Vraag naar eigene van catechese in Nadere Reformatie blijft bestaan
Gedurfde studie getuigt van indrukwekkend bronnenonderzoek (II)
"De catechese van de Reformatie en de Nadere Reformatie". Dat is het onderwerp van de dissertatie waarop de hervormde dr. W. Verboom uit Hierden vorig jaar promoveerde. Een eerste artiltel over dit proefschrift werd een week geleden gepubliceerd. Daarin werd een beschrijving gegeven van de inhoud en ook werd aandacht besteed aan de wijze waarop dr. Verboom de catechese van de Nadere Reformatie heeft geanalyseerd. Vandaag het slot van de bespreking.
Wie, zoals Verboom, zijn onderzoek laat bestaan uit enerzijds een historische beschrijving en anderzijds een analyse, moet er wel voor zorgen dat de stof in het ene deel niet anders is dan in het andere deel. De auteur houdt zich niet aan deze regel. En wat erger is: nergens maakt hij duidelijk hoe hij de verhouding Nederlandse Gereformeerde Kerk en Nadere Reformatie ziet. Een omschrijving van de laatstgenoemde beweging wordt dan ook des te noder gemist.
In het onderzoek wreekt zich dit alles. Zo worden R. Acronius en A. Trommius als vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie opgevoerd, terwijl zij in werkelijkheid algemeen-gereformeerd waren.
Afgezien van de reeds gereleveerde problematiek van de achttiende-eeuwse Nadere Reformatie zal een nauwkeurig onderzoek uitwijzen dat, zeker voor wat de achttiende eeuw betreft, wel meer door Verboom bestudeerde werkjes in algemene zin gereformeerd zijn. Wanneer hij concludeert dat de kindercatechese van de Nadere Reformatie een niet-ambtelijk gebonden karakter heeft, zegt dit weinig over de genoemde beweging op zichzelf, maar wel veel over de gereformeerden in het algemeen. Zo zou er nog veel meer te noemen zijn.
Vragen
Wanneer Verboom voor een onderzoeksmethode kiest waarbij de typische kenmerken van de Nadere Reformatie in de loop van het onderzoek zelf naar voren moeten komen, dan vraag ik mij wel af of dit de toets van enigerlei wetenschapsbeoefening kan doorstaan. Een zin in dit verband als: „Het zal dan blijken dat er ook boekjes zijn die niet als bronmateriaal voor de gedachtenwereld van de Nadere Reformatie fungeren", roept vele vragen op.
Wat is het criterium geweest om een leerboekje bij het onderzoek te betrekken? Wat is de garantie dat Verbooms keus representatief is? De aangehaalde zin kan tevens zo gelezen worden dat er toen ook catechisatieboekjes in omloop waren die vreemd waren aan de gedachtenwereld van de Nadere Reformatie.
In dit geval zou de catechese van het Nederlandse gereformeerde protestantisme grotendeels voor de Nadere Reformatie worden geclaimd. Deze opvatting zou dan tevens de incongruentie tussen het tweede en het vierde hoofdstuk voor een groot gedeelte opheffen. Deze visie is echter absurd. Verboom stuurt de lezer hier echt het bos in.
Andere problemen
Behalve de reeds genoemde zijn er nog meer problemen op methodisch vlak. Zelf onderkent de auteur het gevaar om aan praktisch-opbouwende formuleringen al te direct wetenschappelijk verantwoorde conclusies te verbinden. De wijze waarop hij echter soms citaten interpreteert, doet vermoeden dat hij zelf toch niet aan dat gevaar is ontkomen.
Een ander probleem is de isolatie van de stof bij de analyse en de evaluatie, en wel naar twee kanten: extern en intern. Externe isolatie wil in dit geval zeggen dat er geen verbanden worden gelegd met de veelheid van dogmatische, kerkelijke, filosofische, culturele en maatschappelijke ontwikkelingen. Wat de auteur doet, is bijna drie eeuwen catechisatie tijdloos tegen elkaar afzetten. Alsof er in al die tijd geen ingrijpende wisselingen hebben plaatsgevonden die de door hem geschetste veranderingen geheel of gedeeltelijk hebben veroorzaakt. Met interne isolatie bedoel ik dat de schrijver voorbijgaat aan de vraag of de doorhem gekozen uitingen van een bepaalde auteur representatief zijn voor het geheel van diens opvattingen. Ter illustratie: tegenover het door Verboom gebezigde citaat van W. Teellinck betreffende het Avondmaal kan met evenveel recht een passage met precies omgekeerde strekking worden gesteld.
En voor wat de zestiende eeuw aangaat, denk ik dat het aan te tonen is dat de betrokkenheid tussen de zichtbare gemeente en de uitverkiezing onder meer spanning staat dan Verboom waar wil hebben. Kortom, er is in het algemeen en zeker in de Nadere Reformatie veel meer variëteit dan uit deze studie blijkt.
