen bij geen enkel voorstel „ja" zeggen, maar telkens weer „tegen" roepen. En wel om oorzaken, die we nu nader gaan omschrijven, voor zoover we dat nog niet hebben gedaan.
Voorstel I willen wij niet aanvaarden, omdat ieder met een attestatie moet binnen komen in een gemeente, maar zonder dat „allerlei bijzonderheden en allerlei gegevens" overgebriefd worden. Noch de dominé, noch de Kerkeraad heeft daar eenig recht toe. De attestatie is voor leer en wandel, maar dan moet het ook uit zijn. En elke nieuwe gemeente heeft zich eenvoudig onbevooroordeeld, zakelijk op de hoogte te stellen van personen en gezinnen. — Een „zwarte" lijst, of een „goede" lijst, achter iemands rug om., te zenden aan den, Kerkeraad der nieuwe gemeente begeeren wij niet. Voor zakelijke gegevens wende de Kerkeraad van de nieuwe gemeente zich persoonlijk tot den persoon in kwestie. Wij zullen tegenstemmen.
Voorstel II begeeren wij niet te steunen. In elke gemeente, die daarvoor in aanmerking komt, is een wijkverdeeling, naar 't aantal predikanten en anders kan en moet het plaatselijk geregeld worden, zonder synodaal reglement. Die wijkverdeeling geschiedt door de predikanten, 't zij naar anciënniteit of om andere oorzaken, door het ministerie van predikanten geregeld, 't best te beoordeelen en te regelen. Vooral waar de richtingskwestie aan de orde is, is dat verre weg de beste methode. In Dordt, Gouda, Utrecht, Arnhem, Leeuwarden, Veenendaal, Zwolle, Alkmaar enz. enz. is het zoo en moet het zoo blijven. Zoolang de belijdeniskwestie niet geregeld is moet niet de Kerkeraad den eenen predikant uit een bepaalde wijk vandaan halen, om hem ergens anders te plaatsen enz. Dat moet het ministerie van predikanten regelen. En als iemand in een wijk aan 't werk is moet de Kerkeraad hem niet weg nemen, om er een ander te plaatsen. De Wijkcolleges worden gelukkig onder invloed van den predikant saamgesteld (al is 't dat de Kerkeraad nu benoemt) en , dat mag niet in handen van den Kerkeraad komen. Wijkwerk, Wijkcollege, Wijkgebouw; -enz. enz. moet „niet door elkaar geworpen worden om de 5 jaar" of op korter termijn. Wij hebben van allerlei actie in en buiten den Kerkeraad in 't belang van „ons kerkelijk leven" genoeg gezien!
Voorstel III begeeren wij niet te steunen, omdat het allemaal groote woorden zijn. Daarbij neemt het alleen den schijn aan, alsof er niet anders dan luie predikanten zijn. En alsof tegen het .„misbruik" van vacantie sterk gewaakt moet worden. Dat is over 't algemeen genomen een onware, valsche voorstelling van zaken. En deze dingen kunnen heel goed geregeld worden onder elkander — en worden ook miet elkaar geregeld. Een Kerkeraad kan (vooral onder de huidige omstandigheden) maar niet een regeling opleggen. En waar 't om gaat weten de predikanten zelf veel beter en kunnen het onder elkaar veel beter regelen — gelijk ook wel gebeurt. Van een uitzondering mag men geen regel maken. Dat lijkt op een valsch getuigenis ! Voorstel IV is heelemaal niet noodig. Het is Synodale rompslomp.
Voorstel V is niet aanbevelenswaardig. Laat men niet alles overhoop halen, om toch vooral kwesties aan de orde te stellen ! Vooral niet als men de kwestie ontloopt!
Voorstel VI, van dat onderzoek door een deskundige van de diaconie-administratie, is niet noodig en verwerpelijk.
Voorstel VII komt met een kwestie waarvoor volstrekt geen wetswijziging noodig is.
