In Hagestein wordt hard gewerkt aan de eerste Nederlandse waterkrachtcentrale
De liftdeuren gaan open. Het resultaat is een spaarzamelijk verlichte, onderaardse gang. Hier en daar neemt een Philipsprodukt wat van de duistere troosteloosheid weg. Het is er allemaal van beton, de vloer, de wand en de bovenzijde. „Die bovenzijde bestaat uit een laagje beton van zo'n veertig centimeter", zo wordt me bemoedigend meegedeeld. Daarboven rust een dikke twee meter van de zwaarste klei, daar weer boven een mengeling van wilgetenen en griendhout. Dan, inmiddels een meter of vier boven mij, de bodem van de Lek. Het riool van Europa bevat op dit moment bijna vijf meter water. En onder dat alles een redacteur. Op bezoek bij het stuw- en sluisproject in Hagestein.
Stuwmeester Van Hees vertelt het waarom van dit bouwwerk: „Het natuurlijk verloop van de rivier was in droge tijden, dus bij lage waterstand, onvoldoende om de binnenvaart constante en goede vaarwegen te kunnen bieden. Dat is de uiteindelijke reden dat er drie stuwen werden aangelegd. De eerste ligt hier in Hagestein (1958). de tweede in Amerongen en de laatste kreeg zijn plaats in Driel. Met behulp van deze drie stuwen is het mogelijk om alle rivieren en kanalen die boven de lijn Arnhem-Amsterdam liggen, van voldoende water te voorzien. Naast dit voordeel voor de scheepvaart bieden de stuwen ook grote mogelijkheden voor de drinkwatervoorziening. Want wij pompen in Nederland nu eenmaal meer water uit de grond dan dat er van nature inregent. Voor dat laatste doel regelen wij bijvoorbeeld de hoeveelheid water die van Jutphaas naar de drinkwatervelden van Castricum stroomt."
Witte energie
Belangrijk dus, die stuwen. Een derde aspect maakt het belang van deze grote, witte en ongewoon gevormde bouwsels nog groter. Er wordt hard gewerkt om de jaren geleden afgedankte waterkrachtcentrale weer nieuw leven in te blazen. Stroom uit waterkracht dus, ofwel. Witte Energie.
De stuw in Hagestein en energie, aan die combinatie dachten de bouwmeesters van de jaren vijftig reeds. Zij bouwden in de middenpijler van de stuw een turbine die in staat was om per jaar zes miljoen KWh op te wekken. Toen was dat nog voldoende om een stad als Arnhem te voorzien van straat- en huisverlichting. Die middenpijler werd voor dat doel groter gemaakt om ruimte voor de turbine te krijgen. De toren werd daarmee 14 meter breed en 68 meter lang. Deze mini-centrale was in gebruik van 1961 tot 1974. Toen werd hij weer gesloten wegens technische problemen. De besturing van de mechaniek functioneerde niet meer en vernieuwing werd te kostbaar geacht. Het was in de periode waarin er ook net allerlei bezuinigingen een grote rol speelden. Bovendien was de interesse voor de centrale sterk verminderd doordat men meende dat de aardgasbel in Slochteren nooit op kon. Alle ogen waren gericht op aardgas. De centrale werd daardoor onrendabel en op non-actief gesteld.
Totdat Slochteren toch niet zo onuitputtelijk bleek. De bel raakte leeg, de energieprijzen rezen de pan uit. Aller ogen gingen toen weer naar de minicentrale in Hagestein. Rijkswaterstaat ontwikkelde een plan. Met de vernieuwing van de turbine in Hagestein is een bedrag gemoeid van 2,5 miljoen gulden. Op 5 juli jl. werd een begin gemaakt met de reparatie van deze enige waterkrachtcentrale in Nederland. Het uittakelen van de dertig ton zware generator betekende het startsein. De beheerder van de centrale, het Utrechtse energiebedrijf Pegus gunde de order, ondanks vele protesten, aan het Duitse bedrijf Startstrom Anlagen Gesellschaft. „Nederlandse bedrijven waren te duur, dat zou de rentabiliteit van het project in gevaar brengen", zo verklaarde een woordvoerder van Pegus.
