Ds. W. K. Kansil, een oosterse predikant in een Hollandse kerk
"Ik heb virenden in de bond, onder confessionelen en vrijzinnigen; het maakt me niet uit"
<br />Wilson Kansil werd als zoon van een adellijke familie in voormalig Nederlands Indië geboren, studeerde theologie en werd zendeling op midden-Celebes. Daar maakte hij de Japanse bezetting mee. Na de oorlog was hij werkzaam als gevangenis-predikant en veldprediker. In 1950 kwam hij naar Nederland, waar hij Nederlands Hervormd predikant werd. Hij stond in Soesterberg. Tuil en 't Waal, Wanswerd, Oranjewoud en IJzendoorn. Modaliteiten zeggen hem niet zo veel hij heeft vrienden onder bonders, confessionelen en vrijzinnigen. Over beroepen heeft hij zo z n eigen mening. Evenals trouwens over heel wat andere zaken waar wij westerlingen ons — al dan niet terecht- druk om maken.
"Kominnen, mijn dochter", roept ds. Kansil, als op de deur van zijn lomer wordt geklopt. De bejaardenverzorgster van "Dennenrust", hetWageningse bejaardentehuis voorgerepatrieerden, glimlacht. Ze kent de spreekwijze van de oosterse predikant. Meteen hoffelijk gebaar neemt hij het dienblad van haar over en plaatst het op zijn bed. ,,Bedankt, mijn dochter." De simpele salontafel is bezaaid met de meest uiteenlopende voorwerpen, van een pakje Franse sigaretten tot een gebedsmolen uit Tibet. Foto's en snuisterijen opeen klein wandmeubel herinneren aan de Gordel van Smaragd. Een groot deel van het kleine kamertje wordt in beslag genomen door twee boekenstellingen. Ondereenervan staan zeven paar zwarte schoenen. De toga hangt doelloos aan de bovenste schap.
Ring
Het armoedige vertrek is niet in staat de hoge afkomst van de bewoner te verhullen. In optreden en kleding is ds. W. K. Kansil een aristocraat gebleven. Om zijn hals draagt hij een ketting met daaraan een hugenotenkruis en een penning met de beeltenis van zijn overleden echtgenote. „Zohebikm'n vrouw altijd bij me. Ik hield van haar. Maar ik mag haar niet aanbidden. Vandaar dat kruis. Dat is het belangrijkste." De ring met een groene edelsteen uitBorneo om de middelvinger van zijn linker hand, kreeg hij na de dood van zijn vrouw, van een mohammedaanse zwager. Het sieraad was bedoeld voor de ringvinger, maar bleek te ruim. Dat was de reden dat de predikant een tweede exemplaar met een rodesteen kocht.,,Alleen een ring om je wijsvinger kan niet hè", licht hij toe met de mysterieuze glimlach van een oosterling. Door de zwarte kopia op zijn dunne haardos werd de predikant meer dan eens vooreen mohammedaanse geestelijke aangezien. „De werkelijke reden waarom ik dat hoofddeksel draag. heeft niets met godsdienst of politiek te maken", stelt hij gerust. ,,maarmeteen koud hoofd. Ik slaap ook met een slaapmuts. Alleen in de badkamer vertoon ik me met ongedekt hoofd. Eerst heb ik een alpino gedragen, maar die beviel me niet. Te broeierig. Daarna een joods kalotje. Dat beviel best. Alleen die pinnetjes aan de zijkant zijn zo vervelend. Daarom heb ik in Ede een kopia gekocht. Die bevalt nog het best. Aan mode heb ik me nooit gestoord. Ik voel me vrij. Hierzieje aan iemands gezicht vaak al dat hij dominee is. Aan het praten hoor je het. Ik heb de indruk dat ze niet vrij zijn in hun doen en spreken. Zo kan ik niet leven."
Laatste dienst
Vorig jaar hield de Indonesische vorstenzoon zijn laatste dienst voor de bewoners van het tehuis, meest IndischeNederianders. ,,Je moet weten op te houden. Ik heb gepreekt over: Doch de Zoon des mensen, als hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde? Er wordt veel over geloof gesproken en toch gelooft men niet." Het feit dat hij ter wereld kwam als een hooggeborene en zijn levensavond slijt als een onbekend prediker, ver van zijn vaderland, maakt hem niet triest. ,,Ik heb nooit behoefte gevoeld om bekend te worden. Ik heb geen behoefte aan volgelingen. Ik heb geen behoefte aan geld. Ik heb genoeg aan mijn klein pensioentje. U ziet, ik heb geen televisie of zoiets, ik heb niets dan mijn boeken. En daarin lees ik zelden meer, omdat ik na het overlijden van mijn vrouw heel moeilijk meer iets kan opnemen. Ik mediteer veel. Ik heb mijn tijd gehad en verlang naar het einde."
