Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Boekbesprekingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbesprekingen

4 minuten leestijd

D. Plüss e.a. (red.), Ekklesiologie der Volkskirche: Theologische Zugänge in reformierter Perspektive (Zürich: Theologischer Verlag, 2016) 444 p., € 50,30 (ISBN 9783290178529).

Het begrip ‘volkskerk’ roept in verschillende landen zeer diverse beelden op. In Nederland is het vooral binnen de Nederlandse Hervormde Kerk heel gebruikelijk geweest om over de kerk als volkskerk te denken en te spreken; daarin werd ook wel het contrast gevoeld met de Gereformeerde Kerken in Nederland. Het was zeer ‘hervormd’ om te zeggen dat het de taak van de kerk was om ‘de natie haar doop te laten verstaan’ (J.A. Wormser), en ‘heel de kerk voor heel het volk’ te laten bestaan, en stug in die kerk te blijven ‘met Jan Rap en zijn maat’ (Ph.J. Hoedemaker), ook als er een ware uittocht van rechtzinnigheid zou plaatsvinden. Nu de genoemde kerkverbanden weer samen zijn gekomen in een kerk die zichzelf steeds meer gaat verstaan als een marginaal verschijnsel, lijken stemmen die pleiten voor het bestaan van de kerk als ‘volkskerk’ nog maar weinig gehoor te vinden.

Het is in die omstandigheden de moeite waard om een themabundel vanuit Zwitserland te lezen: een boek waarin de mogelijke betekenissen van het woord ‘volkskerk’ helder uiteen worden gelegd, en waarin de (blijvende?) theologische waarden en ook de haken en ogen van het begrip worden onderzocht. En dat met een voortdurende blik op de kerkelijke praktijk.

Voor mij heeft het lezen van deze bundel opgeleverd dat ik voortaan terughoudender zal zijn in het gebruik van het begrip; en ik heb één reden overgehouden om het toch niet helemaal op te willen geven.

Om te beginnen: het is cruciaal om te onderscheiden tussen een kerk van een volk en een kerk voor het volk (zo bijvoorbeeld het zeer lezenswaardige artikel van Matthias Wüthrich, 313). Het is welbekend dat de eerste optie problematisch is. Allereerst empirisch: in 2020 kun je althans in ons land geen enkele kerkgemeenschap meer op een dergelijke vanzelfsprekende manier met een heel volk verbinden. En theologisch zijn er ook vragen te stellen. Zeker in Duitstalig gebied is de verbinding van de woorden ‘volk’ en ‘kerk’ sinds de jaren dertig verdacht. Een heel volk, een hele natie, een land, een traditie zomaar als christelijk (of ‘kerkelijk’) te karakteriseren – daarmee kan gemakkelijk een exclusiviteit gesanctioneerd worden die helemaal niet christelijk is. Maar de oorsprong van het begrip ligt toch wel ergens op deze kerk-van-het-volk-lijn, zo werd me duidelijk door het artikel van Ralph Kunz (108-109). Het begrip ‘Volkskirche’ werd door Schleiermacher gemunt, en zijn bedoeling was: de kerk zou van het volk moeten zijn, dat wil zeggen door het volk moeten worden bestuurd.

In Nederland is het begrip ‘volkskerk’ vermoedelijk meer als een ideaal en opdracht gebruikt dan als een beschrijving of legitimering van een bestaande situatie. De kerk zou er voor heel het volk, inclusief ‘Jan Rap en zijn maat’ en inclusief Ahmed en Ayaan, moeten zijn. Maar wat is dat ‘volk’ dan precies? En hoe verhelderend is het eigenlijk om voor ‘kerk voor heel de bevolking’ het woord ‘volkskerk’ vandaag nog te gebruiken? De kerk verstaat zichzelf vanuit het evangelie en zal begrippen als ‘volk’ en ‘wereld’ daarom ook altijd willen ‘ontmythologiseren’ (zo Hans-Joachim Iwand, geciteerd door Marco Hofheinz, p. 139).

De reden waarom ik het woord toch niet helemaal op zou willen geven, zit nog wel dicht bij deze ‘ideale’ kerk-voor-het-volkgedachte. Het gaat me dan om de veelkleurigheid van het volk, de bevolking, met alle lagen, rangen en standen, opleidingsniveaus, achtergronden, enzovoorts. Dat die veelkleurigheid in de kerk weerspiegeld zou moeten zijn, en dat we onszelf kritische vragen moeten stellen als het met die veelkleurigheid erg tegenvalt – die gedachte zou ik vast willen houden. In die zin moet de kerk volkskerk willen zijn. Er moet niet een groepje gelijkgezinden ‘kerkje gaan spelen’.

Bij de bijdrage over Kierkegaard (Pierre Bühler, 323-337) ging ik nog eens op het puntje van mijn stoel zitten. Zoals waarschijnlijk welbekend, opende deze Deense filosoof en theoloog (1813-1855) aan het einde van zijn leven met een ongekende scherpte de aanval op de volkskerk van zijn dagen. ‘Bij ons is iedereen christen’, is een zinnetje dat hij zich nogal eens licht spottend liet ontvallen. Toen hij aan het einde van zijn leven zag hoe de vanzelfsprekende en gerieflijke christelijkheid van de kerk expliciet met het ware christen-zijn werd vereenzelvigd, werd het hem te gortig en spuide hij voortaan onverbloemd zijn kritiek. Wie het woord ‘volkskerk’ wil blijven gebruiken, zal Kierkegaards pijnpunten ter harte moeten nemen.

Dit artikel werd u aangeboden door: Theologia Reformata

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 juni 2020

Theologia Reformata | 122 Pagina's

Boekbesprekingen

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 juni 2020

Theologia Reformata | 122 Pagina's