Voorsel VIII: d e Groote-stadsraad bedoelt de gemeenten onder een nieuw bestuur te brengen, dat zelfs het recht van initiatief heeft (om in de Kerkeraden van de plaatselijke gemeenten op eigen initiatief zaken aan de orde te stellen ; zie art. 3) en de beschikking heeft over de gegevens van de in hem vertegenwoordigende Kerkeraden (art. 3). In die nieuwe strik door het Synodaal-besturen-systeem uitgedacht wenschen wij ons hoofd niet te steken. Waar Kerkeraden zijn hebben die Kerkeraden eigen taak en verantwoordelijkheid ; en als ''t noodig is kunnen en moeten Kerkeraden correspondeeren met elkaar en overleggen ; maar aan een Groote-stadsraad hebben we geen behoefte. Ook afgezien van de richtingskwestie hebben we er geen behoefte aan. Maar nu de richtingskwestie er is — en mem maar blijft doen, alsof de inrichting der Kerk en de regeling van den arbeid absoluut niets uit te staan heeft met de belijdenis — willen we er heelemaal niets van weten ! 't Lijkt allemaal zoo onschuldig en 't wordt zoo lief gezegd en zoo mooi voorgesteld. Maar het kleine stukje vrijheid, dat de plaatselijke gemeente nog heeft, wenschen we nog niet te verkoopen. Er zijn wel menschen, die, als ze voor de spiegel staan, tot zich zelf gaarne zeggen : „ik, mijnheer de superindendent"; waar naast dan wel menschen te vinden zijn, die als bisschop willen optreden, maar wij voelen er niets voor om dien weg op te gaan.
Het groote gebrek en de groote fout is, dat men de Kerk beschouwt als een „zaak". En men verwacht van allerlei „zakelijke" regelingen meer dan van een leven als Kerk van Christus. 't Is soms komiek hoe menschen met statistieken werken, van gedachte zijnde dat dat de redding der Kerk is.
Wil men b.v. allerlei regelingen .maken voor predikanten. Best. Maar die predikant is vrij om te prediken wat hij wil en te leeren wat hij wil maar dat komt er minder op aan.
De Kerk heeft heelemaal vergeten, dat zij Kerk is.
Daardoor komt het b.v. ook, dat wij een Kerkeraad, die niet leeft uit de belijdenis der Kerk, niet graag alles in handen geven.
't Spijt ons wel, maar wij moeten bij alle Synodale. wetsvoorstellen adviseeren ze niet aan te nemen. En wij zeggen het 't Algemeen Weekblad na: laat men voorloopig maar eens ophouden met allerlei wijzigingen enz. in de Reglementen aan te brengen. Laat men zuinig zijn met nieuwe wetsvoorstellen. Geen stukken knutselwerk voorloopig!
Wij zouden liever zien, dat de Hervormde Kerk weer terug mocht keeren tot haar wettige belijdenis, ons in de kerkelijke belijdenis-en liturgische geschriften bewaard! Daar heeft de Hervormde Kerk ook recht op.
SPURGEON (3)
1834—1934.
Door den enormen arbeid en Gods overvloedige zegeningen op elk terrein van het veelvuldig werk groeide de gemeente te Londen op verbazingwekkende wijze. Twee trouwe helpers had Spurgeon: zijn broer James Spurgeon en de predikant Stott; waarbij niet vergeten mag worden zijn lieve vrouw Susannah Thompson met wie hij den 8sten Januari 1856 in het huwelijk was getreden. Uit dit huwelijk zijn 21 September 1856 twee zonen geboren Charles en Thomas, die beide predikers van bet Evangelie in hun vaders geest zijn geworden. De laatste is de opvolger in de Tabernacle, de kerk van Spurgeon, geworden.
Zijn vrouw, die onder de prediking van Spurgeon „zachtkens geleid was naar het kruis van Christus, om daar vergeving der zonden en den vrede Gods te vinden" noemt hij „de kloekmoedigste der vrouwen, sterk in het geloof", door wie Spurgeon, vooral in den tijd dat hij tot krankzinnig wordens toe beproefd is geworden, zoo vele en zoo rijke zegeningen voor lichaam en geest heeft ontvangen.