Frateschool
Wilson Kansil werd op 20 j uli 1914 te Taghulandang geboren. Zijn familie behoorde tot de hoge adel van Sangihe en Talaud, een eilandengroep tussen de noordpunt van Celebes en de Filippijnen. Na de Hollands-Inlandse School bezocht hij een rooms-katholieke fraterschool. ,, Daar kwam ik onder de indruk van de vroomheid van de fraters, van kaarsen en wierook, van de prachtige kleding en de plechtige handelingen van de priester. Als jongen was ik altijd zoekende. Ik ben ook naar bijeenkomsten van het Leger des Heils en van alleriei sekten geweest." Wilson bestudeerde de kleine en grote catechismus en uitte de wens om priester te worden. Tot grote schrik van zijn vader. Hoewel de familie zelden de kerk van binnen zag, werd de predikant van Menado ingeschakeld om de jonge student tot andere gedachten te bewegen. Die waarschuwde Kansil, dat de roomsen hem slechts wilden hebben om zijn klinkende naam. Wilson liet zich overtuigen. Hij vertrok naar de mulo, waar hij les kreeg van gereformeerde leerkrachten. Zijn waardering voor het rooms-katholicisme verminderde, maar de begeerte naar het ambt bleef bestaan.,, Iedereen die mij ontmoette zei; ,,Jij wordt nog eens dominee.
Familieraad
De directeur van de mulo raadde hem aan, zich op te geven voor de kort daarvoor gestichte Hogere Theologische School in Buitenzorg. ,.M'n familie was erop tegen. Dominee was niks. Je wordt een armoedzaaier die de mensen altijd vriendelijk aan moet spreken, zeiden ze. Dat was beneden onze stand. Toch heb ik geschreven. ,,Geld heb ik niet, verstand heb ik niet, ik heb maar een ding: Ik weet dat God me roept. Hoogachtend Kansil." Van de dertig kandidaten werden er vijf toegelaten. Wilson was een van hen, ondanks het feit dat hij de laagste vooropleiding had. In zijn stagetijd in Menado verloofde hij zich met Barnetje Ruata, een dochter van een van de voornaamste districtshoofden van de Minahassa. ,,Ik mocht niet zomaar met iedereen trouwen. Toen ik stage ging lopen in Menado, werd ik ontboden door mijn ouders om voor de familieraad te verschijnen. Er waren twee kandidaten voor me uitgezocht. Twee achternichten. We hadden nog nooit omgang met elkaar gehad. Ik was ook bang om met familie te trouwen, wegens inteelt." Wilson beloofde de familieraad zich te zullen onderwerpen aan de adat, maar [> stelde als voorwaarde dat zowel de huwelijkskandidaat als haar ouders trouw kerkelijk moesten zijn. ,,Dat was niet het geval. De familieraad heeft me toen toegestaan buiten mijn eigen volk te trouwen, mits het een meisje van adel was."
Vrouw
Door zijn belofte was de keus beperkt. ,,Ik heb nooit met meisjes omgegaan, zoals ze dat hier gewend zijn. Je werd op niemand verliefd, want dat mocht niet. Als ik met een meisje sprak was dat zonder bijbedoelingen. Op een dag waarschuwde mijn hospita me, dat er over mij werd geroddeld. Toen werd ik bang. Ik meldde me ziek. Ik at niet, ik dronk niet, ik bad alleen. Ik smeekte God om mij de juiste vrouw te geven. Na een week vroeg ik raad aan mijn leermeester. Hoe staat de kerk ertegenover als een kandidaat in de theologie zich wil verloven? Moet hij toestemming hebben van de kerk? Ik dacht nog volgens mijn adatpatroon." Zijn leermeester stelde hem gerust. De zaterdag daarop vroeg Wilson in bedekte termen de stichtster van een particuliere school, waar hij catechisatielessen gaf, tot vrouw. ,,Ze deed of ze mij niet begreep. Ik ben weggegaan naar het strand en heb daarvan kwaadheid m' n fiets tegen de vlakte gegooid. Ik was in m'n eer gekwetst." Een vrouwelijke ouderling gaf hem goede raad., ,0p Sangihe bent u een prins, maar hier niet. Hier is zij onze prinses. En vergeet niet dat een vrouw veroverd moet worden, zei ze me. Met lood in mijn schoenen ben ik een week later weer naar haar school gegaan. Na de les heb ik gezegd: Bij mij is ja, ja en nee, nee. Nou wil ik kort en bondig aan je vragen: Wil je mijn vrouw worden, ja of nee? Als je mijn vrouw wordt gaan we ons over twee weken verloven. Als je het niet wilt, zie je me niet meer terug. Dat was natuurlijk een schrik voor haar. Het bleef een hele tijd stil. Maar ten slotte zei ze ja."
