Alois Brunner, de laatste grote nazi die nog vrij rondloopt
Justitie in Frankrijk veroordeelt SS'er bij verstek
Het bloed van meer dan honderdduizend Joden kleeft aan zijn handen, maar hij is er nooit voor gestraft. Alois Brunner is de laatste grote nazi die nog leeft en loopt vrij rond. Al meer dan veertig jaar verleent Damascus hem onderdak, maar de Syrische leider Assad ontkent ook maar iets van hem te weten.
Amerikaanse politici, europarlementariërs, ministers en presidenten vroegen allemaal in de Syrische hoofdstad naar hem, maar allemaal vingen ze bot. Tot aan de Franse president Jacques Chirac toe. En toch jagen ze geen schim na. Hij is geboren in 1912, is 1,70 meter lang, zijn linkeroog ontbreekt, zijn linkerhand is na een bomaanslag verminkt. Hij droeg verschillende schuilnamen: Kolar, Schmaldienst, Fischer.
In werkelijkheid heet hij Alois Brunner en was een van de hoogsten in rang in Hitlers vernietigingsmachinerie. Meer dan 128.500 Joden heeft de naaste medewerker van de miljoenenvoudige moordenaar Adolf Eichmann uit Wenen, Saloniki en Pressburg, Parijs, Nice en Berlijn naar de gaskamers gedeporteerd. Zijn jongste slachtoffer heette Monique en was twee jaar jong.
Speurwerk
Iedere politiecomputer in Europa heeft Brunners naam in zijn bestand. In Frankrijk, Duitsland en Oostenrijk liggen arrestatiebevelen gereed. Zijn rang aan het einde van de oorlog: SS-Hauptsturmführer ofwel majoor bij de SS. Voorzover bekend zijn laatste adres: 7, Rue Georges Haddad, Damascus, hoofdstad van de Arabische Republiek Syrië.
Maar al tientallen jaren lang ontkent president Assad ten stelligste de SS-beul ooit onderdak en bescherming te hebben verleend. "Ongehoord is het te beweren", kregen Duitse diplomaten in Damascus te horen, "dat een dergelijk individu zich in Syrië ophoudt." De Syrische onderminister van Buitenlandse Zaken, Yusuf Shakur, verklaarde dat dergelijke beschuldigingen, afkomstig uit "zionistische kringen", maar één doel hebben: "Syrië in diskrediet brengen." Toen in februari van dit jaar de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Joschka Fischer, op staatsbezoek in Syrië was, sneed ook hij de kwestie-Brunner aan. Hij herinnerde aan een veertien jaar oud uitleveringsverzoek. Hij kreeg het inmiddels overbekende antwoord: "De man is hier onbekend."
Maar verschillende deskundigen zijn, aldus het Duitse magazine Der Spiegel, ervan overtuigd dat deze uitspraak een pertinente leugen is. Gest erkt worden ze door een 132 pagina's dikke akte van beschuldiging, die gebaseerd is op het speurwerk van de Parijse onderzoeksrechter Hervé Stephan. Op grond van onderzoek is Stephan er absoluut zeker van dat Brunner nog leeft in een suite in hotel Méridien in Damascus, afgeschermd van de buitenwereld door veiligheidsagenten van president Assad.
Rechtszitting
Jaren achtereen heeft Stephan in Frankrijk bewijsmateriaal tegen Brunner verzameld. Begin volgend jaar zal voor een juryrechtbank in de Franse hoofdstad de openbare rechtszitting beginnen. De rechtbank heeft door middel van een openbare bekendmaking Brunners verschijnen gelast.
Wat op het eerste gezicht een showproces lijkt, is in werkelijkheid een laatste serieuze poging zijn misdaden aan de kaak te stellen. "Brunner mag niet in de vergetelheid raken, dat zijn we de slachtoffers verschuldigd", zegt officier van justitie Willie Dressen, hoofd van de Zentralstelle für Aufklärung von NS-Verbrechen, de federale instantie in Duitsland die onderzoek pleegt naar nazi-misdaden. "Dat is 54 jaar na afloop van de oorlog belangrijker dan een veroordeling van de bejaarde Brunner."
Feitelijk is het te gek voor woorden dat de jacht op Brunner pas na een halve eeuw goed begint. Als hij nog leeft en opgepakt wordt, kan hij een zitting nauwelijks bijwonen. Drie jaar geleden plaatsten de officieren van justitie van Keulen en Frankfurt een beloning van een half miljoen mark op het hoofd van Brunner. Met toestemming van het kantongerecht in Keulen en de arrondissementsrechtbank in Wenen werd in Oostenrijk wekenlang de telefoon van Brunners dochter Irene S. afgeluisterd.
Ook de post van de gepromoveerde juriste werd grondig doorzocht. Agenten gingen aan de hand van creditcardafschrijvingen haar buitenlandse reizen na en konden zo haar gangen tot zeven jaar terug volgen. Een dochter wil toch contact houden met haar vader, was de gedachte van de gerechtelijke onderzoekers.