Te Londen kwam de volle kracht van Spurgeon aan den dag en traden zijne rijke gaven in het helderste daglicht. Hier was een groote schare, die hij trekken kom door zijn machtig redenaars-talent, hier een uitgestrekt terrein, dat braak lag en veel vrucht kon geven. Van den beginne af kwamen de menschen van alle kanten om dezen jongeling te hooren. Een bekend schrijver en acteur James Sheridan Knowles, die na zijn bekeering leeraar was in de welsprekendheid, waarin hij zich als tooneelspeler jaren geoefend had, sprak met groote bewondering over den jongen prediker tot aan studenten en spoorde hen aan om toch vooral Spurgeon te gaan hooren. „Zijn naam is Charles Spurgeon. Hij is maar een knaap, maar hij is de verwonderlijkste prediker van de wereld. Hij is volmaakt In zijn voordracht en een meester in de kunst der welsprekendheid. Hij heeft noch van mij, noch van iemand anders iets te leeren. Hij is eenvoudig volmaakt! Hij weet alles. Hij kan alles. Indien ik nog een theater had zou ik hem een fortuin aanbieden voor een enkel saisoen, als hij op het toneel wilde verschijnen". „En nu, jongens, let op mijne woorden : die jonge man zal de grootste prediker worden van zijn tijd. Hij zal meer zielen tot Christus brengen dan iemand anders, die het Evangelie heeft gepredikt, de apostel Paulus zelfs niet uitgezonderd. Zijn naam zal overal bekend wezen en zijne preken zullen in vele van de talen der wereld vertaald worden !" Die profetie is in vervulling gegaan. Niet zelden verkondigde Spurgeon voor een schare van 6000 menschen het Woord en meer dan 2000 zijner predikatiën, die stenografisch werden opgeteekend, zijn in vele talen overgezet en in alle werelddeelen verspreid, om met graagte te worden gelezen, tot op onzen tijd.
Deze „gulden mond" had ook een „gouden pen". Vele zijn zijne geschriften. We noemen hier De Psalmen Davids 5 dln.; Het Evangelie des Koninkrijks, het Mattheüs Evangelie practisch verklaard ; Het Hooglied; de Wonderen en de Gelykenissen des Heeren; Totdat Hij komt, toespraken aan de tafel des Heeren ; Zijn God onderricht hem, schetsen aan landbouw en veeteelt ontleend ; Voor lederen avond, dagboek voor het chr. gezin ; Praatjes van Jan Ploeger; Jan Ploegers prentjes; Overeenkomstig de belofte; Het masker der vroomheid; De weg der zaligheid; Korenaren, tusschen de schoven opgelezen ; Voor mijne studenten, lezingen ; Juweeltjes enz. enz. Sedert 1855 verschenen zijn preeken als Tabernaclesermoenen.
Nu moet men niet denken, dat alles te Londen zoo voor den wind ging. Want het tegendeel is waar. Wel was hij van 't eerste begin van zijn optreden in het donkerste en armste gedeelte van Londen, de held van den dag. Ieder moest hem hooren, zoodat het kerkgebouw spoedig te klein was. Ook de vergroote kerk van New-Park-Street bleek weldra nog niet groot genoeg. En in 1856 werd daarom besloten tot den bouw van den Metropolitan-Tabernacle, die ongeveer vijf jaar daarna, gereed was en gemakkelijk 5 a 6000 menschen kon bevatten. Zonder een cent schuld kon deze merkwaardige kerk in 1861 in gebruik genomen worden ! Uit vrijwillige giften waren alle onkosten betaald. (Dit prachtige gebouw is den 20sten April 1898 door brand bijna geheel verwoest, maar naar de oorspronkelijke teekeningen weer opgebouwd).