Zendeling
Op 15 september 1940 werd kandidaat Wilson Kansil in de Portugese Kerk van Batavia bevestigd tot predikant. In zijn studietijd was hem verzekerd, dat hij leider van de Minahassische kerk zou worden. Twee dagen na zijn bevestiging werd hem totaal onverwacht gevraagd, of hij, in samenwerking met twee Nederlandse zendelingen, bereid was zendingswerk te gaan verrichten op midden-Celebes met als standplaats Luwuk. ,,Ik heb gezegd dat ik door God geroepen was en daarom bereid om te gaan naar de plaats waar Hij me naartoe zond. Wel vroeg ik een maand uitstel om te trouwen. Nederland was bezet. Elk ogenblik konden de Japanners komen. Als je familieleden bij het bestuur had, wist je dat. Stel dat ik in Luwuk zat en de Japanners kwamen, dan kon ik niet meer terug. Daarom was het beter om getrouwd te gaan. De kerkbestuurders vroegen me, of mijn vrouw wel mee wilde. Ik heb gezegd: Als zij door God aan mij geschonken is, gaat ze mee. Als ze niet mee wil, is dat het bewijs dat ze niet voor mij is bestemd.
Oorlog
Na acht maanden werd Kansil teruggeroepen, om ,,Ik ging altijd met bevende knieen de preekstoel op." werkzaamheden te gaan verrichten voor het dagelijks bestuur van de synode van de Minahassische kerk. In deze periode werd zijn eerste dochter geboren, waarna hij een eigen zendingsgebied kreeg toegewezen: Palu Donggala Moutung. In november'41 reisde de zendeling naar zijn nieuwe werkterrein. Twee weken later vielen de Japanners Indië binnen. Na drie maande volgde de capitulatie. ,,Daar zaten we dan in het zendingsveld. Er kwam geen geld meer uit Batavia, want alle verbindingen waren afgesneden. Ik was daar als leider, maar er waren ook nog drie voorgangers en tal van lekepredikers. Hoe moet het nu?, vroegen ze mij. Doorwerken, heb ik gezegd. De landschapsregering had ons wel grond gegeven om te bewerken, maar als je je ambt goed uitoefent heb je geen tijd om op het land te werken. Een van de voorgangers zei tegen me: Dominee, we kunnen toch geen teksten eten? Je hebt gelijk, zei ik, maar zodra je gaat werken, zal ik je schorsen. Dat heb ik ook gedaan. Zonder salaris hebben we doorgewerkt. We hebben in die tijd veel liefde ontvangen van het volk, dat ons anoniem van voedsel voorzag."
Verhoor
Zijn positie als leidinggevende Indiër op een post die normaliter door een Europeaan werd bezet, maakte Kansil voor de Japanners verdacht. Met vijf andere notabelen uit Palu werd hij opgeroepen, om in Donggala voor een bestuursambtenaar te verschijnen. ,, Het vreemde was dat alle vragen aan mij werden gericht. U bent dominee? Ja. U bent pro-Nederland? Ik zweeg. U woont in een huis van Nederlanders, dus u bent pro-Nederland. Ik overhandigde hem het bewijs dat het huis met de gebouwen eromheen voor de Japanse invasie aan mij geschonken waren. U hebt er geen recht op. U mag het nemen als u wilt, zei ik. Ik word er niet armer van. Toen werd hij kwaad. Ik zal u opsturen naar Menado, zei hij. U wordt onthoofd. Dat vind ik best, heb ik gezegd. Nu zit ik in de zorg. Als u mij onthoofd ben ik uit de zorg en bij mijn Heer en Heiland. Maar als u mij laat leven, dan zal ik u dankbaar zijn, want dan kan ik mijn volk nog leiden in deze moeilijke tijd. We werden alle vijf het huis uit gejaagd, maar het vonnis is niet voltrokken."