Hevelturbine
De turbine waar het allemaal om gaat is een zogenoemde hevelturbine, afgeleid van Zwitserse waterkrachtcentrales. Ais de centrale werkt wordt het water via een vacuümruimte naar boven gezogen en loopt het via een aantal kleppen langs de verticaal staande schroef. Die schroef staat in verbinding met een dynamo. Daarna stroomt het water via een buis weer terug in de rivier. Wanneer er voldoende verval in een rivier zit, is dat een ideale mogelijkheid om op deze wijze stroom op te wekken. De waterkrachtcentrale in Hagestein werkt op het verval van de rivier vóór en na de stuw. Als er niveauverschil bestaat maakt het vallende water de turbine tot stroomopwekker.
Van Hees: „De turbine kan bij 1.15 meter waterverschil gestart worden, als het waterverschil 93 centimeter is, heeft hij geen vermogen meer, dan valt hij stil. De capaciteit ervan is 2590 pk en kan daarbij 1,8 Megawatt per uur leveren. Het ligt in de bedoeling dat de waterkrachtcentrale eind 1984, misschien begin 1985 weer stroom zal gaan leveren".
Visitekaartje
Veelzijdigheid, dat is het visitekaartje van het complex in Hagestein. Het regelen van de waterstand, het zorgen voor voldoende drinkwater, en straks, als alles doorgaat, het opwekken van energie. Het bouwwerk bestaat hoofdzakelijk uit twee delen: een stuw gevormd door twee landhoofden en een middenpijler waartussen zich vizierschuiven bevinden. Daarbij hoort een sluis die als de stuw gesloten is, de doorgang van schepen mogelijk maakt over een verval van zo'n drie meter. De bogen, de vizierschuiven zijn opgehangen tussen vier gigantische, betonnen torens. In gesloten toestand snijden de bogen de Lek als het ware in tweeën. De vier torens zijn voorzien van een soort hoofd. Daaruit komen de kabels die de half cirkelvormige kleppen kunnen laten zakken of stijgen. De vizierschuif is een half cirkelvormige klep die door zijn vorm en manier van heffen herinneringen oproept aan de oogvizierklep van de oude ridderhelm. Die schuiven wegen elk 200 ton. Door middel van zware assen zijn zij in het landhoofd en in de middenpijler gemonteerd. Via de kabels kunnen zij in twee en een half uur worden geheven totdat zij in een hoek van zestig graden omhoog staan. In noodgevallen kan het heffen ook met de hand gebeuren. Bij de hoogst bekende waterstand biedt de geheven schuif nog een vrije doorvaarthoogte van 9.10 meter over een breedte van 38 meter. De totale doorvaartbreedte is 48 meter. Over de schuiven, die negen meter hoog zijn, ligt een looppad dat kan worden gebruikt als de stuw gesloten is. Bij geopende stuwen, of bij heel slecht weer, kan men gebruik maken van de ondergrondse gang die beide oevers met elkaar verbindt.
Vis
Bij de bouw van de stuwen heeft men de vis die in deze rivier zwemt niets in de weg willen leggen. Van Hees: „We hebben hier te maken met veel glasaaltjes, afkomstig uit de buurt rond West-Indië. Die komen bij Hoek van Holland ons land binnen, richting Hagestein. In het ongunstigste geval moeten ze hier over een afstand van 68 meter, vier en een halve meter waterverschil overwinnen. Om ze daar wat bij te helpen hebben ze naast de stuw een goot ingebouwd met een aantal voorzieningen waardoor het aaltje zo weinig mogelijk weerstand ondervindt. Halverwege de goot zijn zelfs een tweetal rustbekkens aangebracht waarin het visje wat op adem kan komen, waarna hij zijn reis vervolgen kan. Na deze Hagesteinse hindernis gaat hij verder richting Amerongen. Uit tellingen is gebleken dat alleen al in de trektijd van mei tot en met juli ongeveer een miljoen glasaaltjes gebruik maakt van de goten. Bij de stuw in Driel is geen aalgoot ingebouwd omdat de glasaal aan weerszijden van de stuw verder kan trekken. In de beide landhoofden is nog een vissluis ingebouwd, waar de schubvis gewoon geschut wordt. Schubvis heeft de neiging om daar te zwemmen waar de rivier het hardste stroomt. Dat is in het midden van de rivier. Daar worden ze naar een schutkolkje gelokt waarin ze omhoog worden geschut. Dit schutten gebeurt volautomatisch. Door glazen wanden kan de vis worden geobserveerd".