Preoccupatie
In het laatste hoofdstuk geeft de schrijver een evaluatie van het geheel. Althans, dat zou behoren. Maar aanbeland bij de catechese van de Nadere Reformatie evalueert Verboom uitsluitend de gegevens die op de tweede fase van deze beweging betrekliing hebben. Hij rechtvaardigt dit procédé met de opmerking dat in die periode de verschuivingen het scherpst zijn waar te nemen. Ten diepste gaat het hem derhalve niet om een zo grondig en fair mogelijke weergave en waardebepaling van de geschiedenis der catechese, maar om een bevestiging van bepaalde door hem vermoede verschuivingen. Deze laatste houden hem zo bezig dat de eerste periode van de Nadere Reformatie bij de evaluatie in het niet verdwijnt. De vraagt dringt zich op of deze preoccupatie niet de achtergrond vormt van de genoemde en nog te vermelden problemen waarvoor deze studie de lezer in wetenschappelijk opzicht stelt.
Lacunes
De grote dogmageschiedkundige vraag die na de lezing van deze studie overblijft, is: Hebben de door Verboom gesignaleerde verschuivingen zich niet veel éérder voorgedaan? Met alle stelligheid beantwoord ik deze vraag positief. Ter onderbouwing van mijn inzicht wijs ik selectief op: Heidelbergse Catechismus, Beza, orthodoxie en puritanisme.
De schrijver geeft zelf wel aan dat de Heidelbergse Catechismus niet goed past in zijn schema, maar weigert mijns inziens de consequentie hiervan te trekken. Als het gezaghebbende catechetische leerboek heeft deze catechismus vanaf 1566 de Nederlandse gereformeerde gedachtenwereld gepenetreerd met een gedesintegreerde opvatting over kennis.
Melanchton
Behalve de Heidelbergse Catechismus past volgens de auteur Melanchthon niet in zijn schema. Dit zal waar zijn. Maar waarom noemt hij Beza niet, die een soortgelijke positie als Melanchthon in het calvinisme inneemt? Het onderzoek van de laatste tijd wijst steeds meer uit dat Beza invloedrijker in de Nederianden is geweest dan Calvijn, en wel naar twee kanten: enerzijds in zijn vooropstellen van de predestinatie en anderzijds in zijn piëtisme als pendant van het eerste. Is dit niet de achttiende in de zestiende eeuw?
De orthodoxie is Beza in diens predestinatieleer gevolgd. Bovendien tierde op de orthodoxe grond de scholastiek met haar desintegrerende effecten welig. De orthodoxie begint toch niet eerst in het midden van de zeventiende eeuw? Het piëtistische puritanisme stamt uit de zestiende eeuw en kent als karakteristiek mechanisme de toeëigening. Waarom het hierbij gaat, is dat de kennis, het geloof, de belofte enz. op zich algemeen zijn en via de toeëigening persoonlijk worden gemaakt. Dat W. Teellinck in zijn "Huys-boecxken" op de verklaring de toeëigening laat volgen, is bij voorbeeld een uiting van puriteinse invloed. Overigens zijn veel van de door Verboom in de tweede fase van de Nadere Reformatie gesitueerde verschijnselen in het puritanisme van meet af aanwezig.
Steekproef
Is de tot nu toe geleverde kritiek terecht of is zij overdreven ? Om het antwoord hierop op het spoor te komen wil ik een steekproef nemen. Aangezien ik zelf het beste thuis ben in het eerste kwart van de zeventiende eeuw, beperk ik de steekproef tot dit tijdvak. De uit deze periode stammende bronnen die Verboom voor zijn schildering van de catechese van de Nadere Reformatie gebruikt, zijn de catechetische werken van: F. Hommius (1602), H. Faukelius (1608), P. Lansbergius (1616), W. Teellinck (1618 en 1621) en G. de Bouma (1621).
In de literatuur over de Nadere Reformatie wordt van deze vijf auteurs slechts één figuur tot de genoemde beweging gerekend: Teellinck. Voeg hierbij het gegeven dat veel van de door Verboom in de tweede fase van de Nadere Reformatie gesitueerde zaken behoorlijk tot zelfs sterk bij Teellinck voorkomen, en de vragen zijn gewettigd of Verboom niet de algemeen-gereformeerde catechese beschrijft en of er wel van sterke verschuivingen binnen de Nadere Reformatie mag worden gesproken.
Ter completering wil ik nu Verboom wijzen op niet minder dan vijf andere catechetische boekjes uit de genoemde periode, die alle —gezien de vertalers— wel tot de Nadere Reformatie kunnen worden gerekend: W. Perkins, "De Catechismus ofte Somma van de gheheele Christelijcke Religie in ses Fondamenten", 1609; T. Beza, "Dekleene Catechismus", 1612; J. Dod, "Een klare ende Duydelijcke uytiegginghe over de tien gheboden des Heeren. Midtsgaders. Een corte Catechismus", 1617; N. Byfield, "Een formvlier der ghezonde woorden", 1619; P. Baynes, "Een hvlpe Tot ware salicheyt", 1622.