Tolk
Nadat de zendingsgebouwen hem waren ontnomen, bouwde Kansil met vrijwilligers een eigen kerk. Het tractement dat de mohammedaanse radja van Palu hem aanbood, weigerde hij.,, We moeten leven van Gods genade.'' Aan het zendingswerk kwam een eind, toen hij werd aangesteld als tolk van de Japanse predikant Hamasaki. ,,Er wordt veel gesproken over mensen die in kampen hebben gezeten, maar ik heb er weleens naar verlangd om gearresteerd te worden. De kampbewoners waren geestverwanten en konden vrij met elkaar spreken. Maar ik wist niet wie m' n vrienden en m'n vijanden waren. Dat verwoest je geestelijk. Als de oorlog nog een maand langer had geduurd, was ik gek geworden." Na de overgave van Japan werd ds. Kansil benoemd tot voorzitter van de classis Menado-Maumbi en geestelijk verzorger van de Hollandse gemeente in Menado. De psalmenbundels waren in de oorlog verloren gegaan. ,,Ik zong een regel voor en dan zong de gemeente hem na", herinnert hij zich. ,,Datgingdanzo." Met onvaste stem zingt de 73-jarige predikant:,,'t Hijgend hert, der jacht ontkomen' ', wacht even om de denkbeeldige gemeente het woord te geven en vervolgt dan: ,,Schreeuwt niet sterker naar' t genot.'' De met een Indisch accent gezongen psalm klinkt ontroerend mooi in het kleine kamertje.
Dienaar der kerk
Het was in deze tijd, dat onder de Indonesische militairen van de Leger Opleidings centrale van het KNIL muiterij tegen het Nederlandse gezag uitbrak. Alle Nederiandse mannen, zowel militairen als burgers, kwamen in de gevangenis van Menado terecht. Ze werden opgezocht door ds. Kansil. Na een maand werden de muiters door een tegencoup overmeesterd, waarna ze de plaats van de Nederlanders in de gevangenis mochten innemen. Ook zij werden door de predikant van Menado bezocht. ,, Met het gevolg dat ik van beide kanten werd gewantrouwd. Waar hoor jij eigenlijk? Natuuriijk had ik mijn politieke opvattingen. Maar als dienaar der kerk magje geen onderscheid maken. Daarvan moetje de consequenties aanvaarden." Die consequenties trok ds. Kansil ook, toen het Nederlands bestuur van Noord-Celebes hem vroeg voorzitter te worden van een zuiveringscommissie ter beoordeling van coUaboratiegevallen. In de hem toebedeelde functie veroordeelde hij oorlogsmisdadigers, als predikant verleende hij hen geestelijke bijstand. ,,Ik werd bij een jongen geroepen die geëxecuteerd zou worden. Hij was in de verte nog familie van me. Ik heb je altijd uitgelachen, zei hij. Ik heb de Bijbel gelezen, maar er nooit iets van begrepen. Hij was wanhopig-"
Liefde
,, Midden in de nacht werd ik weer opgehaald door de M.P. Hij zatte huilen. Zijn eerste vrouw had hij de bons gegeven. Maar toen hij in de moeilijkheden zat, liep z' n tweede vrouw weg. Voor hij was weggevoerd, vertelde hij, kwam zijn eerste vrouw terug. Ze had hem een kus op zijn voorhoofd gegeven. Houdt ze nog van mij?, vroeghij. Ja, zeiik. Ik wist dat, omdat ze een gemeentelid van me was. Ik heb gezegd: Je hebt de Bijbel gelezen van voor naar achter en van achter naar voor en hem niet begrepen. Wat is de boodschap van de Bijbel? Wij zijn als christenen met God getrouwd. Wat doen wij? Wij nemen afgoden aan. Eer, aanzien, seks,... Wat gebeurt er? In tijden van geestelijke nood laten ze ons in de steek. Maar Hij Die je echt liefheeft komt terug: God. Op dit moment. Hij geeft je een kus en de kus die Hij geeft is Jezus Christus. Geef je aan Hem over. Hij is tot bekering gekomen en geëxecuteerd zonder blinddoek. We kunnen niemand dwingen tot bekering. De omstandigheden moeten ertoe leiden. We moeten wachten op Gods tijd."