Dat een som van ƒ372.000.— voor kerkbouw uit vrijwillige bijdragen bijeengebracht was bewijst wel de buitengewoon groote belangstelling in het werk van Spurgeon. Maar het is geen wonder, dat zooveel liefde ook de haat en de vijandschap van anderen opwekte. Dat zijn zoo de gangen van Gods Koninkrijk in 't midden van een boos en overspelig geslacht! Rijk en arm, geleerd en ongeletterd, beschaafd en onbeschaafd kwam in 't geweer om dezen „kwakzalver" met een „weergalooze onbeschaamdheid" te bestrijden en tegen te staan. Men haalde den neus op over het minne publiek, dat elke week zich weer verdrong om de wonderlijke toeren van dezen goochelaar bij te wonen. Het karakter van Spurgeon werd verdacht gemaakt. En zoo ging men voort, in de kleine en in de groote pers, om Spurgeon's leven te verbitteren en zijn werk te bemoeilijken.
Tegenover den laster zijner tegenstanders, waaraan hij vooral in de eerste jaren van zijn verblijf te Londen voorstond, bleef hij kalm. Ik ben het voorwerp van laster", zoo zei hij in 1856 in Exeter Hall, „maar ik kan wijzen op honderden zielen, voor wie ik het zwakke werktuig geweest ben om hun de verlossing deelachtig te doen worden; en mijn antwoord aan al mijne vijanden is dit: Gij kunt zeggen wat gij wilt; gij kunt aanmerkingen maken op den inhoud en den vorm mijner prediking, maar God, de Heere, gebruikt haar om zielen te verlossen, en dat feit zal ik omhoog houden, gelijk het hoofd van den reus Goliath, om te toonen, dat, hoewel mijn prediking slechts is als Davids slinger en steen. God toch de overwinning behaald heeft".
Als bewijs hoe minachtend en hatelijk men Spurgeon bestreed, diene een aanhaling uit een Engelsche courant van 27 Febr. 1855. Daar wordt door den Londenschen Correspondent geschreven over „een clericale lafaard", en hij zegt: „Er is een weinigje opwinding in de godsdienstige wereld, veroorzaakt door een jongen man, een Baptistisch predikant, wiens vader, Spurgeon geheeten, predikant is van de gemeente der Independenten te Colchester. Deze jonge man kan vloeiend spreken en de gevolgen zijn allerdroevigst. Daar zijn eigen kerk verbouwd wordt, preekt hij eiken Zondag in Exeter Hall, en de zaal is stampvol. Zijn preeken vloeien over van slechten smaak, zij zijn plat en theatraal en desniettemin heeft hij zulk een toeloop, dat men een half uur vóór den tijd present moet wezen om een plaats te kunnen krijgen. Men heeft mij gezegd, dat een zeer geacht leeraar der Independenten, nadat hij den vroeg rijpen jongen man gehoord had, verklaard heeft, dat wat hij gehoord en gezien heeft, „eene beleediging van God en menschen was". Het is zeer te betreuren, dat zulk een man nog hoorders heeft". Dat men er maar op los lasterde, blijkt wel uit het volgende, bekende verhaal. Men vertelde, dat Spurgeon zich een onder het preeken langs de trapleuning van den preekstoel naar beneden zou hebben laten glijden, om plastisch voor te stellen, hoe gemakkelijk men ter helle kan varen, en daarna op de knieën de trappen weer opging om aan te duiden, hoe bezwaarlijk de weg naar den hemel is. De preekstoel der kerk in de New-Park-Street had echter een trap, die in de consistoriekamer uitkwam en voor de hoorders dus niet zichtbaar was.
Ergerlijker en brutaler was evenwel de leugen van een geestelijke der Anglicaansche Kerk, die het praatje uitstrooide, dat hij Spurgeon midden in zijn preek een vrouw had hooren vragen : „Moedertje, hoeveel betaalt gij tegenwoordig voor een pond lamsvleesch ? ", terwijl hij op haar antwoord : „Veertien stuivers" gezegd zou hebben : „Gij kunt het geheele Lam Gods voor niets krijgen".
Het springt in 't oog, dat geen laster laag genoeg was voor de vijanden.
(Wordt voortgezet).
HET WETENSCHAPPELIJK NEERZIEN OP DE ACHTERLIJKHEID DER KERK.
Wij hebben het boekje van J. A. Wormser : „De Kinderdoop", beschouwd met betrekking tot het bijzondere, kerkelijke en maatschappelijke leven" (3e druk. Met een inleiding van mr. Groen van Prinsterer) weer eens opgezocht, om. er nog eens van te genieten.