Bedieningsgebouw
Aan de noordkant van de stuw ligt het bedieningsgebouw. Van Heest troont ons mee naar boven, naar een grote ruimte, aan alle zijden glas. Hier vandaan wordt de stuw bediend. Aan een indrukwekkende batterij knoppen en achter een hele reeks beeldschermen zit een sluiswachter, aan een tafeltje ernaast een collega, die houdt een of ander logboek bij. Elke handeling wordt daar nauwkeurig bijgehouden. Van hier uit worden de schepen de stuw doorgeloodst. Men staat via microfoons en speakers langs de hele stuw in contact met de schippers. Er staan electronische instrumenten opgesteld die aangeven hoe het verloop van de waterstand is. De stuwmeester kan aan de hand van deze gegevens nagaan welke hoeveelheden water er doorgelaten kunnen worden. Aan Rijkswaterstaat worden de waterstanden doorgegeven en aan het Centraal Bureau voor de Statistiek hoeveel schepen er worden geschut. De totale personeelsbezetting bestaat uit 1 stuwmeester, 5 sluismeesters en 5 sluiswachters.
Per jaar passeren ongeveer 35.000 schepen het stuw- en sluiscomplex in Hagestein. Daarvan gaat het in 20.000 gevallen om vrachtschepen met een gezamenlijke tonnage van 15 miljoen ton. In de overige gevallen gaat het om plezierschepen. De pleziervaart neemt hier zomers een steeds belangrijkere plaats in aangezien de Rijn en de IJssel een belangrijke verbindingsweg zijn van de Randstad naar bijvoorbeeld Friesland. „Met die plezierjachten maken we nog weleens het één en ander mee", zegt Van Hees. „Veelal worden die bemand door onervaren schippers, die de meeste aandacht van ons vragen".
Het gebruik van de stuwen moet zo nauwkeurig mogelijk geschieden. Dit om het effect van de Rijnkanalisatie zo groot mogelijk te laten zijn. De hoofdzaak daarbij is het beschikbare Rijnwater zo goed mogelijk te verdelen. Deze verdeling geschiedt aan de hand van een programma dat aangeeft welke afvoeren van de IJssel en de Nederrijn moeten worden nagestreefd bij een bepaalde afvoer van de Bovenrijn. Zo'n programma heet een stuwprogramma. De ervaring heeft geleerd dat zo'n programma regelmatig bijgesteld moet worden.
De stuw in Hagestein heeft meer dan veertig miljoen gulden gekost. „Als we nu dezelfde stuw zouden moeten aanleggen, zouden de kosten in de buurt van de 200 miljoen komen te liggen", merkt Van Hees veelbetekenend op. De helft van die veertig miljoen was nodig voor stuw en sluis, de rest werd besteed aan grondaankoop en rivierwerken.
Even wat aardige cijfers: bij de bouw van het Hagesteinse bouwsel werd 23.000 kubieke meter beton gestort voor de sluis, 42.000 kubieke meter voor de stuw, 800 betonpalen gebruikt voor geleidingswerken bij de sluis, 4000 ton wapeningsstaal, 3000 stalen dam wandplaten, vijf miljoen kubieke meter grond verzet, drie miljoen vierkante meter zinkwerk aangelegd en 200.000 ton stort- en zetsteen gebruikt. En het resultaat van al die tonnen, al die moeite en al dat geld is te zien in Hagestein, vanaf de brug bij Vianen heeft u er een fraai beeld van.
Nederland bewees bij dit plaatsje langs de Lek weer eens zijn kunnen als het gaat om waterbouwkundige werken. Japan heeft met veel ontzag toegekeken. „Onlangs, vorig jaar geloof ik, hebben we hier nog een paar maanden Japanse ingenieurs op bezoek gehad. Die hebben het hele project bestudeerd, opgemeten en beschreven. Ze wilden daar in Japan ook iets dergelijks, om een stuk rivier af te sluiten tegen wervelstormen. Ja, die Jappen, ze waren vol ontzag", merkt een trotse Van Hees nog op.
Als men bij het Rijk niet al te lang filosofeert en wanneer de papierwinkel niet al te groot blijkt te zijn, hebben we er binnen twee jaar waarschijnlijk een stroomopwekker bij. Dan staat de eerste Nederlandse waterkrachtcentrale dus midden in de Lek, bij Hagestein.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 september 1983
Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 september 1983
Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's