Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Saksische boer zat op zijn „gemak" in de brandnetels...

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Saksische boer zat op zijn „gemak" in de brandnetels...

Openluchtmuseum Cloppenburg heeft een Saterhuis

8 minuten leestijd

Openluchtmusea: ons land is er (bijna) vol van, al kennen veel landgenoten alleen het bekende Nederlandse Openluchtmuseum in Arnhem, vlak bij Burgers dieren- en safaripark. Maar we hebben er meer, hoewel kleiner en vaak regionaal bepaald. Openluchtmusea zijn ook voor gezinnen met kleinere kinderen ideaal voor een dagtrip. Anders dan bij gewone musea hoeven ze niet stil te staan en uiterst voorzichtig langs bepaalde voorwerpen te schuifelen.De ligging in de vrije natuur is bij goed weer meestal garant voor een dagje kinderplezier, terwijl ze met hun ouders ondertussen nog het een en ander opsteken over wind- en watermolens, oude boerderijen en landbouwgereedschappen, bruggetjes en dorpskerkjes, oude schooltjes of de vervaardiging van klompen en het werk van een hoefsmid.

Ons buurland Duitsland heeft in dit opzicht ook een rijke museumcultuur. Elke deelstaat is haast wel verplicht, dit erfgoed voor het nageslacht bijeen te brengen en op die wijze te laten zien, dat Rijnland-Palts toch echt niet Nedersaksen is en dat SleeswijkHolstein en Beieren, Westfalen en het Zwarte Woud heel verschillende wereldjes zijn.

Keuze genoeg

In een nog riiet complete Duitse museumgids telde ik al meer dan tien van deze „Freilichtmuseums". Je vindt ze van het hoge noorden van Duitsland, in het Holsteinse Husum, tot in het diepe zuiden, waar in het Beierse Amerang het Bauernhausmuseum is te bekijken en in Gutach het „Vogtsbauernhof' met van allerlei uit het Zwarte Woud. In het aan Oost-Nederland grenzende Westfalen kunnen we zelfs twee keer ons hart ophalen: bij Detmold vinden we vooral de boer, zijn leven en werk, uitgestald. In het openluchtmuseum van Hagen valt daarentegen alle nadruk op de techniek en het ambacht, van smidse tot tabaksfabriekje. Al eerder liet ik u in deze krant kennismaken met het „Rheinische Freilichtmuseum" bij Kommern en Mechernich aan de rand van de noordelijke Eifel. Dat bevat ook een groot streekmuseum voor volkskunde.

Naar Nedersaksen

Vandaag wil ik u meenemen naar een ander, wat minder bekend, maar ook heel aantrekkelijk openluchtmuseum in Duitsland, dat van Cloppenburg in Nedersaksen. Dat is niet helemaal naast de deur, maar echt ver is het ook niet: vanaf Apeldoorn per auto via Oldenzaal, Nordhorn en Bundesstrasse 213 richting Bremen mat ik 185 km. Een andere, snellere maar minder aantrekkelijke route is via de autobaan naar Osnabrück en dan richting Bremen.

Cloppenburg ligt nog voor Oldenburg, niet ver van Friesoythe, en ook deze vrij onbekende streek van Duitsland heeft voor vakantiegangers en dagjesmensen heel aardige dingen te bieden. Ik zou er trouwens toch voor pleiten, bij een geplande vakantie in Duitsland ook eens een andere kant op te gaan dan altijd richting Sauerland, Harz, Eifel of zuidelijker streken. Ook Nedersaksen, ook Noord-Westfalen, ook Sleeswijk-Holstein hebben hun mooie kanten, al zijn het niet direct imponerende bergen of enorme zwarte wouden.

Het „Museumdorp Cloppenburg" is weliswaar toegespitst op Nedersaksen, maar tenminste onze Saksers uit Overijssel moeten zich hiermee stamverwant voelen en ook anderen willen wel eens zo'n vakwerkboerenschuur, een aantal molens, een schaapskooi of een dorsschuur en blauwververij van dichtbij bekijken. Cloppenburg ligt in een licht glooiend bosrijk terrein, dus picknicken in elk geval.