Laat ons hier iets uit de Inleiding mr. Groen van Prinsterer overnemen : van „Wormser was een geloovig Christen en een man van uitstekende begaafdheid. Hij had niet slechts een geopend oog, maar een scherpen en ruimen blik voor onzen geheelen kerkelijken en maatschappelijken toestand. Niemand wellicht heeft hem geëvenaard in het algemeen verstaanbaar maken van het Christelijk-historisch beginsel, toepasselijk op Kerk, Staat en School. Zijne vlugschriften, wier invloed niet gering was, hebben blijvende waardij. Hij levert zelf het bewijs, dat „de diepte der waarheid in de hoogst mogelijke eenvoudigheid ligt".
De Kinderdoop. Let wel! „met betrekking tot het bijzondere, kerkelijke en maatschappelijke leven". Waarin ligt vooral het schadelijke van de dwaling, die den doop enkel den bejaarden vergunt ? Hierin, dat men aldus den zielevrede, in Gods onwankelbare genade en trouw gegrond, afhankelijk maakt van de wisselbare gemoeds gestalten en overtuigingen van den gedoopte omtrent zijn genadestaat. Dit is het gevoelen der Baptisten; maar in den grond der zaak evenzeer van eene ziekelijke, bekrompen richting in de Gereformeerde Kerk. Vele godvruchtigen verkeeren, méér dan zij vermoeden, in een lalbadistische en baptistische richting, tot zeer wezenlijke schade van eigen gemoedsleven, tot groot nadeel van Kerk en Staat.
De Doop, wel begrepen, is de grondslag der Christelijke Kerkgemeenschap en de eenheidsband eener Christelijke natie.
De baptistische richting toch is uit haren aard antikerkelijk; het wezenlijk begrip van Kerk is haar geheel onbekend ; zij kent slechts geloovige individuen. Indien haar beweren waarheid bevat, kunnen wij ophouden te spreken van een Christelijiken Staat, van eene Christennatie, van eene Christelijke Overheid, van Christelijke instellingen, van Christelijke scholen, ja, van Christelijke huisgezinnen. Alsdan behooren ook de thans bestaande Christelijke Kerkgenootschappen, en bepaaldelijk de Gereform. Kerk, hoe spoediger hoe beter, te worden ontbonden en opgeheven, en, te beginnen van de zuigelingen af, de niet-wedergebórenen te worden teruggeworpen in het heidendom.
Aan dit Individualisme, dat ook den Staat niet spaart, gedachtig, vat men de beteekenis der wonderspreuk : „Leer der natie haren doop te verstaan en waardeeren, en Kerk en Staat zijn gered".
Waarin heeft de dwaling omtrent den doop haar diepsten grond ? Dat men dien onderwerpelijk (subjectief) en niet voorwerpelijk (objectief) opvat. Alleen het voorwerp des geloofs (de waarheid) heeft vruchtbaarmakende kracht, en door haar moet het onderwerp (de mensch) vruchtbaar gemaakt worden, wanneer zij door het geloof overgaat en ontvangen wordt in het hart.
Vandaar dat deze ziekelijke, bekrompen richting de vrijmakende en verlossende kracht van Jezus' dood en opstanding niet ten volle gevoelt. De onkerkelijke richting der wetenschap en de bekrompen richting der Kerk zijn hierin gelijk, dat beide de objectieve (voorwerpelijke) waarheid (dien onveranderlijken grondslag van Gods gemeente) verwaarloozen, en de belijdenis der Kerk tegen een chaos van individueele, subjectieve en tegenstrijdige meeningen en gissingen verruild wordt.
Tegen dergelijke afwijking en verwarring wordt men behoed door het fiksche, krachtige en onbekrompen standpunt van de Gereform. Kerk.