Veldprediker
In '49 werd ds. Kansil aangesteld als veldprediker. Een jaar later volgde de benoeming tot territoriaal legerpredikant. Na de overdracht van de macht aan de Indonesiërs werd hij, samen met militairen van het KNIL en de KL, gearresteerd. Hij kwam vrij door ingrijpen van generaal-majoor Scheffelaar, die hij korte tijd diende als tolk. Op 25 oktober 1950 vertrok hij als scheepspredikant op de "Empire Brent" naar Nederland. Daar meldde hij zich op de arbeidsbeurs in Utrecht als ongeschoold arbeider. ,,Ik wilde nog liever jongste bediende worden dan predikant. Maar ik heb leren inzien datje je levensloop moet ondergaan. Ik mocht het predikantschap nietontiopen." Na een soort leervicariaat van een halfjaar in Utrecht volgde zijn beroepbaarstelling.,, Waneer word ik nu beroepen?, vroeg ik. Ik begreep de Nederiandse situatie niet. In Indië kreeg je een gemeente aangewezen. Je moet bekendheid zien te krijgen, kreeg ik te horen. Anders krijgje nooit een beroep. Als jullie mij geroepen zouden hebben niet, zei ik, maar God heeft mij geroepen. Hij heeft me ook niet teleurgesteld en me een gemeente gegeven. Ik heb geen moeite met beroepen, maar ik ben van mening datje zodra je beroepen wordt, moet vertrekken. Anders speel je met een beroep."
Geen voorkeur
,, Toen ik in Tuil en' t Waal beroepen werd, zei de president-kerkvoogd van Soesterberg: Wacht nog even. U krijgt nog een beroep. Ik zei: Nee, ik vertrek. God roept niet voor niets. Het enige wat ik vroeg als ik werd beroepen, was: Hebben jullie gebeden voor je me beriep, ja of nee? Als je ervoor gebeden hebt, kom ik. Anders bestaat het gevaar datje naar een gemeente gaat waar je het beter krijgt. Kijk, als je geroepen bent, heb je geen voorkeur. Toen ik naar Wanswerd ging, moest ik in een verenigingsgebouw huizen. De pastorie was nog niet klaar. Dat interesseert me niet. Maar ze moeten me niet voor de gek houden. Toen ze treuzelden met de restauratie van de pastorie heb ik gezegd: Jullie zijn onbetrouwbaar. Daarna hebben ze er haast mee gemaakt." De Indische edelman heeft nooit moeite gehad met een sobere levensstijl. „Niemand heeft me toch gedwongen om predikant te worden? Geld is voor mij onbelangrijk. Het enige wat ik tegen gemeenten heb gezegd is: Jullie moeten ervoor zorgen dat ik leven kan."
Huisbezoek
Zijn leven lang heeft ds. Kansil te kampen gehad met kanselvrees. „Ik ging altijd met bevende knieën de preekstoel op. Maar als ik er eenmaal op stond ging het als vanzelf. Ik heb m' n preken nooit uitgeschreven. Het mooie van schrijven is datje zinnen vloeiender zijn. Maar de gemeente zie je niet. Kijk, je preek wordt ook beïnvloed door de mensen in de kerk. Als je de hoofdlijn maar in je hoofd hebt, kun je een gedachte laten vallen en een andere naar voren brengen." De pastorale kwaliteiten van de oosterse predikant bleven niet onopgemerkt. Gemeenteleden die in moeilijkheden zaten, schroomden zelfs niet hem 's nachts te bellen. ,,Het geeft mensen steun als je naar ze luistert, met ze bidt, met ze meevoelt. Luisteren is niet gemakkelijk. Dat vraagt veel concentratie. Je wilt graag direct met aanwijzingen komen, maar daartoe ben je soms onmachtig. Het gevaar is groot datje als predikant te veel praat en te weinig luistert. Overdag bereidde ik mijn preken voor, legde bezoeken af en hield spreekuur. De nachten besteedde ik aan m'n boeken." Op de vraag, wanneer hij dan sliep, reageert de predikant ietwat verbaasd:,,Als dat uitkwam natuurlijk."