Kinderprenten

En bij minder mooi weer is er wel een wisselende of vaste tentoonstelling in het gebouw, waar de museumtocht begint, de grote „Münchhausenschuur". Of de beruchte, leugenachtige, sterke verhalen vertellende baron hier ooit in het hooi sliep, weet ik niet...

Toen ik er een tijdje terug wat rondsjouwde was er, nog tot 25 juni a.s., ook een heel aardige expositie te zien van „Bilderbogen" (eigenlijk kinderprenten, maar ik zou ze liever 19e eeuwse centsprenten noemen) uit Neuruppin. Die tentoonstelling „Neuruppiner Bilderbogen" is georganiseerd door het Museum voor Duitse volkskunde en werd al eerder in West-Berlijn getoond, als onderdeel van de grote Pruisen-expo, die daar vorig jaar is gehouden.

Ik vind die oude prentjes met (of zonder) beknopte tekst en in enkele kleuren uitgevoerd altijd heel vertederend, ook als zulke centsprenten niet bepaald kunstzinnige of grafische meesterwerkjes zijn. Ze waren in zekere zin voorlopers van onze geïllustreerde bladen en kwamen toen al tegemoet aan de behoefte om plaatjes te kijken, die in onze dagen de leescultuur dreigt te overwoekeren.

Dubbele gids

Voor wie naar Cloppenburg wil: het is, in tegenstelling tot „ons" museum in Arnhem, het gehele jaar door geopend, in de zomer zelfs van acht tot zes uur op alle weekdagen, (op feestdagen eerst vanaf tien uur, maar eerder bent u er toch niet). Voor vijf D-mark hebt u een grote museumgids van bijna 200 bladzijden en boordevol zwart-witfoto's en kaarten. Die bestaat uit een eigenlijke museumgids waarin voorlopig vijftig, maar mettertijd zeventig, objecten staan beschreven en afgebeeld.

En bovendien is het boek gewijd aan de „voor- en na-bereiding van het museumbezoek" in een serie instructieve artikelen, zoals de geschiedenis van het Nederduitse hallenhuistype; de molengeschiedenis; de sociale structuur van Nedersaksen; vrije Oostfriezen - boeren en landarbeiders; het boerenbedrijf in de praktijk: dorsen, runderen aanspannen; broodbakken; brandbestrijding op het platteland, de aanleg van siertuinen met getrimde heggen en heesters, boerenmeubelkunst enz.

Met een beschrijving van oude en moderne landbouwwerktuigen en het hanteren daarvan is dit museumboek tamelijk compleet. Het geeft een prima beeld van het dagelijks leven en werken op het Noordduitse platteland dat in allerlei opzichten sterke overeenkomsten vertoonde met onze boerencultuur, zeker van de landbouw.

Kerk en Saterhuis...

Laten we in ijltempo eens langs de voorgeschreven wandelroute lopen. Zelf moet u er wel een paar uurtjes voor uit trekken, te beginnen bij de nieuwe ingang die naast een lieflijke waterpartij ligt, waar banken tot verpozen noden.

In de „Münchhausenschuur" zit de kassa met tentoonstèllingshal. Vandaar gaan we via enkele boerenschuren naar de graanschuur annex wagenloods om bij boerderij (Erbwohnhaus) Haakenhof te belanden, waarbij een brouwhuis,een varkensstal en een kapwindmolen, als dat tenminste de goede Hollandse muldersterm is. Het huis van de molenaar staat bij de dorpskerk met ernaast het kerkhof.

Daarvlakbij vinden we het „Saterhuis" en dan denk ik eerst aan duiveltjes met hoorntjes en bokkepoten, maar die „sater" is hier geen kwade geest; het is een boerenbedoening (hof Deddens) uit het Saterland in de Landkreis Cloppenburg; heel onschuldig derhalve...

Schapekoppen

Schapenstal en school staan eveneens vlak bij elkaar en dat kan nauwelijks toeval zijn. Welke dorpsbovenmeester zal „zijn" kroost niet ooit vergeleken hebben met een stel suffe schapekoppen? Een belediging voor dat dierenras overigens, want dat levert heel wat produktieve zaken zoals wol, huid en vlees, terwijl die scholiertjes hun vriendelijke scheldnaampje wellicht krijgen omdat ze niks produceren.

