De rups met de slangekop
Een donker voorwerp op een plantestengel doet mij van de fiets afstappen voor een nader onderzoek. Het blijkt iets heel gewoons, maar toch, als ik m'n vrouw of dochter bij me zou hebben, zou er nu een verschrikte kreet klinken:„Hu.... wat een engerd..."! Het is een rups, maar wat voor een; hij is niet veel kleiner dan mijn ringvinger en vrijwel net zo dik...
Dit is nou echt een rups om van te griezelen ais je hem voor het eerst ziet. ; En het dier helpt ijverig mee om zijn vermeende vijand af te schrikken. Hij heeft zijn spitse, snuitachtige kop ingetrokken en omhooggericht. Nu staren een paar grijnzende ogen mij aan. Zo lijkt deze dikke rups echt op een kleine slang.
Olifantsrups
Op de naar mij gerichte snuit zitten twee zwarte vlekken met geelachtige banden erin; ze lijken precies op neusgaten. Vijf millimeter achter de voorste oogvlekken zitten nog twee van die dreigende ogen. Nijdig maakt de dikkerd spartelbewegingen met zijn kop. Zo'n diertje pak je niet direct aan, hoewel hij geen kwaad kan doen. Hij is zelfs erg kwetsbaar en heeft slechts door uiterlijk en manieren middelen om vogels en andere dieren, die in hem een smakelijk hap zien, af te schrikken. Zonder enige twijfel maakt hij kleine vogels bang, maar die kunnen zo'n enorme hap toch niet aan.
Ik heb de suggestie van Thijsse opgevolgd en een rups bij een snee brood voor de mussen gelegd. Of ze ervan schrokken... zolang de rups er lag kwamen ze niet meer bij het brood. Ze bleven op afstand in de coniferen toekijken en druk tekeer gaan tegen elkaar. De schrik van vogels is wel verklaarbaar voor wie de rups kent. Hij heeft een toepasselijke naam: olifantsrups. In de schrikhouding zou je hem slangerups kunnen noemen.
Avondrood
Ik heb voor dit verhaal vier van die dikzakken te gast, die zich tegoed doen aan blad van het smalbladige wilgeroosje, waarop ik ze ook aantrof. Aan deze plant en aan de andere soort, het harige wilgeroosje van slootkant en moeras, geven de rupsen de voorkeur. Hoewel voorkeur... de rups heeft niet veel in te brengen. In mei van dit jaar heeft een nachtvlinder zijn eitjes bewust op die plant afgezet in bijzondere zorg voor zijn nakomelingen.
Voor zichzelf, om honing te snoepen, zoekt deze vlinder de bloemen van petunia's, zeepkruid, slangekruid en wilde orchideetjes. Als hij eitjes moet gaan leggen zoekt hij zonder vergissen de speciale plant voor de rupsen. Mijn viertal vond ik midden in het bos, op een plaats waar voor de vlinder in elk geval geen honing te vinden was. Hij heeft dus een hele tocht gemaakt om voor zijn nakomelingen geschikte planten te vinden.
De naam van die vlinder is avondrood en hij wordt ook wel olifantsvlinder genoemd. Die naam is afgeleid van de rups, maar niet erg passend, want hij slaat nergens op, zoals bij de rups wel het geval is. De avondroodvlinder is een prachtig dier, een van onze mooiste nachtvlinders. Hij heeft inderdaad de kleur van het avondrood. Dit verhaal gaat echter over de rupsen die nog juist van de wilgeroosjes kunnen eten voor ze zich gaan verpoppen. Ze zijn na de meimaand snel gegroeid, en moesten herhaaldelijk vervellen. Nu, eind september, zijn ze uitgegroeid tot nogal griezelige dikke olifantsrupsen die, als het weer mei wordt, tot tere, wonderschone nachtvlinders zullen zijn gemetamorfoseerd.
Olifantssnuit
U hebt al ongeveer een beeld van de rups en de foto's helpen erbij. De hoofdkleur is grijzigbruin, omberkleur noemt men dat meen ik. Het hele lichaam is getekend met een fijn zwartbruin netwerk. Vooraan bij de snuit heeft hij geelachtige vlekken, tot om het eerste „oog" heen. Aan het achterlijf zit een krom horentje, zoals de meeste pijlstaartrupsen bezitten. Men veronderstelt dat die haak geen functie heeft. Over het slangekopje schreef ik al, maar dat zien we alleen als de rups wordt gestoord en de afweerhouding aanneemt.