In dit bestek kan ik niet uitvoerig op de inhoud van deze vertalingen ingaan, maar wel wil ik erop wijzen dat hierin diverse zaken staan die niet in het door Verboom geconstrueerde schema passen. Ondanks de verwoorde bezwaren tegen het vierde hoofdstuk acht ik het nuttig dat hedendaagse catecheten kennis nemen van het tweede, analytische deel van dit werk. De vragen die Verboom op zijn historische stof loslaat, zijn interessant en veelomvattend genoeg om als het ware als een spiegel te fungeren vooralle ambtsdragers die met de catechese zijn belast.
In hoeverre zijn de door Verboom gesignaleerde ontwikkelingen in de catechese van de huidige gereformeerde gezindte aanwezig? Is hier een goed zicht op het verbond? Zijn de beleving en de bevinding wel of niet geïsoleerd ? Wil men belijdenis van het geloof of stelt men zich tevreden met belijdenis van de leer? Wat is er over van de historische band tussen catechese en avondmaal? Dit zijn vragen aan de hand waarvan iedere catecheet kan komen tot een wezenlijke bezinning op het uitgangspunt, de doelstelling, de methode, enz. van zijn eigen catechese. Zo'n doordenking is wenselijker dan gedacht.
Monstrum
Verboom gebruikt de uitdrukking "pneumatologische synchronisatie". Met dit monstrum van een term —Gods Geest wordt verbonden met de menselijke techniek!— geeft Verboom aan wat zijns inziens de reformatorische visie op de catechese is. Het feit dat in de catechese van de hervormers de leraar vraagt en het kind antwoordt, wordt door hem theologisch zeer zwaar geladen. Door het lezen en het repeteren van de antwoorden maakt het kind zich namelijk de schatten van de Schrift eigen: pneumatologische synchronisatie.
Bij deze interpretatie zet ik een groot vraagteken. Legt Verboom op deze wijze niet veel meer in stichtelijke formuleringen dan de samenstellers hiervan voor ogen hadden ? Wreekt zich hier tevens niet Verbooms isolatiemethode? Persoonlijk vind ik het onjuist om een historische studie op te tuigen met waardeoordelen. Nu Verboom dit doet en laat blijken dat hij zich vindt in de gewraakte term, moet hij het mij maar niet kwalijk nemen dat ik tegen de daarachter liggende gedachtenwereld stelling neem.
Weliswaar maakt hij een enkele keer duidelijk dat hij met deze term geen verbondsautomatisme bedoelt, maar in feite benaderen zijn uiteenzettingen dit toch dicht. Is er niet de gruwelijke werkelijkheid van het uit- en inwendig verbond? In ieder geval zijn er toch tweeërlei kinderen des verbonds? En hoe zit het met de bijbelse notie van de brede en de smalle weg? Of geldt deze realiteit niet voor gedoopte kinderen?
Beoordeling
In zijn voornemen een standaardwerk over het onderhavige onderwerp te schrijven is Verboom wat zijn historisch overzicht betreft redelijk geslaagd. Dit zelfde kan van de analyse van de reformatorische catechese worden gezegd. Ondanks de genoemde gebreken is deze studie de beste die er in het Nederlandse taalgebied over deze materie is verschenen.
In het vierde hoofdstuk zakt het niveau echter beduidend. Veel van wat Verboom als nader-reformatorisch beschrijft, is algemeen-gereformeerd van aard. De vraag is na deze studie nog steeds: Wat is het eigene van de catechese der Nadere Reformatie? Het kan duidelijk zijn dat ik -met inachtneming van het aan het begin van dit artikel geschrevene- de gesignaleerde ontwikkelingen niet bestrijd. Integendeel, ik situeer ze eerder. Dit houdt dan wel in dat de afstand Reformatie — Nadere Reformatie korter is dan Verboom suggereert.
Ontwikkeling
In samenhang hiermee wil ik niet van verschuivingen -te negarief geladen-, maar van ontwikkelingen spreken. Deze studie geeft een praktizerend catecheet veel stof om zich grondig op zijn eigen catechese te bezihnen. Theologisch verwerp ik de door de schrijver geïntroduceerde term pneumatologische synchronisatie en de verbondsbaschouwing die hierachter zit, als zijnde veel te eenzijdig en levensgevaarlijk. Wie dit werk aanschaft en met de nodige voorzichtigheid op de genoemde punten leest, zal er geen spijt van hebben. Er staat een massa informatie in. Over de uitvoering van het boek niets dan lof. Het maakt een voortreffelijk verzorgde indruk. N.a.v.: "De catechese van de Reformatie en de Nadere Reformatie", door dr. W. Verboom; Uitgeverij Buijten & Schipperheijn, Amsterdam, 1986; 380 pag., prijs 59,50 gulden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 maart 1987
Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 maart 1987
Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's