Voort echter, naar de „Herrensitz" Arkenstede, want niet alleen keuterboertjes kende Cloppenburg maar ook „hereboeren" met een groot landgoed. „Arkenstede" was een adellijk herenhuis met een gracht („Soeste") er omheen en vele eeuwen oud. In de volksmond werd deze grote landhoeve van de familie von Aswede zelfs een „burcht" genoemd. Dat klopte niet helemaal, maar nog altijd is het een groot en indrukwekkend bouwwerk, dat momenteel eveneeijs dienst doet als tentoonstellingsruimte van het museum.

Via een draaibank, een dubbele pachterswoning, een blauwververij, de hoeve Quatmannshof, een „dorstoren", een blekerijtje, een wagenloods, diverse stallen en schuren komen we bij een heiligenhuisje, gebouwd „ter ere van onze Heere Jezus Christus" aan de landweg van Ankum naar Ueffeln in de Landkreis Osnabrück,

Heiligenhuisje

Wellicht werd zo'n kapelletje opgericht voor de (gewaande) zielenrust van de bewoner van de nabijgelegen boerenhofstede. Naar die bewoners Nikolaus en Margarethe Meyer, hangen er heiligenbeelden aan de wand van de St. Nicolaas en St. Margaretha, die als beschermheiligen van het echtpaar golden.

Boven de deur staat op een stutbalk te lezen „Christus heeft Zichzelf vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja tot de dood des kruises". Als de Meyers anno 1734 dit geloofden, waarom moesten dan toch ook nog heiligen een plaatsje krijgen in deze kapel, waarvan het gevelinschrift luidt „Gewijd ter ere van onze Heere Jezus Christus, gebouwd in 1735"

Dorpsherberg

We zetten de tocht per apostelvoeten voort en naderen een schapenstal, een hooischuur, een houtopslagplaats, een kokerwindmolen, een rosmolen en vooral een dorpskroeg, die ook nu nog als restaurant in gebruik is. Ook hier weer wijze spreuken, die echter niet alle van de oorspronkelijke dorpsherberg stammen. Want ik neem niet aan, dat de tekst „Als de Heere dit huis niet bouwt, dan arbeidt hij die het zelf bouwt, tevergeefs, 126 Psalm" deel uitmaakte van een dorpscafé.

Dat klopt, want deze aangebouwde gevel is onderdeel van een vroegere boerenwoning uit 1746. Boven de ingang van de dorpsherberg is wel een andere, passende tekst uit een herberg in Damme (niet het Vlaamse) aangebracht: „Niet allen hebben dezelfde zin / de één gaat voorbij, / de ander komt hierin". Ook wij gaan voorbij en bezoeken dorpssmid en pottenbakkerij, het huis van een dagloner en nog wat grote en kleinere boerenerven en opstallen, inclusief een turfopslag met ingebouwd toilet voor de boer.

Boer op zijn „gemak"

We lezen, dat bij deze boerenhoeven vaak pas na 1900 een apart „gemak" werd gebouwd, omdat er in en om de boerderij overal genoeg plaats was om zijn behoefte te doen. Er is een Duits spreekwoord, dat boeren zich „in de (brand) netels" (in die Nesseln) plachten neer te zetten en het zou me niet eens verbazen als onze uitdrukking „in de nesten zitten" oorspronkelijk ook aan dat gebruik ontleend is.

Als voorlopig laatste pronkstuk van de collectie komen we uit bij de zogeheten bokwindmolen, die uit 1638 moet dateren en daarmee een der oudste windmolens van Nedersaksen is. Deze standerdmolen heeft een zeer grondige restauratie moeten ondergaan. Drie windmolens, een watermolen, twee rosmolens: met deze collectie is Cloppenburg, zo lees ik, tevens het grootste molenmuseum van de Bondsrepubliek. Wie maalt daar om? Die moet zeker een kijkje gaan nemen in „Museumdorp Cloppenburg" bij het gelijknamige stadje tussen Osnabrück en Oldenburg.

U kunt dan meteen een uitstapje maken naar de Thülsfelder Talsperre, een flink stuwmeer in het riviertje de Soeste, het jachtslot Clemenswerth bekijken en een bezoek brengen aan de dierentuin Worberg, dus vervelen is er op zo'n tochtje naar Cloppenburg niet bij.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juni 1982

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

De Saksische boer zat op zijn „gemak" in de brandnetels...

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juni 1982

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's