Tatoeage
Brunners carrière in Hitler-Duitsland begon pas na de Anschluss van Oostenrijk in 1938 aan het Derde Rijk. De 26-jarige boerenzoon uit Burgenland die als verkoper de kost verdiende, sloot zich aan bij de SS. In Eichmanns Zentralstelle für jüdische Auswanderung in Wenen kreeg hij werk.
De instantie, gevestigd in Palais Rothschild, zorgde met haar "Weense model" voor opzien. Eichmann had een bijzonder efficiënt apparaat ontwikkeld om Joden kaal te plukken. Brunner deed zijn werk zo goed dat hij Eichmanns post kreeg toen deze naar het Reichssicherheitsamt in Berlijn ging. Later, in Frankrijk, liet Eichmanns eerste assistent bijvoorbeeld fysionomisten rondrijden: commando's die mensen met een zogenaamd Joods uiterlijk op straat oppakten. De mensen werden net zo lang gemarteld tot ze adressen en schuilplaatsen van andere Joden gaven.
Begin april 1945 trad de SS-Hauptsturmführer voor de laatste keer onder zijn ware naam op. Vervalste papieren en het ontbreken van de onder SS'ers gebruikelijke bloedgroeptatoeage zorgden ervoor dat de geallieerden hem na de capitulatie niet oppakten. Als Alois Schmaldienst werkte hij in Essen als mijnwerker. In 1954 wilden de communisten hem in de ondernemingsraad kiezen. Brunner vreesde dat zijn ware identiteit bekend zou worden en vluchtte, eerst naar Egypte, daarna naar Syrië.
Daarbij maakte hij steeds gebruik van een Duitse pas die op naam stond van dr. Georg Fischer. Fischer was een oorlogskameraad van Brunner, eveneens een SS'er. "De pas is zeker gestolen", zei indertijd de doctor in de filosofie. Zonder bezwaar kreeg hij een nieuwe. Vandaag wil Fischer zijn kameraad Brunner niet meer kennen. De zaak met de pas herinnert hij zich niet meer. "Die tijd" zei hij tegen Der Spiegel, "is eigenlijk uit mijn geheugen verdwenen."
Bomaanslagen
Onder Fischers naam maakte Brunner in Syrië carrière. Naar buiten toe was hij de brave, ietwat onnozele zakenman, handelde met Dortmunder bier en andere Duitse bedrijven en verkocht huizen aan Amerikanen en Europeanen. Tegenover Duitse zakenlieden schepte hij, ongehinderd door justitie, op vrouw en dochter in Zuid-Tirol bezocht te hebben. Van Syrië had hij niets te vrezen. "Wie Joden heeft uitgeroeid, is in Syrië verzekerd van aanzien en bescherming", aldus nazi-jager Simon Wiesenthal.
Ook als veiligheidsadviseur van de regering in Damascus verdiende Brunner de kost. Hij bracht agenten de Duitse taal bij en diende als informant van de Syrische geheime dienst.
Voor zijn gezin thuis in Oostenrijk bleef Brunner zorgen. Regelmatig stuurde hij via een verbindingsman geld. Een keer zou hij, volgens informatie uit de jaren zestig, de Duitse autoriteiten een deal hebben aangeboden. Hij wilde onder garantie van een vrijgeleide naar Duitsland komen om "informatie over liquidatie van de Joden te geven", aldus een getuigenverklaring uit die tijd. Volgens informatie van de vroegere Russische geheime dienst KGB is Irene S. "af en toe naar haar vader in Syrië" gegaan. De juriste spreekt dit heftig tegen. "Alois Brunner", beweert ze tot op de dag van vandaag, "heb ik nooit leren kennen."
Lange tijd interesseerde zich in Duitsland nauwelijks iemand voor de volgeling van Eichmann. Twee bomaanslagen op Brunner, waarschijnlijk gepleegd door de Israëlische geheime dienst, zorgden slechts korte tijd voor opzien. Na midden jaren tachtig kwam hij in de schijnwerpers te staan.
Geen berouw
Duitse verslaggevers van het weekblad Bunte hadden Brunner opgespoord, hun foto's toonden een nette man. De SS'er zei tegen de Amerikaanse journalist Charles Ashman dat hij nergens berouw van had en als hij zijn leven moest overdoen precies hetzelfde zou handelen. "Alle Joden verdienen de dood, want zij zijn vertegenwoordigers van de duivel en menselijk afval", zei Brunner letterlijk.
In die dagen overhandigde de West-Duitse regering het uitleveringsverzoek waar Joschka Fischer de Syriërs onlangs aan herinnerde. Zelfs het DDR-regime bekommerde zich plotseling om de affaire. De Franse advocaat Serge Klarsfeld, wiens vader Arno in 1943 door toedoen van Brunner was omgebracht, deed Erich Honecker een voorstel. Brunner moest, met toestemming van de Syriërs, in Damascus op een toestel van de Oost-Duitse luchtvaartmaatschappij Airflug worden gezet en naar de DDR worden gebracht. Stasi-minister Erich Mielke zou bevel geven Brunner te arresteren. Maar het plan van Klarsfeld en zijn vrouw Beate liep spaak. Zelfs op grond van de goede betrekkingen met de DDR leverde Syrië Brunner niet uit.