Doode rechtzinnigheid is niet wat Wormser voorstaat. Hij verlangt dat, gelijk iedere Christelijke waarheid, ook iedere Christelijke instelling, voor het verstand en voor het hart van Christenbelijders, weder levend worde gemaakt. Maar de rechtzinnigheid in haar Schriftuurlijken hoofdinhoud, is onmisbaar voor het leven der Kerk en het leven der ziel. Men heeft de instellingen der Kerk met haar Christelijken rustdag en Kinderdoop en dogmatiek voorgesteld als nuttelooze geraamten, weinig in overeenstemming met den geestelijken aard van het Christendom. Ik deins voor die schildering niet terug; maar neem aan, dat al die instellingen geraamten kunnen zijn. Ook dan nog bewijzen ze mij, dat èn de Kerk met hare belijdenis, èn de Christelijke rustdag èn de Kinderdoop behooren, niet slechts tot het lichaam, maar zelfs tot het beendergestel, tot de vastigheid van het Christendom. En ik weet, dat een schoon en gezond lichaam onbestaanbaar is, zoo het beendergestel wordt aangetast.
Wormser was van oordeel, gelijk Groen zelf, dat vrije verkondiging van elke leer in de Ned. Hervormde Kerk met de slooping dezer Kerk gelijk is ; dat haar bestaan onafscheidelijk is van de handhaving der waarheden, waarop de Christelijke Kerk ten alen tijde gegrond is geweest en gerust heeft, en dat deze eigenaardige ondergeschiktheid de voorwaarde van Christelijke vrijheid en van Christelijke wetenschap is.
Vasthouding aan het beginsel was bij hem met onbekrompenheid in de toepassing gepaard.
Veel van den ongunstigen toestand van Kerk en Staat is in den middellijken weg te wijten aan de lichtvaardigheid waarmee — ten gevolge van vooroordeel en misverstand — de aard en de voortreffelijkheid en onmisbaarheid der Kerkleer, als een versleten kerkelijk standpunt, voorbijgezien wordt. En het is een treurig verschijnsel — waaruit veel verklaard kan worden — dat zich bij vele geloovigen een onkerkelijke richting openbaart. „De glans der tegenwoordige opgewektheid" — aldus Wormser in 1864 — „zoo zij bij hare Christelijke richting niet tevens een kerkelijk karakter aanneemt, is niet in staat voor mij de donkerheid te toedekken van de toekomst, die Kerk en Christendom beiden in ons Vaderland, ook door haar, tegemoet gaan".
Wormser, die de Gereformeerde gezindheid prijst en haar beschouwt als een kostbare kern van de Christennatie, die maar al te zeer miskend wordt, roept die Gereformeerde gezindheid toe, dat men zich dikwijls bij uitnemendheid Gereformeerd acht en zich op de Vaderen en op de belijdenis — en liturgische geschriften van de Gereformeerde Kerk beroept, maar dat men in ziekelijkheid en bekrompenheid dreigt onder te gaan, en dat het zoo noodig is met de belijdenisschriften en niet 't minst met het Formulier van den Kinderdoop bestreden te worden, omdat daar te vinden is de veroordeeling van hunne zienswijze ! Wormser wil het orthodoxisme overwinnen en de orthodoxen genezen, door de orthodoxie!
Over de leer Vrijheid in de Kerk schrijvende, zegt hij, dat het voor hem was een vraag naar de meest eenvoudige goede trouw. „Is het" — zoo zegt hij — „met de goede trouw bestaanbaar, dat men zich op kerkelijk gebied opwerpt, als voorstanders van de vrije evangelieprediking, wanneer men eigenlijk bedoelt de vrijheid om het evangelie te prediken te vernietigen en om te prediken wat men wil? Wanneer men bedoelt eene Kerk, met welke men niet vereenigd is, van hare vrijheid, d.i. van haar vrijen en rustigen evangeliedienst te berooven, en haar te dwingen het tegenovergestelde van het Evangelie aan te hooren? wanneer men voor zich de vrijheid verlangt om een Evangelie te verkondigen, dat met zichzelf op honderdvoudige wijze in strijd is, de vrijheid om de gemoederen op honderdvoudige wijze te verwarren ; de vrijheid om de gemeente van Christus op honderdvoudige wijze te verwoesten ? "
En van de ongeloovige wetenschap spreekt hij dan met die ironie en dien glimlach der verontwaardiging, welke, bij een gemoedsstemming als de zijne, een der onbedriegelijkste kenmerken van onwankelbaar geloofsvertrouwen en heiligen ernst is.