Een van de rupsen bij mij kruipt over een wilgeroosjestengel tot aan het eind. Eigenlijk nog verder, want hij houdt zich vast met de dikke knijppoten van het achterlijf. Met zijn langgerekte olifantssnuit slingert hij naar alle kanten, op zoek naar verder houvast. Zo valt die lange spits toelopende snuit goed op en maakt de naam van de rups duidelijk. Een miniatuur olifantssnuitje.
In deze houding zie ik de zes minuscule pootjes die aan dat snuitdeel zijn bevestigd. Die stellen nauwelijks iets voor, maar het zijn wel de echte poten van de rups. Zijn imago, de avondroodvlinder van aanstaande mei, zal ook zes poten hebben zoals het een insekt betaamt. De rups heeft er echter meer. Hij bezit ook nog vijf paar zogenaamde valse poten of buikpoten, die overigens veel meer functioneel zijn. Met zo'n langgerekt lichaam moet je ook over meer onderdanen beschikken. Het laatste paar van die valse poten zit helemaal achteraan en daarmee knijpt de rups zich stevig vast, zodat het moeite kost hem los te krijgen.
Verwarring
Over de Latijnse naam van de avondroodvlinder en zijn rups is blijkbaar nogal wat verwarring geweest. Negentig jaar geleden schreef Jac. P. Thijsse heel mooi over deze rups in „Door het rietland".
Hij gaf hem toen de naam Sphinx elpenor. In zijn Verkade-album „De Bloemen en haar vrienden" noemt hij hem Chaerocampa elpenor. In de nieuwe boeken heet de olifantsvlinder en de olifantsrups Deiléphila elpenor. Hoe dat precies met al dat Latijn zit weet ik niet; wel vind ik die oude naam Sphinx elpenor mooi en passend. Als de olifantsrups de afweerhouding aanneemt, met zijn tot een ronde slangekop samengetrokken slurfsnuit omhoog gericht, heeft hij de houding zoals we die kennen van de Egyptische sphinx voor de piramide, met het half opgerichte lichaam in het niets starend. Zo onbeweeglijk opgericht blijft ook de olifantsrups lange tijd in de schrikhouding. Bij mij binnen soms wel een kwartier.
Van deze rups is voor mij nog iets onduidelijk. Thijsse schreef: „Ziet u nu aan weerskanten van zijn lijf die lichte puntjes, in elke geleding twee? Dat zijn de luchtopeningen: als hij plotseling ineen krimpt, wordt de lucht met kracht eruit gedreven, dat geeft het gesis, dat u zoeven gehoord hebt". Ik heb die vier rupsen nu al enkele dagen op wilgeroosjeblad in mijn werkkamer maar van dat sissen heb ik tot nu toe niets gehoord. Een tweede verdedigingstactiek noemt Thijsse het zich laten vallen wat ze bij mij ook maar zelden doen. De spartelbewegingen die veel rupsen maken zijn voor deze dikzak wel effectief. Je laat van plotselinge maar onnodige schrik het dier echt wel vallen, vooral wanneer je nog niet aan hem gewend bent.
Ik verwacht dat het viertal zich binnenkort zal gaan verpoppen. Daarvoor maken ze eerst een vrij groot spinsel van allerlei materiaal dat ze op de grond vinden. Daarin veranderen ze zich in een grote pop die van een hoorn is voorzien. Dan zal ik die verpopte olifantsrupsen in de ruige hoek van mijn tuin een plaatsje geven onder dor blad en op een plek die ik te zijner tijd terug kan vinden. Dan ben ik ervan verzekerd dat de sluimerende pop onder de beste natuurlijke omstandigheden overwintert. Bij leven en welzijn kan ik er hopelijk weer over schrijven, als dat wonderlijke proces van de gedaanteverandering voltooid is en in het nieuwe voorjaar de avondroodvlinder tevoorschijn komt. Wat voor mij nog altijd het grootste scheppingswonder in de insektenwereld is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 september 1984
Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 september 1984
Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's