De Syrische regering bestreed zelfs in het openbaar dat de straat bestond waarin Brunner woonde. De Syriërs wilden Brunner niet laten vallen, ook al was hij hen eerder tot een last geworden. Damascus hoopte wel dat Brunner snel zou sterven, zodat het probleem zich vanzelf zou oplossen.
De berichten die sindsdien Duitsland bereikten, zijn vaag. Begin 1993 meldde de Duitse ambassade in Damascus dat het gerucht de ronde deed dat Brunner was overleden. "We gaan op zoek naar bevestiging van het bericht."
Mei 1995 vertelde de toenmalige FDP-minister van Justitie Sabine Leutheusser-Schnarrenberger dat haar de informatie had bereikt dat Brunner niet meer in Syrië was, "maar in een ander land verblijft." Dat werd twee jaar later tegengesproken door een informant van de Duitse federale recherche. Die beweerde dat Brunner nog altijd in Syrië leefde. De binnenlandse veiligheidsdienst (BfV) ontkende dat bijna tegelijkertijd. Die meldde dat Brunner in 1992 was gestorven.
Getuigen
De Franse onderzoeksrechter Stephan, die nu ten stelligste beweert dat Brunner nog in Syrië is, baseert zich vooral op uitspraken van getuigen. Politieonderzoek in Syrië is immers onmogelijk. Eén getuige gaf, heel verbazingwekkend, bijzonder bereidwillig informatie: Wehrmacht-generaal-majoor Otto Ernst Remer.
Oud-officier Remer, die in juli 1944 de opstand tegen Adolf Hitler de kop indrukte en later de held werd van de neonazi's, had samen met Brunner in Damascus de "Orient Trading Company" opgezet. Officieel gold "Otraco" als handelsfirma, in werkelijkheid smokkelden de oud-nazi's wapens.
Remer bevestigde tegenover de Franse onderzoeksrechter dat Brunner onder de schuilnaam Fischer was opgetreden. Na de tweede aanslag op Brunner in 1980 had Remer hem in het ziekenhuis in Damascus opgezocht, waar hij door Syrische politieagenten werd bewaakt.
Kort voor zijn dood in 1997 werd Remer nog een keer gehoord. "Als Brunner was gestorven, had ik via mijn Syrische en Duitse contacten daar zeker van gehoord." Welke bronnen hij bedoelde, verzweeg Remer. Voor de Franse onderzoeker was duidelijk dat er nog altijd een goed functionerend net van oud-nazi's bestaat.
De onverbeterlijke rechtsextremist Remer had na een veroordeling wegens aanzetten tot rassenhaat naar Spanje de benen genomen. Daar sloot hij zich aan bij de intussen opgeheven neonazi-organisatie "Cedade". Tot de leden van Cedade behoorde ook de Oostenrijker Gerd Hosnik, uitgever van het antisemitische propagandablad "Halt" en net als Remer voor justitie op de vlucht.
Hosnik kende Brunner sinds een bezoek aan Damascus. Omdat ook Brunners dochter Irene S. steeds vaker naar Spanje reisde, redeneerden Duitse opsporingsambtenaren dat de oude SS'er uit Damascus was vertrokken en bij vrienden in Spanje was ondergedoken. Zijn dochter werd daarom geobserveerd, maar zonder resultaat.
Ook het afluisteren van haar telefoon leverde niets op. Van 25 maart tot 24 april werd dit jaar de telefoon afgeluisterd. Op 8 april was Brunner jarig. "Onze hoop was", aldus een agent, "dat de dochter haar vader zou feliciteren."
De speurders constateerden niets bijzonders, op twee gesprekken na. Eén keer bood een journalist Brunners dochter 400.000 mark aan als zij hem in contact met haar vader zou brengen. Het andere gesprek voerde ze met haar neef. Ze vroeg om raad, omdat ze vermoedde dat haar telefoon vanwege haar vader werd afgeluisterd. "Maar ik weet toch niet waar hij is", zei ze letterlijk. Brunners neef is politieagent in Wenen. Hij werd opgepakt en verhoord. "Met mijn oom heb ik nooit contact gehad", zei hij.
De Duitse agenten lijken op een dood spoor te zijn beland. Justitie in Frankrijk laat zich echter niet van de wijs brengen. Onderzoeksrechter Stephan is er zeker van "dat Brunner ook bij verstek wegens moord levenslang zal krijgen."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 16 oktober 1999
Reformatorisch Dagblad | 48 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 16 oktober 1999
Reformatorisch Dagblad | 48 Pagina's