Akerboom promoveert op knechtelijke wil
Dispuut Luther/Erasmus historisch bekeken
AMSTERDAM - „Het probleem van de vraag naar de vrije wil of de knechtelijke wil en het vraagstuk der genade is onoplosbaar. Maar heeft u niet te gemakkelijk de filosofische hermeneutiek van H. G. Gadamer over Luther en Erasmus heengelegd om zodoende tot uw conclusies te komen?” Dat vroeg prof. dr. S. Voolstra gisteren aan drs. Th. H. M. Akerboom. Deze verdedigde met goed wetenschappelijk gevolg in de aula van de Universiteit van Amsterdam (UvA) aan het Spui zijn dissertatie.
Drs. Akerboom is docent aan de Katholieke Universiteit Tilburg. Zijn echtgenote is luthers en als zodanig ook lid van het moderamen van de synode. Hij promoveerde bij de lutherse hoogleraar J. P. Boendermaker op een „theologie-historisch onderzoek naar het dispuut tussen Erasmus en Luther over de (on)vrijheid van het menselijk willen”.
Akerbooms conclusie was vervat in dè tweede bijgevoegde stelling: „Erasmus en Luther staan ten aanzien van de (on)vrijheid van het menselijk willen veel dichter bij elkaar dan vaak wordt beweerd”.
Tijdens de verdediging van zijn proefschrift legde de promovendus nadruk op zijn intentie. Vanuit een „oecumenisch vertrekpunt” maakte hij een zoektocht naar wat Luther en Erasmus bezighield, om daarbij als theoloog te speuren naar wat hen verbond en niet naar wat hen scheidde.
Verschoven
Akerboom wil in termen en begrippen die de hedendaagse mens begrijpt duidelijk maken wat Luther en Erasmus bewoog.
Prof. N. T. Bakker, kerkelijk hoogleraar aan de UvA vanwege de Hervormde Kerk, noemde de dissertatie een indrukwekkende bijdrage aan het Lutheronderzoek en het gesprek tussen Rome en de Reformatie. Hij vroeg door naar de status van de door hemzelf aangehangen historisch-kritische methode van bijbelonderzoek en hoe deze methode dan toch nog dienstbaar kan zijn „als voor de daden Gods geen grond in de werkelijkheid gevonden kan worden, zoals bijvoorbeeld schepping en opstanding”.
De rooms-katholieke promovendus merkte op dat „geloven pas echt geloven is als er geen historische feiten aan ten grondslag liggen”.
Akerboom betoogt in zijn dissertatie dat Erasmus zich tegen het knechtschap van de wil keerde, omdat hij daarin een vernietiging van de morele verantwoordelijkheid zag. „Erasmus gaat er van uit dat de relatie van de mens tot God daarin haar uitdrukking vindt dat de mens er naar streeft Gods wil te, doen. Omdat de mens zondig is, kan hij dat niet uit eigen kracht”, hetgeen niet verhindert dat de mens door zijn werken de wet moet vervullen en gerechtigheid moet beoefenen.
De promovendus stelde dat Luther de wil niet ziet als een neutrale kracht. Verder verschilden beiden daarin dat Luther de kerk wilde hervormen en Erasmus alleen de vroomheid wilde herstellen.
Op de vraag van prof. drs. B. P. M. Hemelsoet of Luther geen andere God nodig had dan de God der Schriften, zei Akerboom dat hij persoonlijk kritisch staat tegenover de opmerking van Luther dat God groter is dan Zijn Woord. Luther kon het werk van Karl Barth uiteraard niet lezen, maar daar staat het goede antwoord in, zo meende Akerboom.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 september 1995
Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 september 1995
Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's