Hij was de man niet, om het nut der geloovige wetenschap, ook voor de Kerk, te miskennen. Maar zij moest dan ook vruchtdragend voor de Kerk zijn, „niet te zeer van leven en warmte beroofd worden, door haar te scheiden van de rechten, die arme onsterfelijke zielen hebben op de verkondiging van het Evangelie, en vooral van de rechten, die Gods eer heeft in de handhaving der waarheid". „Ook voor den geleerdste is het toppunt van zelfstandigheid en onafhankelijkheid in de levendige en warme bewustheid : leerlingen van Christus te zijn en te blijven".
Wormser wilde de waarheid Gods, aan de Kerk toevertrouwd, niet inwisselen voor de resultaten van de moderne wetenschap. „Niet hetgeen na achttien eeuwen nog ontdekt moet worden, maar hetgeen gedurende achttien eeuwen door de gemeente des Heeren als haar erfgoed gekend en erkend geworden is ; niet die wetenschap, welke slechts voor weinigen verkrijgbaar is, maar hetgeen voor allen bereikbaar is, is de waarheid, die allen, de geleerden en eenvoudigen, behoudt. Ieder diep inzicht in de Schrift en iedere nieuw ontdekte waarheid is ons welkom. Maar eigenlijk hebben wij niet zoozeer behoefte aan nieuwe waarheden, als wel daaraan, dat de oude waarheden immer nieuw blijven, en dat de reeds gedurende achttien eeuwen met steeds voortgaande ontwikkeling gekende waarheden, beter worden gewaardeerd en gehandhaafd, en meer algemeen en oprecht worden in practijk gebracht".
Men beweert dat, bij den machtigen vooruitgang der wetenschap, de Gereformeerde Kerk tweehonderd jaren ten achter is. „Dit zou waarlijk erg genoeg zijn", zegt Wormser. „Maar" — zoo voegt hij er bij — „zouden wij niet mogen aannemen, dat zij, die de waarheid nu nog zoeken moeten, veel meer dan tweehonderd jaren ten achter zijn ? "
„In ieder geval is het niet raadzaam, de Kerk van eene belijdende in eene zoekende Kerk te veranderen, en haar, om haar vooruit te doen gaan, in hare belijdenis te schorsen. Indien zij waarlijk tweehonderd jaren ten achteren is, is zij dit zeker niet, wat hare belijdenis betreft van hetgeen noodig is om getroost te leven en te sterven, maar omtrent zaken, voor haar van ondergeschikt belang". „Achterlijkheid in godsdienstige ontwikkeling wordt door ons in geen geval verdedigd ; maar zooveel is zeker, dat de Gereformeerde gezindheid, wanneer zij alle omstandigheden en vooral de houding der wetenschap tegenover haar in aanmerking neemt, geen reden heeft om zich al te zeer te verontrusten over eene achterlijkheid, die tenminste het middel is geweest om haar te doen vasthouden aan een belijdenis, wier troostrijkheid zelfs op brandstapels en moordschavotten, proefhoudend is bevonden".
In deze Schriftuurlijke belijdenis ligt de sterke vertroosting en het anker der ziel.
„De Kerk, die aan hare belijdenis getrouw blijft, kan het tamelijk kalm aanzien, wanneer de zoekende wetenschap haar onmondig verklaart en hare belijdenis gering acht. In de ure des doods en in tijden van vervolging, wordt niet zoozeer de wetenschap als het wel geloof beproefd ; en ontelbaar is de schare, vooral ook van gewone leden der Kerk, wier geloof in dat uur en in zulke tijden, toewees en nog dagelijks bewijst, dat vele vragen der wetenschap voor het geloof geen vragen meer zijn en dat de Kerk, in hetgeen voor haar de hoofdzaak is en blijft, de heilige kunst om getroost te leven en te sterven, de wetenschap zeer verre vooruit is".
's-Hage, 21 April 1864.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's