Redelijke Godsdienst
Vooral in zijn eerste Nederlandsejaren heeft ds. Kansil zich verdiept in de geschriften van westerse theologen.,,Ik studeerde hard om bij te zijn. Barth, Bavinck, Kuyper,... Omdat ik veel met de gereformeerde bond in aanraking kwam door spreekbeurten voor de GZB, heb ik ook de oude schrijvers en de Schotse theologie bestudeerd." De Indische predikant staat op en pakt een vergeelde uitgave van de "Redelijke Godsdienst" uit zijn boekenkast, nog in de oude spelling met gotische letters. Ernaast staat "De gezonde gelovige" van Thomas Shepard. ,, Ik heb ze allemaal gelezen. Ik heb ook van hen geleerd. Maar ik blijf een oosterling. Men legt hier de nadruk op bekering. Dat is juist. Maar het gevaar is dat alleen wij dominees bekeerd zijn, anderen niet. Een bekering kan radicaal zijn, maar ook geleidelijk. Het gaat erom of we bereid zijn Christus te volgen. De een doet dat snel, de ander langzaam. Westerlingen willen te veel op Gods troon zitten. We moeten het oordeel aan God overlaten. Wel weten we dat er niemand tot de Vader komt, dan door Jezus Christus. Wij hebben de opdracht om onze overtuiging uit te dragen, maar wij kunnen niet bekeren."
Dogmatiek
, ,Ik kan nooit een Nederlandse christen worden. Er zijn dingen die wij in het Oosten anders aanvaarden dan westeriingen. Jullie zijn voor ons te rationalistisch. U zult wel begrepen hebben dat ik een relativist ben. Zodra een professor of dogmaticus beweert dat hij het weet, zeg ik nee. Paulus zegt: Wij kennen ten dele. Dan moeten wij niet denken dat we alles weten. Dat is het gevaar van dogmatici. Zij wéten het. Ik sta achter mijn overtuiging, maar ik respecteer de ander. Als ze mij om leiding vragen, geef ik die, zoals ik denk dat het moet, maar ik ga niet redetwisten. Door redetwisten raakje opgewonden en dan is de Geest weg. Het begon al met Luther, Zwingli en Calvijn. Ze gingen allemaal tegen elkaar te keer. We moeten onze overtuiging uitdragen, daar waar we geplaatst zijn. Niet weglopen. Laat ze ons eruit zetten. Dat waardeer ik in Luther. Ik heb hem liever gelezen dan Calvijn. Die is zo betweterig. Luther is typisch een boer. Alsje zijn "Tischreden" leest, zijn dat geen mooie woorden, maar hoor je een echt mens."
Confessioneel
De vraag waar hij zelf stond in de Hervormde Kerk, weet Kansil niet te beantwoorden. ,,In Utrecht was ik hulpprediker bij een zogenaamde ethische predikant", begint hij meteen hulpeloos gebaar. ,,Van Soesterberg zeiden ze dat het een midden-orthodoxe gemeente was. Ik kwam in Tuil en' t Waal en daar noemden ze zich rechts confessioneel. Maar toen ik vroeg: Kennen jullie de belijdenisgeschriften, zeiden ze nee. Wat houdt dan jullie rechts confessioneel in? Het ene gezang. Als het niet meer is, is dat confessioneel maar kwats, zei ik. Wanswerd was Gereformeerde bond. Van Oranjewoud zeggen ze dat het Kohlbruggianenzijn. IJzendoorn was Gereformeerde bond. Zegt u mij, wat ben ik? Het interesseert mij niet. Voor mij is maar één ding belangrijk. Datje alleen door Jezus Christus zalig wordt en door niemand anders. Dan mag je over tal van kleine dingen anders denken. Ik zei al: Ik ben relativist."
Vrienden
,,Ik heb vrienden in de Gereformeerde bond, in confessionele kring, de midden-orthodoxie, vrijzinnigen. Het maakt me niet uit. Ik geloof in de werking van Gods Geest. Ik hoef alleen mijn overtuiging uit te dragen, meer niet. Gods wegen gaan verder dan wij denken. Wij denken dat mensen blijven zoals ze zijn. Wie vrijzinnig is, blijft vrijzinnig. Maar dat weten wij niet. Een vrijzinnige kan rechtzinnig worden. Ik heb ook rechtzinnigen vrijzinnig zien worden. Ofwe rechtzinnig zijn of vrijzinnig, we hebben allemaal bekering nodig. Je ziel en zaligheid hangt niet van je rechtzinnigheid af, maar van het vasthouden aan Christus. In mijn preken heb ik er altijd op gewezen, datje niet moet geloven om de hemel te verdienen. Je moet geloven, omdat je niet anders meer kunt dan geloven. Ik geloof in de beloften van Jezus, maar ze zijn voor mij niet zo belangrijk. Het gaat mij om Hemzelf. Als ik Hem maar kenne. Hem de mijne weet. "
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 25 november 1987
Terdege | 64 Pagina's